De laatste beklimming van Eric Arnold

Na vier mislukte pogingen bereikte bergbeklimmer Eric Arnold (35) eindelijk de top van Mount Everest. Het was het laatste wat hij deed.

Daar staat <fn> Dit verhaal stond aanvankelijk in de verleden tijd, maar op aandringen van de chef heb ik alles omgezet naar tegenwoordige tijd. Daardoor krijgt de reconstructie meer urgentie. Achteraf heb ik daar spijt van – ik hou meer van de beschouwende toon van de verleden tijd.</fn> hij toch maar, op 8848 meter hoogte. Eric Arnold, die pechvogel die al vier keer eerder de top van Mount Everest wilde halen, is er eindelijk in geslaagd. <fn> Ik kies voor een alwetende verteller, die de zaak van bovenaf bekijkt, maar wel zo dicht mogelijk tegen Eric Arnold aankruipt, om het verhaal zo persoonlijk mogelijk te maken.</fn> Het is vrijdagochtend 20 mei 2016, de zon komt op. <fn> ‘Alwetende verteller’ is eigenlijk niet zo adequate omschrijving hier, want ik wist juist heel veel niet. Ik klamp me vast aan de dingen die ik wel weet, bijvoorbeeld dat hij op de top geweest is, rond zonsopkomst.</fn>

Wat denkt hij, als hij neerkijkt op de toppen van de Lhotse en de Makalu – ook geen kleine jongens? <fn>Ik moet meteen eerlijk zijn over mijn onwetendheid. Wel laat ik de lezer hier vast weten wat hij kan verwachten: een verhaal over hoogteziekte en een jeugddroom.</fn> Is hij euforisch? Of heeft de hoogteziekte hem al zo te pakken, dat hij niet kan genieten van de prestatie waar hij al sinds zijn negentiende van droomt?

Lang blijft hij er vermoedelijk niet, met zijn lijf verpakt in een dikke jas en zijn gezicht verborgen achter een skibril en een zuurstofmasker. Ervaren bergbeklimmers juichen misschien even, nemen een paar foto’s, plegen eventueel een telefoontje en drinken een moeizame slok water – als dat niet bevroren is. Daarna gaan ze weer. Want ze weten: op de top ben je pas halverwege.<fn>Eric Arnold stond op de top. Wat hij daar precies deed en hoe lang hij er was weet ik niet. Maar ik wil toch dat de lezer een beeld in zijn hoofd krijgt van dat moment. Dat doe ik door te suggereren. Niet zomaar in het wilde weg, maar een ‘educated guess’ – en ik ben er eerlijk over, zie het woord ‘vermoedelijk’. </fn>

‘Tweederde van de ongelukken gebeurt op de weg terug’, zei Arnold een week eerder nog op de radio tegen Giel Beelen. ‘Naar beneden lopen is gewoon moeilijker.’

En inderdaad, de afdaling valt tegen. Met veel moeite bereikt Arnold kamp 4, het kamp dat het dichtst bij de top ligt. Hij is uitgeput, niet meer in staat om door te lopen naar een lager kamp zoals eigenlijk de bedoeling is, niet meer in staat om via de satelliettelefoon zijn vriendin en zijn ouders bellen.

‘Mijn lichaam heeft geen energie meer’, zou hij tegen de andere leden van het expeditieteam hebben gezegd.

Niet veel later overlijdt Eric Arnold in zijn slaap in een tent op de flank van de berg waar hij zo van houdt. Hij is 35 jaar geworden.<fn>Veel lezers weten – als ze dit maandagochtend lezen – dat Eric Arnold is overleden. Het zou potsierlijk zijn dat gegeven in dit verhaal tot het laatst te bewaren. Noodgedwongen begint dit verhaal dus met het einde – in ultimas res. Het verhaal gaat vervolgens om de vraag: hoe kon dit gebeuren?</fn>

 

 

