Er moet wel wat gebeuren

In het vroege voorjaar van 2013 dronk Paulien Bakker in het Amsterdamse café Eijlders kopjes thee met Sarhad Qadr.

Sarhad Qadr is een kleine, kogelronde en zwartbesnorde politiechef die gewoonlijk in de bergen van Noord-Irak op terroristen jaagt. Wanneer hij buiten de Koerdische hoofdstad Kirkuk midden in de nacht afgelegen dorpen doorzoekt op wapens en bommen, neemt hij zijn eigen camerateam mee. Vaak zendt de regionale televisie de beelden de volgende ochtend uit. Sarhad Qadr is nogal een held in Kirkuk.

Als hij in Nederland is, drinkt brigadier Sarhad Qadr thee met Paulien Bakker. Dat klinkt bizar, maar zo gaan die dingen.

Bakker schrijft als freelance journalist voor opinieweekbladen als Vrij Nederland en De Groene en voor dagbladen als de Volkskrant en Trouw. Ze heeft een zwak voor getraumatiseerde mensen, het bezinksel van een studie psychologie, en voor verre, al evenzeer getroebleerde landen. Ze is vijftien jaar jonger dan Sarhad Qadr, blond en een half hoofd kleiner, en respecteert de politiechef (‘een gezellige vent’) sinds ze een boek schreef over de oliestad Kirkuk. In dat boek, Een romantisch volk, speelt Qadr een hoofdrol.

Sarhad Qadr heeft een broer die in Nederland woont. Die broer bezoekt hij soms. En dan belt hij Paulien Bakker.

‘Ik ben in Nederland. Zullen we wat afspreken?’

Na zo’n telefoontje in maart 2013 stapte de politiechef dus haar kantoor binnen. Even later dronken ze thee bij Eijlders, een bruine kroeg aan de Korte Leidsedwarsstraat. Het gesprek ging over het land en de stad waar ze elkaar leerden kennen.

‘Waar blijf je nou?,’ vroeg Sarhad Qadr ongeduldig. ‘Er gebeurt van alles in Irak. Wanneer kom je weer naar Kirkuk?’

Alsof het om een tripje naar de Efteling ging.

Maar toen Qadr vertelde dat hij een paar dagen eerder in Londen geopereerd was aan de verwondingen die hij overhield aan een aanslag op zijn politiebureau in Kirkuk, zat Bakker al bijna in het vliegtuig.

‘Dit is míjn politiebureau,’ schoot haar te binnen. Zoals Sarhad Qadr háár terroristenjager was. En Kirkuk háár territorium – sinds ze daar zes jaar geleden terecht kwam omdat ze Banu had weggebracht. Banu was de Siamese kat van een vriendin en collega, die naar Irak verhuisde om daar een journalistiek trainingscentrum op te zetten. Met die kat op schoot was Bakker de eerste keer naar Irak gevlogen.

Zes jaar lang vloog Bakker op en neer. Vooral naar Kirkuk, een wat verwaarloosde stad met pakweg een miljoen inwoners, een vijfduizend jaar oude citadel als kroon op een gigantische, door iedereen begeerde ondergrondse olievoorraad, en vier bevolkingsgroepen waarvan er drie – Koerden, Turkmenen en Arabieren – elkaar de macht betwisten.

Alles bij elkaar verbleef Bakker negen maanden in de stad. Ze vroeg zich af waar het onderlinge geweld vandaan kwam, de talrijke aanslagen, de autobommen en snipers, terwijl de drie bevolkingsgroepen er tegelijk in slaagden langs elkaar heen te leven.

Ze maakte vrienden in Kirkuk. Zonder hoofddoek liep ze door de verrommelde straten, zij het in decente kleding, een broek en een T-shirt met lange mouwen. Ze viel op, als vrouw in een stad waar vrijwel geen westerse journalist nog kwam kijken, maar paste zich aan. Via een lange omweg belandde ze in het kantoor van Sarhad Qadr. Voor Vrij Nederland schreef ze een portret over ‘de bekendste terroristenjager’ van Noord-Irak. ‘En elke keer als ik er was, vroeg Sarhad of ik ‘s nachts weer mee ging op terroristenjacht.’

