Wakker blijven bij je hersenoperatie

Carel Dolman is 38 als hij hoort dat hij de ziekte van Parkinson heeft. Zeven jaar later laat hij twee elektrodes in zijn hersenen aanbrengen die hem moeten verlossen van de gekmakende overbeweeglijkheid. Een operatie die alleen mogelijk is als hij zelf bij kennis blijft.

De tanige man op het verrijdbare ziekenhuisbed in operatiezaal 9 moet zijn naam noemen.<fn>Het verhaal begint met een korte dialoog tussen een patiënt en zijn chirurg. Om de vervreemding nog wat groter te maken, laat ik de exacte plek (welk ziekenhuis, in welke stad) hier nog weg. Met de eerste zin zit de lezer meteen in de beleving van Carel Dolman. Bovendien vind ik het belangrijk dat die eerste zin een actieve zin is: die tanige man moet iets, hij moet handelen.</fn>
Carel, zegt hij, Carel Dolman.

Michiel Staal staat aan zijn bed. De neurochirurg vraagt of Carel Dolman<fn>Ik noem Carel Dolman bijna steeds bij zijn volledige naam. Het is lastig uit te leggen waarom ik dat doe. Ik wil het perspectief bij Carel leggen, maar door zijn volledige naam te gebruiken creëer ik afstand. Als ik Carel had aangeduid met een persoonlijk voornaamwoord (‘De neurochirurg vraagt of hij weet dat ze in zijn hersenen gaan opereren’) had het perspectief nog nadrukkelijker bij hem gelegen. Ik vermoed dat ik intuïtief voor ‘Carel Dolman’ koos, omdat ik uiteindelijk toch als alwetende verteller moet optreden; het is alsof ik dat ongemak voorbereid.</fn> weet dat ze in zijn hersenen gaan opereren.<fn>Dat ze in zijn hersenen gaan opereren: het perspectief ligt bij Carel, een patiënt denkt ‘ze’, de arts zou gezegd hebben: ‘ik’. </fn>

Ja, zegt hij. God ja. Natuurlijk weet hij dat.

En dat hij tijdens die operatie bij kennis blijft? <fn>De dialoog bestaat uit drie vragen. Dat was ook werkelijk zo; alles was werkelijk zo, het is immers non-fictie. Maar dat het drie vragen zijn, kwam mij goed uit. Al het goede komt in drieën. Het is een ritme dat lezers onbewust herkennen.</fn>

Maanden heeft Carel Dolman daarover kunnen piekeren. Hoe professor Staal zijn schedel blootlegt, twee gaten boort en met een naald tien centimeter diep in zijn hersenen zal ronddwalen. En dat hij, Carel, dan moet aangeven of die naald goed zit.<fn>Met de dialoog hebben de twee hoofdrolspelers zichzelf geïntroduceerd, terwijl de verslaggever nergens ‘zichtbaar’ is. Het leek mij een originele manier om het verhaal te beginnen. Maar uiteraard moet de lezer ook verteld worden wat er gaat gebeuren, waar het verhaal over gaat – wat ze in de VS een nutgraph noemen. In deze alinea vertelt de herinnering van Carel Dolman wat hem te wachten staat.</fn>
Carel Dolman knikt.

Het is twaalf minuten voor acht op een dinsdagochtend in september.<fn>In elk narratief verhaal is het belangrijk de lezer een gevoel van plaats en tijd te geven. De plaats – het ziekenhuis – komt later, maar de tijd moest hier al, ook omdat het tijdsverloop in de rest van het verhaal de lezer gevoel voor proporties geeft.</fn>

Drie maanden eerder.<fn>Flashback. Gewoon de tijd benoemen.</fn> Als Carel Dolman praat, praat de tafel mee.<fn> Beter, want specifieker, was geweest: keukentafel.</fn> <fn>Tweede scène. Meteen een actieve, beeldende zin. Het was het eerste zinnetje dat ik opschreef toen ik na mijn eerste bezoek aan Carel thuiskwam. Ik heb de alinea die eraan vast hangt, tientallen keren opnieuw geschreven, soms heel barok, soms kaal.</fn> Doordat alles aan hem beweegt. Zijn armen en benen, zijn handen en voeten. Aan één stuk door plukt Carel aan het vel van zijn hals, slaat hij zijn benen over elkaar, vouwt hij zijn armen voor zijn borst, buigt hij voorover tegen de rand van de houten tafel – bonk – en leunt weer terug. En frunnikt aan zijn nek. En kruist zijn armen voor zijn borst opdat het in vredesnaam even stopt.<fn> De alinea die weergeeft wat Carels probleem is, de essentie van zijn complicatie, zijn overbeweeglijkheid dus, is uiteindelijk kaal geworden, sober, met voldoende ritme en herhaling om weer te geven hoe dat onophoudelijke gefrunnik voor hem voelt.</fn>