Waar het allemaal begint?  <fn>Hier begint het verhaal eigenlijk opnieuw, en wel helemaal aan het begin.</fn> In een jongenskamer, zoals zo veel avonturen. ‘Het is gewoon mijn jeugddroom’, vertelt Eric Arnold later op de radio.<fn>Doordat dit verhaal helemaal in de tegenwoordige tijd is gezet, gaat het hier wringen. Want die tegenwoordige tijd – gebruiken we die nou voor de anekdotes uit zijn jeugd, of voor het moment dat hij op de radio is, jaren later? Ik los het hier provisorisch op met het woord ‘later’. In mijn oorspronkelijke tekst, die dus volledig in de verleden tijd stond, staat het mooier: ‘Waar het allemaal begon? ‘Het is gewoon mijn jeugddroom’, zei Eric Arnold vorige week nog op de radio. ‘Ik had vroeger een poster boven mijn bed…’’ </fn> ‘Ik had vroeger een poster boven mijn bed hangen van de Everest – naast die van Pamela Anderson, trouwens. Die laatste droom is beetje weg, maar die eerste is altijd gebleven.’<fn> Ik kon in die twee dagen geen mensen vinden die Eric Arnold persoonlijk goed kenden en over hem wilden praten. Daarom was ik aangewezen op wat hij eerder zei op de radio, in interviews en op zijn eigen blog.</fn>

Ook een bezoek aan de kapper in 1999 blijkt cruciaal te zijn. ‘Daar zat ik te bladeren door een oude leesmap en zag ik een artikel over een Mount Everest expeditie’, zegt hij in een ander interview. ‘Het triggerde iets in mijn gedachten en dat is daarna nooit meer weggegaan.’

Omdat hij nog nooit geklommen heeft, besluit de jonge Eric Arnold een beginnerscursus te gaan doen. Daarna gaat hij mee met expedities, telkens iets moeilijker en altijd met Mount Everest in zijn achterhoofd.<fn>Met deze passages schets ik wat voor persoon Eric Arnold is. Hij is een serieuze klimmer, zien we hier. Al jaren bezig zijn droom te verwezenlijken. Ik zeg het niet expliciet, maar wil hiermee aangeven dat Arnold geen roekeloze toerist was.</fn>

In 2002 reist hij voor het eerst naar de Himalaya, tien jaar later waagt hij zich voor het eerst aan Mount Everest. Het is koud en het stormt zo hard op de berg dat hij nauwelijks op zijn benen kan blijven staan. Zijn vingers zijn bevroren, net als een van zijn ogen. Op 250 meter onder de top – slechts drie tot vier uur verderop – keert hij om. ‘Zuurstoftekort, kou en angst doen mij besluiten om te keren’<fn>Op sommige plekken is toch duidelijk dat dit verhaal snel geschreven is. Twee keer achter elkaar gebruik ik het woord omkeren. Niet mooi.</fn>, zal hij later in een interview zeggen. Het blijkt een verstandige keuze. Enkele andere klimmers komen die dag om het leven.

Het jaar daarop wil Arnold een nieuwe poging wagen, maar nog voor hij vertrekt, kegelt iemand hem op de ijsbaan omver. Een schaats snijdt zijn achillespees doormidden.

In 2014 zit het ook niet mee. Arnold is in het basiskamp als een lawine een deel van de klimroute verwoest. Zestien mensen sterven en alle expedities worden afgelast. Hij besluit direct bij vertrek dat hij het jaar daarop terug zal keren. In een interview met bergsporttijdschrift Hoogtelijn zegt hij later: ‘Het is een boek dat af moet; dat laatste hoofdstuk moet geschreven worden.’

Maar ook in 2015 haalt hij de top niet. Een aardbeving met een kracht van 7,9 op de schaal van Richter treft Nepal op het moment dat Arnold in het basiskamp zit. ‘Ik kwam naar buiten en zag lawines aan komen rollen van alle kanten’, zegt hij tegen de Volkskrant. ‘Zulke grote lawines heb ik nooit gezien.’ Hij heeft geluk dat hij het kan navertellen.<fn>Deze opsomming van pogingen is relevant. Dat het hem al zo vaak niet gelukt is zou mee kunnen spelen bij zijn keuze om zijn beklimming voort te zetten.</fn>

 

Vier gestrande pogingen, maar Eric Arnold gaat door. Hij schrijft zich in voor de Everest South Expedition, zodat hij in het voorjaar van 2016 opnieuw mee kan met Arnold Coster, een Nederlander die in Kathmandu woont en expedities organiseert.<fn>Coster zelf was in de twee dagen dat ik dit stuk schreef onbereikbaar. Later heb ik nog een veel langer verhaal voor de Volkskrant gemaakt over deze beklimming, geheel vanuit het perspectief van de expeditieleider.</fn>

Volgens zijn uitgebreide brochure zou het de tiende keer worden dat Coster met een groep Mount Everest beklimt. ‘Hij behoort tot de mensen met de meeste ervaring ter wereld’, aldus de brochure. ‘En hij heeft een hoog succespercentage.’<fn>Ook Katja Staartjes bevestigde telefonisch dat Arnold Coster een ervaren expeditieleider was. Misschien had ik dat ook in de tekst op moeten nemen. </fn>

En dus arriveert Eric Arnold rond 20 april in het basiskamp aan de voet van Mount Everest. Van daaruit klimmen de expeditieleden in de eerste dagen van mei alvast een fors stuk naar boven. Een acclimatisatietocht is het, om aan de zuurstoftekort te wennen.