In Eijlders vertelde hij over de aanslag van 3 februari. Die aanval was tegen zijn politiebureau gericht. En hij, Sarhad Qadr, de grote man van Kirkuk, had de aanval afgeslagen. Als enige officier was hij met zijn mannen naar buiten gestormd.

In Kirkuk deed het verhaal de ronde dat de terroristenjager – als een Clint Eastwood met zwarte wenkbrauwen, een kebabhuid en een Boeddhabuik – hoogstpersoonlijk twee in bomvesten gehulde terroristen had neergeschoten.

In Eijlders nipte Sarhad Qadr van zijn thee; hij sprak het verhaal niet tegen.

Wat is verhalende journalistiek?

Journalisten zijn dol op verhalen. Ze willen weten hoe Geert Wilders het gedoogkabinet van Marc Rutte opblies, wat de onderhandelaars van VVD, CDA en PVV die zaterdag in april 2012 woordelijk tegen elkaar zeiden. Maar als een jonge werkloze Brabander zichzelf opblaast wanneer hij in een verlaten houtzagerij koperdraad wil stelen, ziet een verteller als Joris van Casteren ook daar het verhaal in.

Journalisten zijn dol op verhalen, op voorwaarde dat die ‘waargebeurd’ zijn. Ze moeten kloppen. De feiten moet je kunnen controleren. De mensen die je beschrijft, moeten wel bestáán. Als het verhaal niet verifieerbaar is, als sommige details verzonnen zijn, of erger: als hele personages eigenlijk niet bestaan, is van journalistiek geen sprake meer. Dan hebben we het over verhalen zoals je die tegenkomt in literaire romans. Dan hebben we het over fictie.

In zijn dagelijkse werk vertelt de journalist ‘echte’ verhalen. De enige uitzondering is dat het verhaal níet waargebeurd is maar wel met dat certificaat van echtheid wordt verkocht, geplugd of ingestoken. In dat geval liegt een politicus, verkoopt een bestuurder apekool, en doet de journalist waarvoor hij op aarde is: hij prikt de leugen door.

Maar wat noem je ‘een verhaal’? Vreemd genoeg kan dat om te beginnen dus alles zijn. Ook als hij nog geen letter heeft geschreven en nog geen bron heeft gebeld, zegt de journalist dat hij aan ‘een verhaal’ werkt. Tijdens de ochtendvergadering op de redactie van het dagblad krijg je een persbericht toegeschoven, of een knipsel uit een andere krant. De rest van de dag is dat jouw verhaal.

Een journalistiek verhaal bestaat niet alleen uit een tekst, maar ook uit alles eromheen: het eerste idee, de bronnen die je aanboort, de ordners vol documenten en de ongepolijste aanzetten, de digitale mapjes met spreadsheets, en verder elke letter die je erover schrijft, van het kortje op pagina 27 tot aan the story that ends all other stories, de alles onthullende reconstructie waarmee je een jaar later die prestigieuze journalistieke prijs in de wacht sleept.

Waarom heet dit boek zoals het heet, en niet Handboek journalistieke verhalen? Dat had ook gekund. We hebben het overwogen. Totdat we ons realiseerden dat we in de eerste plaats journalisten zijn. De journalistiek is ons vakgebied. Het vertellen van waargebeurde verhalen is daarvan afgeleid. Die verhalen zijn een genre binnen de journalistiek, net als onderzoeksjournalistiek, culinaire of parlementaire journalistiek. Wie zich daarmee bezighoudt, is ook niet in de eerste plaats onderzoeker, kok of politicus.

Dit is dus het Handboek verhalende journalistiek. Dat is ook bij gebrek aan beter. Voor het genre zijn de afgelopen halve eeuw steeds nieuwe namen bedacht, van bastard journalism tot documentaire journalistiek, van literature of fact tot journalit. Niet één voldeed helemaal. In de Verenigde Staten, waar storytelling in de journalistiek een langere traditie kent dan in Europese landen, wordt de laatste jaren wel gesproken van creative nonfiction.