Bonk.<fn> Als ik ergens geleend heb bij Jon Franklin, dan hier. ‘It is 8:25 a.m. The heartbeat goes pop, pop, pop, 70 beats a minute, steady.’ </fn>

Carel Dolman verontschuldigt zich en trekt de stoel naast hem naar zich toe. Die stoel staat nu niet meer tegen de tafel. De stoel is stil.<fn> Ik hou van kaal schrijven. ‘De stoel is stil’ is net even anders als ‘De stoel maakt geen geluid.’ Het is alsof de stoel zwijgt. </fn>

Carel Dolman – veertiger, gymleraar, gehuwd en vader van twee jonge zoons – vertelt hoe het begonnen is, nu bijna zeven jaar geleden.<fn> Carel Dolman ‘vertelt’ is een inbreuk op het gekozen vertelperspectief. Hij vertelt immers aan mij, de verslaggever, terwijl ik verder uit beeld wil blijven om vast te houden aan het perspectief van Carel. Ik geef toch weer dat Carel en de verslaggever samen aan tafel zitten, omdat het ook mijn waarneming is dat hij zo overbeweeglijk is (als Carel praat, praat de tafel mee). Dat kun je niet vertellen vanuit zijn perspectief. </fn> Tijdens een vergadering op school ontdekte hij dat zijn notities onleesbaar werden<fn> Dit is een flashback in een flashback. Om het onderscheid te maken tussen de ontmoeting met Carel die ‘drie maanden eerder’ plaatsvond en de episode waarover hij vertelt, ‘nu bijna zeven jaar geleden’, staat de laatste in de verleden tijd. </fn>. Nadenken bij elke letter. En toch dat rare gepriegel. Hij ging naar zijn huisarts, die aan schrijfkramp dacht. Daarbij bleef het. Totdat Jolanda, zijn echtgenote, aan Carel vroeg wat er toch mis was met zijn voeten. Hij slofte.

Carel Dolman ging<fn> Ik probeer scherp te zijn op het vermijden van zwakke werkwoorden. Dat Carel naar de neuroloog ‘ging’ is niet fraai, vooral niet omdat hij een paar zinnen eerder ook al naar de huisarts ‘ging’. </fn> naar een neuroloog die zijn bloed liet testen en een scan liet maken van zijn hoofd. De arts dacht al dat hij niets kon vinden, toen hij nog eens goed keek naar Carels rare loopje, en aan zijn polsen draaide, en zei: ‘Ik weet het. U heeft de ziekte van Parkinson.'<fn> Hier valt pas het woord Parkinson, op het moment dat Carel Dolman het hoort.</fn>

Godsamme.<fn> Vanaf die uitroep ‘Godsamme’ schakel ik heel snel tussen het perspectief van de verteller (‘Carel Dolman was 38 jaar…) en de vrije directe rede (‘Jongens, ga eens even zitten’) waarin Carel vertelt hoe het ging. Het moet snel, en pregnant. </fn>

Carel Dolman was 38 jaar. Hij wilde zijn zoontjes nog leren windsurfen. Hij zou met ze gaan fietsen langs de Friese elf steden. En ‘s winters skiën.<fn> Carel noemt hele concrete dingen die hij nog had willen doen, en daarin spelen zijn zoontjes een rol. Je zou dit foreshadowing kunnen noemen, of voorbereiden (het verschil tussen die twee is klein); ik wist al dat die jongens aan het eind terug zouden komen. </fn>
Op zijn naaste familie na, wat vrienden en de directie van zijn school, vertelde hij niemand wat er loos was. Totdat mensen in het dorp over hem begonnen te praten. Dat hij met zó’n sik rondliep. Dat hij zo stijf was en onhandig.

De groep van atheneum-4 hoorde het als eerste.

Jongens, ga eens even zitten.

Een van de jongens had een opa, en die had het ook.

Hoe oud is die opa, vroeg Carel Dolman.

Tachtig.

Joh, zei hij, ik ben nog niet op de helft.

