Wat is wat – woordenlijst verhalende journalistiek

  • Henk Blanken schreef 7 bijdrage(n)

  • Print Friendly

Wat is wat in verhalende journalistiek? We kennen geen lijst met begrippen die door iedereen wordt gehanteerd. Spreken we over storytelling of over verhalende verhalen? Over flashback of terugblik? Engelse termen als point of view betekenen soms net iets anders als hun Nederlandse vertaling, terwijl ze in de filmwereld weer anders worden gebruikt als in de literatuur of in de journalistiek. Hieronder de begrippen zoals wij ze in dit boek hanteren.

Protagonist: het belangrijkste personage, de persoon die het verhaal draagt (ook wel: hoofdpersoon).

Antagonist: de tegenspeler van de hoofdpersoon, vaak degene met wie de hoofdpersoon een conflict heeft.

Expositie: inleiding met achtergrond over het verhaal en de hoofdpersoon, informeert de lezer ‘hoe het zo gekomen is’.

Complicatie: de gebeurtenis of situatie die het verhaal op gang brengt omdat de hoofdpersoon in actie komt (ook wel: crisis, probleem, conflict, intrige).

Motorisch moment: een gebeurtenis die de hoofdpersoon voor een probleem stelt, het punt waarop de complicatie ineens duidelijk wordt en de gebeurtenissen op gang komen (ook wel: inciting incident).

Ontwikkeling: het deel van het verhaal waarin de hoofdpersoon de problemen probeert op te lossen en tegen telkens nieuwe problemen aanloopt, waardoor de spanning toeneemt.

Cliffhanger: het moment aan het slot van een scène waarop het verhaal even stopt terwijl de spanning op een hoogtepunt is.

Ontknoping: het moment aan het slot van het verhaal waarop de complicatie wordt opgelost en de spanning uit het verhaal verdwijnt (ook wel: climax, catharsis, oplossing of resolution).

Plot: de kortste samenvatting van wat er gebeurt in een verhaal, en waaróm het gebeurt.

Subplot: een plot binnen de hoofdplot, een deel van het verhaal dat dus ondergeschikt en ondersteunend is aan het eigenlijke verhaal.

Plotpoint: de gebeurtenis waarmee het verhaal een andere wending neemt en alles anders wordt (ook wel: storypoint, plotwending).

Outline: schematische samenvatting van het verhaal. Niet hetzelfde als een synopsis; dat is een uitgeschreven samenvatting (ook wel: opzet).

Perspectief: door wiens ogen zien we het verhaal, wie vertelt het (ook wel: point of view).

Verteltijd: de tijd die de lezer nodig heeft om (een deel van) het verhaal te lezen.

Vertelde tijd: de tijd die in (een deel van) het verhaal voorbijgaat.

Dramatisch vertellen: legt de nadruk op de handeling, van dichtbij beschreven, alsof de lezer erbij is, mogelijk met dialoog (ook wel: scenisch vertellen of scenic narrative).

Samenvattend vertellen: de schrijver neemt afstand van de gebeurtenissen om achtergronden te beschrijven en uit te leggen (ook wel: panoramisch vertellen of summary narrative).

Flashback: je onderbreekt de chronologische lijn van je verhaal om iets te vertellen dat in het verleden speelde (ook wel: terugblik).

Flash forward: je springt vooruit in de chronologie en vertelt iets dat zich later zal afspelen (ook wel: vooruitblik).

Foreshadowing: je geeft de lezer een hint van wat er nog staat te gebeuren zonder een sprong in de tijd te maken.

Voorbereiden: je geeft de lezer informatie die later in het verhaal belangrijk wordt zonder die nu al extra te laden.

In medias res: je begint het verhaal in het midden van de gebeurtenissen en niet bij het chronologische begin.

Nutgraph: alinea of passage in reportage waarin je beknopt vertelt waar het verhaal over gaat, wat de nieuwswaarde is, aan de hand van het wie, wat, waar, wanneer, waarom en hoe.

Directe quote: citaat tussen aanhalingstekens, in de journalistiek ook wel opgevat als een uitspraak van een bron tegen de verslaggever, en dus afwijkend van een deel van een dialoog waarbij twee personages tegen elkaar praten.

Be the first to comment on "Wat is wat – woordenlijst verhalende journalistiek"

Leave a comment