Met al die etiketten wordt hetzelfde genre bedoeld. Dat wil zeggen: ongeveer. Het lijkt soms op de richtingenstrijd in de protestantse kerk: van een afstandje lijken al die denominaties sprekend op elkaar, maar verwacht van vrijgemaakt gereformeerden niet dat zij er exact zo over denken als de gereformeerden ‘in hersteld verband’. Ook al die journalistieke genres hebben een gemene deler, maar aan elke benaming kleven enigszins andere geloofsartikelen. Creatieve non-fictie wordt geassocieerd met een dikke duim en notoir onbetrouwbare journalistiek. Literaire non-fictie met grotendeels autobiografische verhalen over opa en oma. New journalism met bejaarde coryfeeën uit de jaren zeventig.

Geen enkele term past als een slim-fit spijkerbroek, ook ‘verhalende journalistiek’ niet; we weten dat sommige scherpslijpers bij dat ‘verhalende’ onmiddellijk aan ‘licht’ nieuws denken, aan sterke verhalen over paradijsvogels, aan verhalen die irrelevant zijn, en dus niet geschreven hoeven te worden.

Met ‘verhalende journalistiek’ bedoelen wij verhalen die afwijken van wat je normaal gesproken doet doordat ze ‘verhalend’ zijn.

Maar wat verstaan we daar precies onder? Hoe herken je een verhalend verhaal?

Het verhaal krijgt ineens een andere wending

Toen Paulien Bakker kort na de ontmoeting met Sarhad Qadr in Amsterdam weer naar Kirkuk vloog, was er in Irak inderdaad van alles aan de hand. Bij een vreedzame betoging van soennitische moslims tegen de sjiitische premier Nouri Al Maliki hadden diens troepen in de stad Hawija met scherp geschoten. Onder de demonstranten vielen 53 doden.

‘Dit is het grote nieuws,’ zei een vriend tegen haar, ‘die aanslag op demonstranten betekent het einde van de democratie.’

Bakker interviewde ooggetuigen en demonstratieleiders, maar het verhaal over het politiebureau van Sarhad Qadr liet haar niet los. Achteraf is duidelijk waarom Kirkuk aan haar bleef trekken. De gewelddadig geëindigde betoging tegen Maliki was nieuws dat ook wel door de internationale persbureaus zou worden gebracht. In de aanslag in Kirkuk herkende zij een Verhaal. Met een kapitaal, omdat ze het zou kunnen vertellen alsof ze er zelf bij was geweest. Waar de meeste journalistieke verhalen – ‘dat is inderdaad wat ontluisterend’ – een dag later al weer vergeten zijn, blijft dit soort verhalen haar nog jaren bij.

Om te beginnen had Bakker een personage. Sarhad Qadr, de mannetjesputter in Kirkuk (‘Het vergt moed,’ zegt ze, ‘een boegbeeld te zijn in een land waar iedereen een Kalasjnikov heeft – en die ook gebruikt’). Die politieman was haar hoofdpersoon, haar main character. Als weinig andere westerse journalisten had ze toegang tot de brigadier. Sarhad Qadr stond te popelen om haar alles te vertellen, of toch tenminste zijn versie van de geschiedenis.

Als ze zou kunnen reconstrueren wat zich precies had afgespeeld bij het politiebureau van Kirkuk, had ze ook de actie die onmisbaar is voor een verhalend verhaal. De wetten van dat genre dicteren nu eenmaal dat in elk narratief verhaal iets dient te gebeuren. Zo’n verhaal heeft handeling nodig. Er moet zich iets voordoen wat die actie in gang zet – twee aanstormende zelfmoordterroristen bijvoorbeeld. En er moet een ontknoping zijn, een slot. Dat Sarhad Qadr zijn aanvallers doodschiet, is misschien wat voorspelbaar, maar een ontknoping is het zeker.
Het verhaal begint bij het begin.

Op zondagmorgen 3 februari 2013, om tien voor negen, hangt politiebrigadier Sarhad Qadr zijn jack over zijn bureaustoel. Hij kijkt op naar zijn assistent als vlakbij een oorverdovende explosie klinkt. De vloer schudt. Ramen springen.