Carel Dolman ligt op het verrijdbare bed in operatiezaal 9.<fn> Met het noemen van de operatiezaal grijp ik terug op waar ik de lezer voor de flashback had gelaten. </fn> Professor Staal heeft hem de vragen gesteld die hij van het protocol moet stellen.<fn> Nu wordt ook duidelijk waarom die dialoog van de eerste scène zo vreemd was. Het was deel van het protocol. Het uitstellen van die informatie is een vertellerstruc, die je in reguliere nieuwsverhalen niet snel zal tegenkomen. Het heeft ook bij de autorisatie van het verhaal tot enige discussie met professor Staal geleid. Uiteindelijk begreep hij dat ik het verhaal wilde openen vanuit de beleving van Carel Dolman. </fn> De anesthesist heeft blauwe, gele, groene en rode kabeltjes aan zijn lijf verbonden. Carel is wat roezig, maar vastbesloten. Dit is te doen.<fn> Met ‘Dit is te doen’ zit de lezer weer in Carels hoofd. </fn>

Om half zeven is hij gewekt.<fn> Hier begint een tweede flashback, nu naar de afgelopen nacht, en het gesprek met zijn vrouw de avond tevoren. Ik was bij een groot deel van dat gesprek, en kon dus vertellen wat Carel en Jolanda elkaar en mij vertelden. De passage bevat de afwegingen van Carel om de operatie te ondergaan. Als de eerste flashback vertelt over het moment van zijn diagnose, vertelt deze tweede flashback over de periode waarin hij overbeweeglijk wordt en voor de operatie kiest. </fn> Hij heeft geen oog dicht gedaan. Doordat hij zijn medicijnen niet meer mocht innemen. Of toch van de zenuwen? Daar had hij niet op gerekend. De vorige avond, in kamer 32 van de verpleegafdeling van het umcg, heeft hij het er nog met Jolanda over gehad. Hoe de ‘buren’ op de camping in Zuid-Frankrijk hem telkens hadden aangestaard. Alsof hij niet helemaal goed was. Dat heftige bewegen van zijn armen, dat plukken aan zijn hals, tics zijn het, zo onrustig, nooit eens stil, om horendol van te worden.

Voor het eerst had Carel zich bekeken gevoeld, op die camping.

Hij is er klaar mee, zei hij tegen Jolanda. Klaar met de pillen die de stijfheid en onhandigheid niet meer onderdrukten. Klaar met de andere pillen waarvan hij ‘zo gek als een deur’ werd. Carel ging eindeloos bieden op Marktplaats-bootjes, duizenden euro’s, en zat ’s nachts al maar op internet. Jolanda had zijn koffers al bij de voordeur gezet, toen een verpleegkundige vertelde dat die dwangmatigheid een bekende bijwerking van de medicijnen was. Carel moest weer andere pillen slikken, waarvan hij ten slotte, nu een jaar geleden, steeds beweeglijker werd. Hij viel tien kilo af, zijn lijf werd mager.

Zonder pil kwam Carel Dolman nauwelijks vooruit – dan was hij ‘off’. Met pillen ging hij ‘on’, zo ‘on’ als een batterijkonijn. ‘Er zit geen enkele rem op. Je moet maar door. En zo druk in je hoofd.'<fn> Deze directe quote is een stijlbreuk. Hij was gericht tegen de verslaggever, maar door het in het midden te laten kan ik buiten de scène blijven. Toch was dit beter geweest: ‘Er zit geen enkele rem op. Hij moet maar door. En zo druk in zijn hoofd.’ </fn>

Jolanda leerde ermee leven. Zijn jongens wisten niet beter. Maar de dag kwam dichterbij dat Carel Dolman zou moeten stoppen met werken. Toen hoorde hij van die hersenoperatie. Jolanda voelde er niets voor. ‘Ik heb liever dat ze je voet amputeren dan dat ze in je hersenen zitten.'<fn> Hier is de directe quote wel goed gebruikt. Jolanda zei dit letterlijk tegen Carel waar ik bij was. </fn>

Maar Carel Dolman twijfelde niet, en nu,<fn> Terug naar het heden en meteen concreet worden. </fn> het is inmiddels twintig over acht, hij is wel drie keer naar het toilet geweest, nu scheert support specialist Cor Kliphuis<fn> Na Staal en Jolanda de derde bijfiguur. </fn> met een tondeuse de stoppels van zijn toch al kortgeknipte hoofd. Daarna zeept Kliphuis zijn schedel in met scheercrème, en haalt hij het laatste haar met een mesje weg.

‘Dit voelt koud,’ waarschuwt Kliphuis, voordat hij Carels spiegelgladde hoofd dept met desinfecterende witte jodium.<fn> Nog een detail dat ik kon toevoegen na het interview met Cor Kliphuis, een paar dagen na de operatie. </fn>

‘Hallekidee,’ roept Carel, bijna vrolijk.<fn> De vrolijke uitroep van Carel Dolman wil ik laten contrasteren met wat daarna volgt. De eerste passage waarvan lezers het koud krijgen, als het goed is. </fn>

Vlak daarna legt Kliphuis een kussen over zijn benen. Plompverloren klimt hij bovenop Carel Dolman, op het ziekenhuisbed, zijn knieën aan weerszijden van Carels bovenlichaam. In zijn handen houdt Kliphuis de zware, vierkante, met streepjes afgezette kroon van donker metaal, het ‘frame’, weet Carel. Neurochirurg Staal staat achter het hoofdeinde van zijn bed. Als Kliphuis de kroon boven Carels hoofd houdt, begint Staal (‘Dit hoeft geen pijn te doen’)<fn> … en de lezer weet dat het anders is. </fn> de stelschroeven aan te draaien, op elke hoek van het frame één.