Tijdens die tocht krijgt Arnold – zoals gebruikelijk is – last van de hoogte. ‘Net als de bonkende hoofdpijn en algehele malaise wegtrekt, is het tijd om door te gaan naar een hogere plek waar de algehele malaise zich herhaalt’, zal hij op 4 mei over die tocht noteren. ‘Meestal valt dit samen met de momenten dat ik mij afvraag waarom ik dit ook alweer leuk vind.’

Een dag of tien later is die twijfel weer verdwenen. ‘Voorlopig gaat het gesmeerd’, schrijft hij op 13 mei vanuit het basiskamp. ‘Bergbeklimmen is geen wedstrijd, op hoogte is jezelf onnodig uitputten zelfs gevaarlijk. Natuurlijk geeft het wel vertrouwen dat ik tot nu toe minimaal bij de kopgroep in de hoogtekampen aan kom. Mijn zuurstofsaturatie geeft prachtige waarden aan. Maar garantie krijgt niemand.’<fn>Deze passage, die Eric Arnold op zijn blog schreef, illustreert nogmaals dat hij geen roekeloze klimmer is.</fn>

 

Op maandag 16 mei, een paar uur na middernacht, begint Eric Arnold aan zijn allerlaatste tocht naar boven. De groep verlaat het basiskamp en loopt naar kamp 2, dat op ruim zes kilometer hoogte ligt. Daar blijven ze een dag. Op zijn Twitteraccount, dat wordt bijgewerkt door zijn vriendin, verschijnt het bericht, dat Arnold ziek is. Hij heeft een voedselvergiftiging en krijgt antibiotica.<fn>Of dit verband houdt met datgene wat gebeuren gaat, kon ik op het moment van schrijven niet beoordelen. Ik vond het wel frappant.</fn>

De medicatie lijkt aan te slaan. Arnold kan woensdag op pad, en komt via de touwen die de sherpa’s langs de route hebben aangelegd in kamp 3, dat op 7158 meter hoogte ligt. ‘Dosis oerkracht gevonden!’, staat op Twitter. ‘Laatste touwlengtes diep in het rood. Nu herstel: drinken!’

Donderdag arriveert Arnold op de Zuidcol, een plateau op een hoogte van 7950 meter, waar zich het laatste kamp voor de top bevindt. ‘Diep in het rood gegaan’, meldt zijn vriendin namens Arnold op Twitter. Er was iets misgegaan met de zuurstoftoevoer.

Het waait hard op de Zuidcol, de temperatuur moet er circa dertig graden onder nul zijn. Op deze hoogte – vanaf 7500 meter – begint het gebied dat bergbeklimmers de Death Zone noemen.<fn>Hier vermeng ik achtergrondinformatie met de handeling. Dat probeer ik zo kort mogelijk te houden, om de lezer niet te veel op te houden.</fn> Het is onmogelijk om er lang te verblijven, omdat de hoeveelheid zuurstof ongeveer een derde is van de hoeveelheid op zeeniveau. Zelfs met een zuurstoffles is dat tekort niet op te vangen.

Waarom komt iemand hier dan? Kort daarvoor noemde Arnold het klimmen een verslaving. ‘Het heeft lang geduurd voordat ik precies kon duiden waarom dat zo is’, schreef hij in een blog. ‘In de bergen raak ik in een flow. Ondanks het gevaar is er geen plek waar ik mij zo tot in mijn haarvaten in leven voel als in de bergen. In Nederland kabbelt het leven in grijstinten, in de bergen is alles oranje, rood en groen. In de bergen zitten hoofd en hart op één lijn. De bron van energie is dan onuitputtelijk. Niets is te veel.’<fn> Deze passage is voor mij een lichtpuntje in een wrange geschiedenis. Eric Arnold stierf weliswaar, maar wel tijdens datgene wat hij het mooiste vond in het leven.</fn>

Eric Arnold heeft zes uur de tijd om te herstellen in kamp 4. Hij moet proberen wat te eten en circa zeven liter gesmolten sneeuw te drinken, hoewel een lichaam daar op grote hoogte helemaal geen zin in heeft.<fn>Ik kan hier geen details geven over de beklimming van Eric Arnold. In plaats daarvan verlevendig ik het verhaal met informatie die ik van Katja Staartjes kreeg, die eerder Mount Everest beklom. Zo beschik ik toch over broodnodige details.</fn> Vanavond zullen ze aan hun toppoging beginnen.