 

Sarhad Qadr deed zijn verhaal toen Bakker in het politiebureau van Kirkuk op die gele bank zat. In het drama van de aanslag – 36 doden en 105 gewonden – weerspiegelden zich de complexe verhoudingen in Kirkuk, waar elke bevolkingsgroep zijn eigen verhaal heeft. Belangrijker nog: de aanslag liet zien dat de terreur van Al-Qaida terug was in Irak.

Toen Qadr uit de doeken deed hoe hij de aanvallers had neergeschoten, vielen Bakker de gaten in zijn relaas op. Wat later sprak ze een Turkmeense leider, die eerder bewezen had een betrouwbare bron te zijn. Nu trok hij een wenkbrauw op. Hij weigerde iets te vertellen. Op één ding na: ‘Geloof mij, degene die de aanvaller doodschoot, was een Arabier.’

Dat was niet wat Sarhad Qadr en zijn mannen vertelden.

Ze zocht die Arabier wekenlang, en vond hem, een vader van drie kinderen, afkomstig uit een arme familie in Zuid-Irak. Ze zou hem Ahmed noemen en introduceren kort nadat brigadier Qadr die zondagochtend aankwam bij het bureau.

Pal voor het politiebureau heeft Ahmed, een Arabische chauffeur, zojuist zijn meerdere afgezet. Hij zit nog steeds achter het stuur. Ahmed verlaat zelden zijn auto, zelfs niet op het ommuurde terrein van het politiebureau, uit angst voor een bom onderop.

Op het moment van de aanslag, nadat de eerste van twee pick-uptrucks was ontploft, en Sarhad Qadr naar buiten stormde, zag Ahmed hoe de brigadier dekking zocht.

Ahmed kan nog naar binnen rennen, maar als Sarhad sterft, beseft hij, is alles verloren. Hij richt zijn Kalasjnikov. Hij richt eerst op de achterste aanvaller, die traag beweegt. De jongen valt neer. De tweede aanvaller rent rakelings langs Sarhad […]. De man draagt een explosievengordel. Als hij die binnen laat ontploffen, verliezen tientallen collega’s hun leven. Maar de aanvaller is nog maar een jongen. Nu brengt hij zijn hand naar zijn riem en Ahmed ziet de handgranaat die hij bij zich heeft. Dan twijfelt Ahmed niet langer en schiet.

Zo kreeg het verhaal van de aanslag nóg een wending. De voor de hand liggende ontknoping (‘terroristenjager schiet terroristen dood’) werd vervangen door een meer gelaagde plot, waarbij de echte held uitgerekend een man is uit de minst gewaardeerde bevolkingsgroep in Kirkuk, een politieman die het nooit verder schopte dan een baantje als chauffeur, maar die ook weer niet zo rancuneus is dat hij zijn baas Sarhad Qadr niet te hulp komt als het nodig is.

Het slot van het verhaal, in Vrij Nederland verschenen onder de kop ‘En dan ontploft een truck’, is saillant. In de laatste zinnen van haar reconstructie beschrijft Bakker hoe Ahmed zich kort na de aanslag moet melden bij generaal Jamal Tahir Bakr, de Koerdische korpschef van Kirkuk, en de hoogste baas van Sarhad Qadr:

Bakr liet Ahmed bij zich roepen en gaf hem een beloning van 500.000 dinar, een modaal maandsalaris. Eén ding spraken ze af: voor Ahmeds veiligheid gingen alle video-opnames van de aanslag meteen de kluis in. Niemand mag ooit te weten komen wie de terroristen neerschoot.

Verhalen herken je aan het slot

Verhalende journalistiek herken je aan het slot. Aan de uitsmijter. De pointe. De ontknoping. De loutering. De climax. De clou. Het simpele feit dat de journalist het meest verrassende tot het laatst bewaart, liefst tot de laatste zin, als het kan zelfs tot het laatste woord, garandeert je dat je te maken hebt met narratieve journalistiek.