Het hoofd van Carel Dolman is met een prikje plaatselijk verdoofd. Hij voelt nauwelijks dat de eerste scherpe punt door de weke delen van zijn hoofdhuid dringt. Maar als Staal het metalen frame met kracht vastzet, kruislings, zoals je de moeren van een autowiel aandraait, linksvoor, rechtsachter, linksachter, rechtsvoor,<fn> Zo’n metafoor maakt het wel heel herkenbaar en gruwelijk. Ik kreeg hem aangereikt van Kliphuis, die wel even wilde uitleggen hoe dat werkt. </fn> voelt hij de druk op zijn schedel. Blijven ademen nu.<fn> Het perspectief switcht tussen de alwetende verteller (‘Het hoofd van Carel Dolman is met een prikje verdoofd) en Carel zelf (‘Blijven ademen nu.’) Ik ben me ervan bewust dat dat inconsequent is, maar het werkt wel. </fn>

De puntjes van de schroeven dringen twee of drie millimeter diep in het bot van zijn schedel.

Zijn hoofd in een bankschroef.

‘Best vervelend,’ zegt Carel Dolman.

Het roesje van de anesthesist, weet Kliphuis,<fn> En nu even naar het perspectief van Kliphuis. </fn> kalmeert Carel Dolman. Hij vindt het wat minder erg dan het is – en zal het zich minder precies herinneren.

Dit is het deel dat de meesten wel willen vergeten, denkt Staal.<fn> En het perspectief van Staal. </fn>

Over het beige marmoleum van de ziekenhuisgangen wordt Carel Dolman even na half negen van de operatiezaal naar de ct-scan gereden. Hij hoort het geklepper van slippers, de kalmerende stem van Kliphuis, het zoemen van de airco, het openschuiven van liftdeuren, en weet wat er komen gaat.<fn> Ik liep met Carel mee. Hij lag plat op dat bed en zag niet veel behalve het plafond, maar hoorde van alles. Die geluiden zijn, net als geuren, vaak onderschatte verhaalelementen.</fn>

Het is niet zijn eerste hersenscan, maar hij herinnert zich de paniek van die eerste keer, een uur in de mri, kap over je heen, dopjes in je oren, en tóch het lawaai van een cirkelzaag in je schedeldak.

Cor Kliphuis heeft hem zijn hersenen laten zien,<fn> Oorspronkelijk stond daar waarschijnlijk: ‘Cor Kliphuis heeft hem op de scan zijn hersenen laten zien.’ Maar de zin wordt sterker zo. En het kan omdat we in Carels beleving zitten. Hij zou het zo beleefd en gezegd kunnen hebben. Sterker: hij vertelde het zo, aan mij. </fn> een grijze geitenkaas van honderd miljard zenuwcellen,<fn> Achtergrondinformatie moet je wegwerken in het lopende verhaal, las ik bij een van de grote Amerikaanse auteurs, Hunter S. Thompson als ik mij niet vergis. Blend, blend, blend. Dat ons hoofd 100 miljard hersencellen bevat wil ik terloops vertellen, niet in een exposé. Ik kon vertellen wat Carel zag, omdat Kliphuis mij hetzelfde liet zien. </fn> met op de scan lichtere en donkerder vlekken. Kliphuis wees hem de zwarte kernen aan, in het midden van zijn hoofd, die niet meer doen wat ze moeten doen. Ze geven te weinig dopamine af. Daardoor slaan twee andere kernen ter grootte van koffieboontjes, schakelkastjes die de motoriek regelen, op hol. En hij dus ook.<fn> Ergens moet je uitleggen wat Parkinson doet. Laat het dan de specialist maar aan de patiënt uitleggen. </fn>

Een verdieping onder de operatiezaal wordt Carel Dolman, kroon op zijn hoofd, in de ct-scan geschoven. Negentig seconden later is een tweede beeld van zijn hersenen gemaakt, dat op een computer wordt gecombineerd met het beeld van de mri-scan. De optelsom is een driedimensionaal plaatje van de schedel van Carel Dolman, waarmee akelig precies wordt berekend hoe de naald van professor Staal straks in die koffieboontjes zal prikken, diep genoeg om dat malle bewegen te stoppen.<fn> Het woord ‘malle’ zegt iets over de persoon Carel Dolman; hij kan relativerend over zijn ziekte praten, heeft gevoel voor humor, ook als het moeilijk wordt. Carel Dolman is een dappere man. </fn>