 

Met lampen op hun helmen gaan de zeven leden van de expeditie met zeven sherpa’s donderdagavond op weg naar de top.

Het is gebruikelijk om toppogingen vanaf de Zuidcol ’s avonds te beginnen. Op en neer naar boven bij daglicht is onmogelijk, want een topklim duurt 16 tot 25 uur. Een deel van de tocht moet dus in het donker worden afgelegd. Het is veiliger om in het donker te beginnen: dan zijn de expeditieleden nog fit.<fn>Ook hier: tekst verlevendigd met informatie van Katja Staartjes.</fn>

Het eerste stuk van de route naar de top is nog vrij vlak, maar na een paar uur wordt het steiler. Over hellingen van soms wel vijftig graden bereiken ze een vlakke plek die het Balkon wordt genoemd. Daar begint een bergkam die naar de top leidt.

Wat gebeurt er tijdens die tocht? Als het klopt dat Eric Arnold is overleden aan hoogteziekte, zoals de organisatie van de expeditie vermoedt, dan moet zijn lichaam ergens daar in de Death Zone op hol geslagen zijn.

Sommige klimmers worden moe door de ijle lucht, anderen krijgen hoofdpijn, worden duizelig of misselijk. Iedereen heeft er last van, al is het bij de een erger dan bij de ander.

Vlak voor de top arriveren Arnold en de anderen bij de Hillary Step – genoemd naar Edmund Hillary, die via deze route in 1953 samen met zijn sherpa Tenzing Norgay als eerste naar de top van Mount Everest wist te klimmen. Op zeeniveau is de klim eenvoudig voor een getrainde klimmer, op deze hoogte is het een uitputtingsslag.

Soms slaat de hoogteziekte venijnig hard toe bij een klimmer. Dan kan de huid blauw worden, raakt de klimmer verward en gaat hij zwalken. Dit heet acute mountain sickness. In extreme gevallen hoopt vocht zich op in de longen en de hersenen, wat levensgevaarlijk is.

Merkt Eric Arnold dat zijn lichaam langzaam uitgeput raakt? Of wilde hij het niet merken?

‘De druk was nu heel groot’, zal zijn vriendin later tegen een journalist van het Algemeen Dagblad zeggen, toen ze nog niet wist dat hij zou sterven, maar wel dat hij uitgeput in een tent in kamp 4 lag. ‘Waar een ander was teruggegaan, heeft hij er waarschijnlijk drie stappen bij gezet.’

Arnold klimt rond zonsopgang via de touwen tegen de Hillary Step op. Daarna is het nog een klein stukje naar de top. Zuchtend en hijgend zal hij<fn>Suggestie.</fn> op 8848 meter aangekomen zijn. Daar ziet hij wat hij zijn hele leven wilde zien: de Himalaya, vanaf het hoogste punt.

Het uitzicht is waanzinnig. <fn>De lezer weet al wat er daarna tijdens de afdaling gebeurde. Ik wil toch een beetje positief eindigen. Dit heeft Eric Arnold toch maar mooi gezien. Hij heeft zijn droom vervuld.</fn>

 

About the Author

Rik Kuiper
Rik Kuiper is verslaggever bij de Volkskrant. Vaak tikt hij nieuwsberichten en dagreportages, maar het liefst sleutelt hij aan minutieuze reconstructies van meer dan 3000 woorden. Of die nu gaan over de geboorte van een Siamese tweeling of over een fatale beklimming van Mount Everest – het maakt hem niet veel uit, als er maar interessante personages in voorkomen die geconfronteerd worden met onalledaagse problemen. Enkele jaren geleden richtte Rik met een paar andere journalisten de Conferentie voor Verhalende Journalistiek op, die elk jaar meer dan honderd journalisten trekt. Twee van Riks verhalen zijn opgenomen in het jaarboek verhalende journalistiek. Bij de Volkskrant geeft hij een cursus aan de eigen verslaggevers. En als hij journalisten één boek zou mogen aanraden over het genre? Dan is dat Writing for Story van Jon Franklin. ‘Dat is mijn bijbel’, zegt hij.