Dat komt doordat journalisten al hun andere kopij beginnen met het nieuwste nieuws. Vanaf die lead bouwen ze hun bericht op volgens het model van de omgekeerde piramide. Met elke alinea neemt de nieuwswaarde af, en kun je als lezer de rest eenvoudiger ongelezen laten – wat hele drommen prompt doen. Die piramidestructuur ontdoet verhalen van hun drama, zegt Associated Press-schrijfcoach Bruce DaSilva in Telling True Stories. ‘De lezers die het verhaal tot de laatste regel uitlezen wacht geen enkele beloning.’ Wat noodzakelijk was toen kranten nog in lood werden gezet, is een hinderlijke gewoonte geworden. Tot op de dag van vandaag vinden eindredacties het handig kort voor de deadline een tekst ‘van onderaf op te rollen’, in te korten en passend te maken.

Nog steeds worden nieuwe generaties journalisten ermee opgevoed. Wie het beste nieuws bewaart voor het slot, negeert een ongeschreven wet. Amerikanen noemen het burying the lead. Je begraaft je belangrijkste nieuws niet in je laatste alinea.

Tenzij je een verhalend verhaal schrijft. Dan moet het.

Er zijn meer eigenaardigheden waaraan je narratieve journalistiek herkent. De sfeertekening. De filmische details. De opbouw in scènes. Stukken dialoog. Flarden interne monoloog. Het chronologische tijdsverloop. De illusie dat je het verhaal meebeleeft door de ogen van de hoofdpersoon. De subtiele manier waarop de verteller informatie eerst even achterhoudt, en jou als lezer laat gissen, laat wachten, waarna pas later in het verhaal blijkt hoe de vork in de steel zit – alsof je naar een episode van de Britse detective Midsomer Murders kijkt.

Verhalende journalistiek is bijna altijd opgebouwd rond een hoofdpersoon – één, niet vijf. Dit personage krijgt te maken met een probleem – een crisis, een conflict, een complicatie. Liefst eindigt het verhaal met een ontknoping. En altijd-altijd-altijd heeft het actie nodig. Beweging. Handeling.

Wij hebben dat niet bedacht. Tom Wolfe heeft het niet uitgevonden. De kunst van het verhalen vertellen is zo oud als de oude Grieken. Verhalen óver verhalen – Aristoteles vertelde ze al. Je komt de wetten van storytelling nu tegen in Hollywood, bij marketeers van elektronica en frisdrank, tijdens holistische managementcursussen, als trendy truc voor campagnestrategen, in de psychiatrie en ja, ook bij schrijvers van literaire non-fictie, bij verhalende journalisten dus.

In elk handboek, bij iedere coach, tref je de drie beginselen aan. Of je nou een cursus scenarioschrijven voor soapseries volgt, of te rade gaat bij de Amerikaanse grootmeesters van narratieve techniek, altijd komt het neer op de drie-eenheid van personage, probleem en ontknoping.

Welke van die drie is het belangrijkst?

Dat hangt ervan af wie je het vraagt.

Schrijvers van drama voor film, televisie of toneel zweren bij character. Scenarioschrijver Ger Beukenkamp, onder veel meer bekend van de film Majesteit en auteur van het handboek Schrijven voor film, toneel en televisie, vindt dat het karakter van de hoofdpersoon het drama in gang moet zetten. Gebeurtenissen worden geloofwaardig als je begrijpt wat de protagonist drijft, als hij een innerlijke reden heeft (hij deugt niet, of juist wel), en als hij een motief heeft (hij wil het meisje, het geld, de roem, de rust) om zijn problemen te lijf te gaan.

Journalisten hebben meestal weinig oog voor het karakter van de mensen over wie ze schrijven. Ze zijn gewend te luisteren naar personen in het nieuws die iets zeggen of iets vinden – de alomtegenwoordige woordvoerder, zegsman, voorlichter, deskundige, spreekbuis, voorzitter of secretaris. Zelden hebben verslaggevers de tijd om uit te zoeken waarom zo iemand iets zegt of vindt, anders dan dat hij daarvoor wordt betaald. Dramaschrijvers moeten een personage verzinnen en kunnen lang sleutelen aan het karakter dat hun plot voortstuwt. Journalisten doen het met wat ze hebben, de werkelijkheid.