Kort na negen uur klinkt Clouseau uit de radio en schroeft Cor Kliphuis de kroon op het hoofd van Carel Dolman vast aan de operatietafel.<fn> Ik hou van ritme en klank. Een zin waarin al die k-klanken na elkaar komen, laat ik niet lopen. Het helpt ook als contrast met het vastschroeven. </fn> Een blauwe molton en een opblaasbaar kussen ondersteunen Carels nek. Zodra hij prettig ligt, tekent neurochirurg Staal met een zwarte stift – een permanent marker, het mag niet gaan uitlopen<fn> Zo’n detail krijg je naderhand aangereikt als je de operatie nog eens doorneemt met Cor Kliphuis. Het is heel beeldend. </fn> – op het kale hoofd waar hij de huid zal opensnijden. Hij werkt op de tast, voelt aan de schedelnaden waar hij moet zijn. Honderden keren heeft hij dit gedaan, ‘maar niets is routine’.<fn> Dit is een zin waarin het perspectief weer verschuift naar Staal. Waarom ik dat laatste deel tussen aanhalingstekens heb gezet, weet ik niet zo goed meer. Staal vertelde me het letterlijk zo, maar zonder aanhalingstekens werkt het misschien ook. </fn>

‘Er komt nu een prikje. Mag dat?’ vraagt de chirurg.

‘Heb ik een keus?’ antwoordt Carel Dolman.

‘U mag nee zeggen, maar dat zou ik niet aanraden.'<fn> Dialoog werkt. Altijd. Maar dan moet het wel geladen zijn, niet casual. En galgenhumor laadt prima. </fn>

Terwijl de verdoving begint te werken, trekt de operatieassistent een doorzichtig plastic scherm op tussen de rest van Carel Dolman en de zwarte streep op zijn hoofd.<fn> Hier wordt plastisch beschreven hoe de beleving van Carel losgetrokken wordt van die van Staal. Het is een truc om het perspectief te laten verschuiven. </fn> Het scherm wordt met oranje desinfecterende folie aan zijn schedel vastgeplakt. Aan de steriele snijkant van de zaal ligt nu alleen het deel van Carels hoofd bloot waarin Staal zal werken.

Iemand legt Clouseau het zwijgen op.<fn> In de operatiezaal liepen veel meer mensen rond. Ik heb ervoor gekozen alleen de noodzakelijke mensen te noemen, en nog minder van hen bij naam. Dat ‘iemand’ dient om duidelijk te maken dat er meer mensen waren, terwijl het er voor Carel niet toe doet wie Clouseau het zwijgen oplegt. </fn>

Met een mesje snijdt Staal de hoofdhuid open, een eerste snee die door het plakplastic en de huid gaat, waarna hij vlot twee hechtdraden door de huidflap<fn> Ik heb gezocht naar woorden die een chirurg als Staal gebruikt. </fn> trekt en de draden met klemmen vastmaakt aan het operatiedoek.

Als de chirurg met een ‘elektrisch mes’ dieper snijdt, in het onderhuidse vet en het beenvlies, ruikt Carel Dolman de geur van verbrand vlees.<fn> Dit is een van de gruwelijkste details. Carel vertelde me na afloop dat hij die geur geroken had. Mij was dat ontgaan omdat ik, als Parkinsonpatiënt, niets ruik. Cor Kliphuis vertelde me in een interview later dat die geur niet van het dichtschroeien van bloedvaten kwam, zoals ik dacht, maar van dat elektrisch mes. </fn>

‘Het is net puntlassen,’ zegt Cor Kliphuis.<fn> Die quote, uit het interview met Kliphuis na afloop, is te mooi om te laten lopen. Hij versterkt de alinea ervoor, en relativeert die tegelijk. Het is heel menselijk om met grapjes te reageren op spanning. Dat Kliphuis de zin niet uitsprak tijdens de operatie is een probleem. Ik nam hem hier op, omdat hij het evenzogoed ook tijdens de operatie gezegd had kunnen hebben, tegen mij, en dus tegen de lezer. En ik beken: de werkelijkheid was anders. </fn>

Staals assistent zuigt bloed af, helpt bij het dichtbranden van kleine bloedvaten, bij het maken van een tweede snee boven het rechteroor, en drukt gaasjes in de wond, waardoor het hoofd van Carel Dolman langzaam verandert in een woestmodern schilderij met gele en bruine jodiumtinten, een verfomfaaide, rommelige mummie.<fn> Dit is een lange, goed lopende zin met allemaal sterke werkwoorden die eindigen in een metafoor, een van de weinige in het verhaal, en de enige die zo barok geformuleerd is, met reden: het is het eerste, nou ja, hoogtepunt van het verhaal. </fn>

Carel Dolman ziet het niet, maar laat het gebeuren.

Tot zijn wereld aan de andere zijde van het zeil dringen geuren door, het getik van apparatuur, stemmen die zacht met elkaar overleggen. Hij kan alleen naar zijn voeteneinde kijken, naar het laken over zijn onrustige benen. Hij hoort het schelle, scherpe zingen als van een tandartsboor wanneer Staal een sleufje in zijn schedel freest, enkele centimeters lang, een ‘lit-jumeauxtje’, zoals de chirurg het noemt, waarin het platte, plastic verbindingsstukje straks netjes kan liggen, dat de draden in zijn hoofd zal koppelen aan een draad naar zijn buik.<fn> Weer terug naar de beleving van Carel, mogelijk door de plaatsbepaling ‘Tot zijn wereld aan de andere zijde van het zeil’: het is alsof de camera even achter dat zeil kijkt om te zien hoe het met Carel gaat. </fn>

Het is vijf minuten over tien als Staal droog aankondigt dat nu het boren gaat beginnen. Het klinkt nonchalant en plechtig tegelijk, als bij het aansnijden van een taart.<fn> Opnieuw een lichte toets om de spanning wat te verzachten en om te laten zien wat artsenhumor is. </fn> Maar Carel Dolman vangt het seintje op. Bang is hij niet. Het boren zal hij nauwelijks voelen – in het bot zitten geen pijnzenuwen – en die boor slaat vanzelf af als hij door het bot heen is. Maar hij zal het horen. Adem door je open mond, heeft Kliphuis hem aangeraden, dan is je hoofd geen afgesloten klankkast.

Staal plaatst de boor op het bot, en maakt binnen drie minuten twee ronde gaatjes zo groot als een eurocent<fn> Een van de oudste beginselen: als je vertelt hoe groot iets is, gebruik dan een vergelijking. Deze kwam van Staal. </fn>, één links, één rechts.<fn> De feitelijke ingreep is zo vaak aangekondigd, dat het hier in twee regels kan worden verteld. Het zou averechts werken als het boren hier nog eens plastisch werd beschreven. De woorden ‘een links, een rechts’ moeten aan het eind van de zin omdat het de handeling laat zien. Dat ze rijmen met de beschrijving van het vastzetten van ‘de kroon’, is mooi toeval. </fn>

Steeds iets dieper schroeft Staal een lange, dunne naald in het hoofd van Carel Dolman. De weg die de naald aflegt, ligt vast. Op het frame is een boog gemonteerd, waardoor alleen de diepte nog verandert en het puntje van de naald millimeter na millimeter dichterbij zijn doel komt. Hersenen kunnen dat hebben, heeft Staal uitgelegd. ‘Je weet wat een onschuldig traject is, waar niets gebeurt als je erdoorheen gaat.'<fn> Weer een directe quote van Staal, en dus een stijlbreuk. In dit geval kan het omdat ik weet dat Staal het ook zo aan Carel Dolman heeft uitgelegd. </fn> En hersenen voelen geen pijn.<fn> Na het dramatische hoogtepunt van het boren, gaat het tempo omlaag. Ik leg uit waarom het kan, een naald in hersenen prikken. </fn>

Achter het doorzichtige plastic<fn> En de camera beweegt weer terug naar de andere kant van het zeil… </fn> praat neuroloog Teus van Laar,<fn> … waar het volgende personage binnen is gekomen </fn> die even eerder de operatiezaal binnen kwam, kalm met Carel Dolman. Hij vraagt de maanden van het jaar te noemen – ‘januari, februari, maart…’ Hij pakt zijn linkerhand en voelt hoe soepel de pols is. Hij kijkt naar de stand van zijn ogen, zoekt naar kramp in zijn hand.<fn> Ook dit is een zin die zingt van het ritme, met woorden die allemaal uit een lettergreep bestaan, met uitzondering van ogen. Beter was geweest te schrijven: ‘de kramp’. </fn> En laat Carel Dolman duim en wijsvinger tegen elkaar ‘tappen’.