De complicaties dan? Of de ontknopingen? Het alledaagse nieuws is ervan vergeven. Journalisten berichten altijd over problemen. Het wemelt in de pers van de conflicten. Tussen vakbond en werkgever. Tussen recherche en crimineel. Maar bijna altijd zijn dat conflicten zonder oplossing. Even regelmatig schrijf je als journalist over oplossingen zonder conflict. Over de uitkomst van het nieuws. Dat kan een kettingbotsing op de A2 zijn, de aftocht van een frauderende wethouder of een literaire prijs voor schrijver A.F.Th. van der Heijden.

Veel minder vaak vertellen journalisten het héle verhaal, van begin tot eind, van probleem tot climax. In de beste narratieve verhalen lost de hoofdpersoon ook nog eens zijn eigen probleem op. Jon Franklin, Amerikaans journalist, tweevoudig winnaar van de Pulitzerprijs en auteur van het handboek Writing for Story, stelt zelfs dat het een absolute voorwaarde is: ‘The final important point about the literary quality of resolutions is that they must, and without exception must, be products of the character’s own efforts.’

De werkelijkheid werkt helaas niet altijd mee. Het verhaal past zelden naadloos in de mal van Franklin. Een hoofdpersoon met een probleem, een protagonist met een complicatie, is nog wel te vinden, maar meestal verdwijnt het probleem doordat iemand anders het oplost.

Dat moet iets te maken hebben met de diensteneconomie waarin we leven. Geen probleem zo hinderlijk, of we kunnen ‘een mannetje’ bellen. Het lek in de badkamer, de wrat op je hand, de crisis in je relatie. Voor alles is wel een gespecialiseerde hulpverlener te vinden. Politici hebben spindoctors. Miskend zangtalent doet auditie bij Idols. Brokkenpiloten bellen Apeldoorn.

Toch heeft Franklin gelijk. Een narratief verhaal waarin de held zijn eigen probleem oplost, is sterker. Je leeft mee met een held die zelf handelt. Die aanpak voldoet beter aan de dramatische wetten die zichzelf al meer dan honderd jaar bewijzen bij de filmindustrie van Hollywood, al zit daar de werkelijkheid natuurlijk niet in de weg. Een journalist moet het doen met de realiteit, tenzij hij de risee van zijn beroepsgroep wil worden. Als je al schippert, dan liever met de ijzeren regels van Jon Franklin.

Wat dat betekent? Zelden is een narratief verhaal perfect, en je doet er goed aan geduldig te blijven zoeken naar de ideale plot, maar een beetje rommelen met Franklins credo is toegestaan. Met één uitzondering.

Een verhaal heeft altijd actie nodig

Wie je ook kiest als hoofdpersoon voor je verhaal, hoe heftig ook het conflict dat het verhaal in gang zet, en hoe verrassend ook je ontknoping – het verhaal mislukt als er niets gebeurt. We zeiden het al: altijd-altijd-altijd heeft een narratief verhaal actie nodig.
Zonder handelende personages houd je als journalist een schets over, een portret, een tafereel, stilstaand water. Dat kan prachtige artikelen opleveren, een heldere achtergrond over het geweld in Kirkuk, maar geen verhalende journalistiek.

Het genre bestaat bij de gratie van handeling. Je hoeft daarbij niet meteen te denken aan Bruce Willis die van de ene rijdende trein op de volgende met benzine afgeladen monstertruck springt. Ook een burgemeester die – zoals Rob Bats voorafgaand aan de Facebookrellen in het Groningse dorp Haren – alleen maar domme besluiten neemt, handelt. Een politicus die met het mes op tafel zijn gelijk probeert te krijgen, die moppert, fluistert en binnensmonds vloekt, handelt ook. En een politiebrigadier die niet zo heldhaftig optrad als hij zelf wil doen geloven, handelt misschien nog wel het meest.

Handeling is de motor van een verhaal. Handeling zorgt ervoor dat je lezer wil weten wat er hierná gebeurt. De eerste gebeurtenis roept de volgende op, de ene actie maakt de andere noodzakelijk, als een dominosteen die de volgende omduwt, en de daarna volgende, tot en met de laatste steen.

‘En wat gebeurde er toen?’

‘En toen?’

‘En toen…?’

Als verteller wil je maar één ding: een lezer die, zodra hij aan je verhaal begint, vanaf de eerste zinnen dus, ‘en toen?’ roept.