Dit is waar alles samenvalt. Waarom het, zoals Staal zegt, ‘verdomd belangrijk is dat je elkaar heel erg goed kent’. De chirurg die het platina tipje van de naald inbrengt. De neuroloog die voelt – ‘je moet het heel vaak gedaan hebben,’ zegt Van Laar – hoe een patiënt reageert.<fn> Deze alinea tot dit punt was een lastige. Ik wilde per se iets duidelijk maken over de samenwerking tussen chirurg en neuroloog, ook omdat Staal en Van Laar daar in interviews voorafgaand aan de operatie de nadruk op hadden gelegd. Achteraf is het een zwak punt, en loopt het verhaal ternauwernood door. Het heeft me geleerd dat er drie soorten informatie zijn voor een verhaal. Informatie die je bron belangrijk vindt. Informatie die belangrijk is voor de lezer. En informatie die het verhaal vooruit helpt. Veel informatie valt in meer dan één categorie, maar als ze niet (ook) in de laatste valt, moet je ze schrappen. </fn> En Carel Dolman zelf, die wakker moet zijn, zo wakker dat hij hoort hoe uit het luidsprekertje naast hem iets komt dat op het gehuil van zeehonden lijkt. Zo klinkt zijn brein dus, zo klinkt de hyperactieve koffieboon in zijn hoofd als de naald zijn doel heeft bereikt en het elektrische signaal wordt omgezet in geluid.

Van Laar blijft proberen, eerst aan de linkerkant, dan rechts, hoe Carel Dolman reageert op de stroomstootjes van de elektrode. Eén volt, twee volt, … en door tot vier volt. En dat voor elk van de vier contactpuntjes op de elektrode. Hoe losjes voelt Carels elleboog, hoe struikelt hij over de tongbreker ‘artillerie’, hoe bewegen zijn ogen. Gaan zijn voeten tintelen, kan hij nog tappen met wijsvinger en duim.

Staal en Van Laar – ‘We stoppen niet voor we beiden tevreden zijn'<fn> Als quote valt dit in de hiervoor genoemde eerste categorie. Het had uitgewerkt moeten worden. Show, don’t tell, dus, en zeker niet met zo’n in de lucht hangende, tussen gedachtestreepjes geplaatste quote. </fn> – zoeken naar het beste punt. Een millimeter dieper in de koffieboon, een millimeter opzij. Zo gemakkelijk als zij het juiste punt vonden in de rechterhelft van Carel Dolmans hersenen, een ‘hole in one’ zal Van Laar zeggen<fn> Dit is weer een andere manier om een lekkere quote van na de operatie in het verhaal te krijgen. De frase ‘zal hij later zeggen’ is een veel gebruikte manier om in reconstructies personages terug te laten kijken. Het is ook een zwaktebod. Als ik Van Laar verder als personage had uitgewerkt, had ik vanuit zijn perspectief kunnen schrijven en had de lezer ‘hole in one’ geaccepteerd als zijn gedachte of conclusie. Maar ik heb er nu eenmaal voor gekozen om zo veel als mogelijk vanuit Carels perspectief te schrijven. </fn>, zo lastig is het links. ‘We zitten close,’ zegt Van Laar, ‘het doet wel wat, maar dit is het net niet.’ En wat later: ‘Het is beter nu, maar niet zo overtuigend als de andere kant.’

Soms, weten Staal en Van Laar, stopt een Parkinsonpatiënt al met trillen als de naald op zijn plek komt. Nooit laat dat moment hen onverschillig. Het heeft iets mysterieus: hoeveel zij ook weten over hersencellen en neurotransmitters, waaróm het brein op die stroomstootjes reageert zoals het doet, begrijpen ze maar ten dele. Maar elke keer als het werkt, zegt Staal, gaat er een rilling door hem heen.<fn> In aansluiting op de vorige: de laatste zin had ook kunnen luiden: ‘Maar elke keer als het werkt gaat er een rilling door Staal heen.’ </fn>

Gekscherend worden ze in het umcg soms ‘staaldraden’ genoemd, de twee dunne draden die Staal om kwart over twaalf met blauwe lijm en wat botgruis, bij het boren opzij gelegd in een aluminium bakje,<fn> Dat het een aluminium bakje was, heb ik van Cor Kliphuis, na afloop. Met nog talrijke andere details waarvan ik de meeste niet heb gebruikt in het verhaal. </fn> vastzet in de gaten in Carel Dolmans hoofd. De uiteinden van de draden steken in een platte, witte, plastic connector die Staal in het uitgefreesde bedje<fn> Omdat dat ‘bedje’ eerder is voorbereid, kan het hier kort en beeldend. </fn> legt. Daarna hecht hij het beenvlies en de huid.

Carel Dolman doet een plas in een ondersteek.

De hoofdwond is dicht. Het gordijn wordt losgetrokken en weggehaald. Cor Kliphuis schroeft de kroon los. En om kwart voor één zit Carel Dolman overeind, een witte tulband op zijn hoofd. Hij is moe. Ontzettend moe. Breng hem nu maar onder zeil.<fn> Met die laatste zin, in de vrije indirecte rede, zijn we nog één keer in Carels hoofd. </fn>

Als neurochirurg Michiel Staal een boterhammetje eet, wordt Carel Dolman onder narcose gebracht voor het tweede deel van zijn operatie.<fn> Hier wordt in één zin nogal wat ‘vertelde tijd’ weggewerkt. We hebben het spannendste moment gehad en als we nu geen haast maken, wordt het langdradig. Daarom gebruik ik opnieuw de lijdende vorm; geen nieuwe personages nu. </fn> Hij ligt nu naakt op de operatietafel. Zijn hele lichaam is afgedekt met groen operatiedoek. Alleen een gestrekte halve meter huid van zijn rechteroor tot aan zijn zij blijft onbedekt.
Staal wast opnieuw zijn handen, borstelt zijn armen, trekt een andere operatiejas aan. Uit de radio klinkt Elton John. Nikita.<fn> Nee, denkt de lezer, we zijn nog niet klaar, het begint opnieuw. Wassen, scrubben, muziek. </fn> De chirurg tornt<fn> Ik heb lang gezocht naar dat woord. Was het openmaken, pulken, snijden, trekken, leggen – nee, tornen. </fn> de eerder dicht gehechte wond boven het rechteroor open, maakt een snee in Carel Dolmans zij, en prikt het uiteinde van een halve meter lange, holle priem onder de hoofdhuid. Staal moet kracht zetten om de ‘tunnelaar’ door het onderhuidse vet te dwingen, onder de hals door, bovenlangs het sleutelbeen – en niet eronder, daar zitten de longen -, langs zijn borstkas, duwend, ‘een beetje poken’, zegt Cor Kliphuis, totdat het puntje van de priem opduikt tussen het vanillegele vet bij de buik van Carel Dolman.<fn> Dit is een lange, beetje zoekende zin waarin hoop ik doorklinkt dat die tunnelaar een halve meter onderhuids aflegt, best lang en een beetje zoekend dus. </fn>

Uit de verpakking krijgt Staal een kastje aangereikt, iets kleiner dan een pakje sigaretten.<fn> Wie het hem aanreikt, is niet relevant meer. In deze fase willen we geen nieuwe personages meer. </fn> Het apparaat, een soort pacemaker, bevat een batterij die jarenlang stroompjes naar de hersenen zal sturen, stroompjes die de overactieve kernen in balans moeten houden. En het lijf van Carel Dolman soepel, zijn motoriek weer wat normaal.

Cor Kliphuis meet de bedrading door, van de pacemaker in Carels buik onderhuids naar zijn schedel. ‘Je wilt niet dat ergens nog een aansluiting niet goed zit, want dan moet alles weer open.’

Staal hecht de hoofdwond. Zijn operatieassistent maakt de buikwond dicht.

‘Carel, het is klaar,’ zegt de anesthesist. Het is vijf voor twee. Maar Carel Dolman zal pas uren later wakker worden.

Drie maanden later.<fn> Rijmt uiteraard met drie maanden eerder in de tweede scène. </fn> Carel Dolman staat in de deuropening van zijn woning. Voller in zijn gezicht,<fn>71</fn> onder het litteken op zijn voorhoofd grijnzend van oor tot oor – hij steekt zijn armen uit, zoals hij dat ook deed toen hij net ontwaakte uit zijn narcose. Kijk eens hoe rustig.

Carel Dolman scheert zich weer met rechts. Hij maait het gras. Hij plakt de lekke banden van zijn zoons<fn> Het verhaal begon met een tanige man. </fn>. Zet de aardappelen op, morst niet met koffie. ‘En ik hoor je niet meer, ik hoor je ‘s ochtends niet schuifelen,’ zegt Jolanda.

Uit een lade pakt Carel Dolman de afstandsbediening waarmee hij zijn pacemaker als het moet zelf aan en uit kan zetten. In het umcg is dat apparaat ingesteld. De frequentie, het voltage, de beste combinatie van platina puntjes. Gewoon: proberen. Gaat zijn lip hangen, voelt hij tintelingen, beweegt zijn hand te veel, spreekt hij onverstaanbaar. ‘Heel wonderlijk,’ herinnert Jolanda zich, ‘hoe ze hem aanzetten en je ineens weer gewoon begon te praten.'<fn> In deze alinea zit drie maanden proberen verpakt, en uren interview. Maar in de afwikkelingsfase moet je niet nog een heel nieuw verhaal willen vertellen – dat is een ander verhaal. Als de climax achter de rug is, willen we gauw naar het slot. </fn>

Genezen is Carel Dolman niet. De Parkinson is niet weg. Hij slikt medicijnen, maar minder. Niemand weet hoe lang het duurt, maar hij heeft er een aantal jaren zonder dat gekmakende bewegen bij gekregen. En straks gaat hij weer aan het werk op school.<fn> Dat Carel weer naar school gaat, is zijn belangrijkste winst. </fn>

Comments are closed.