Bij de groenteafdeling ligt een man. Hij bloedt uit zijn zij

Rond twaalf uur zaterdagmiddag stapt Tristan van der V. uit zijn auto, op de parkeerplaats bij een winkelcentrum in Alphen aan den Rijn. Een kwartier later zijn zes mensen dood, en zeventien mensen gewond. Het wapen ligt bij de dader, naast de kassa’s van de Albert Heijn.

 

Tristan van der V. parkeert zaterdagmiddag rond twaalf uur zijn zwarte Mercedes op het Carmenplein bij winkelcentrum de Ridderhof.1)Wie is de verteller? De journalist die in het heden al weet dat de dader Tristan is, maar al in de eerste zin springt naar het verhaalheden (parkeert) en dat duidelijk maakt door ‘zaterdagmiddag’. Hij heeft drie wapens bij zich. 2)De verteller is alwetend, want behalve Tristan – die, weet de lezer, in het heden al dood is – weet niemand dat hij drie wapens bij zich heeft. Dat is kennis achteraf. Hij stapt uit en schiet iemand neer.  Dan gaat hij een stenen zijtrap op en door een deur het winkelcentrum in. In zijn auto, die later door de Explosieven Opruimingsdienst wordt onderzocht, ligt een briefje. Daarop staat dat er explosieven liggen in drie andere winkelcentra in Alphen aan den Rijn.3)Hier schrijft de verteller vanuit zijn alwetende perspectief in het verhaalheden, maar gebruikt hij een flash forward om de bron voor die kennis te noemen (‘die later wordt onderzocht’). Dat had strikt genomen de toekomende tijd moeten zijn: zal worden onderzocht. Het heen en weer springen tussen heden en verhaalheden verstoort de illusie. Door feiten te vermelden die alleen Tristan kent, krijgt de lezer het idee dat het POV bij hem ligt.

Het is druk in het overdekte winkelcentrum. Rustig loopt Van der V. langs het Kruidvat, de Zeeman, de Hubo. Schietend. Glas vliegt in het rond. Mensen vallen neer, rennen weg, duiken weg. Hij loopt door.

Een oudere man vlucht voor hem uit en duikt de Hubo in.4)Nog steeds ligt het POV bij Tristan.  Hij was net nog met zijn kleindochter, maar die is hij kwijt. Al snel staat hij weer op. Hij ziet een man en een vrouw op de grond liggen, badend in het bloed. Hij ziet angst, paniek. Hij vindt zijn kleindochter terug. Ze is ongedeerd. Ze was meegelopen met andere mensen.5)Maar hier verspringt het POV naar de ‘oudere man’.

In het magazijn van de C1000, op de tweede verdieping, is Lennart Schellinghout aan het werk Hij hoort knallen.6) Het alwetend oog verplaatst zich naar de tweede verdieping. We zien en horen en denken wat LS ziet, hoort en denkt.  „Ik dacht eerst dat er iets op de grond viel.”7)De directe quote doorbreekt dat POV. Tegen wie zegt LS dat? De verteller wil met de quote duidelijk maken dat hij een bron heeft. Maar springt ook meteen naar het heden. Om dat verschil duidelijk te maken en in het verhaalheden te blijven had hij ‘zal LS later zeggen’ kunnen gebruiken. Hij had de directe rede ook kunnen vervangen voor de indirecte rede: Hij denkt dat er iets op de grond valt. Of de vrije indirecte rede: Valt er iets op de grond.  Hij gaat naar beneden en het dringt tot hem door dat het om schoten gaat. Hij loopt naar de kassa’s en ziet gebukte mensen. De schutter is net weg.

Bij de groenteafdeling ligt een man op de grond. „Hij bloedde uit een wond in zijn zij. Volgens mij was hij niet daar neergeschoten, maar is hij bij de ingang van de winkel geraakt en had hij zich naar binnen gesleept”, zegt Schellinghout.

Hij gaat naar de kantine en ziet een collega met een schotwond in haar schouder. „Collega’s waren bezig het bloeden te stelpen.” Hij pakt wat bedrijfskleding om neer te leggen onder de gewonde bij de groenteafdeling. „Hij lag op de harde vloer, dat ligt niet prettig. Zijn zijwond bloedde, niet al te hevig.”

Later komt Schellinghout erachter dat hij de schutter kent van de basisschool, de Martin Luther King-school in Alphen.8)Flash forward, aangeduid met ‘later’.  „Hij zat twee klassen boven me. Behalve zijn uiterlijk herinner ik me weinig van hem.”

Intussen is een buurtbewoonster van 61 de roltrap opgekomen naar de C1000.9)Terug naar het verhaalheden en de alwetende verteller die nu geen bron nodig heeft voor het feit dat hij weet wat de vrouw denkt (‘een naar, knerpend geluid’).  Ze hoort knallen en brekend glas. Glassplinters blijven liggen in de spleten tussen de traptreden en maken een naar, knerpend geluid. Boven wordt ze door een C1000-medewerker de winkel in geleid. Ze ziet de gewonde op de groenteafdeling en de vrouw met de schouderwond. Er is nog geen politie of ambulancepersoneel. Er is ook geen paniek. Ze ziet wel winkelpersoneel rondlopen om mensen gerust te stellen.

De politie krijgt kort na twaalf uur de eerste melding.10)We springen uit het winkelcentrum naar het politiebureau. De eenheid van plaats wordt losgelaten.  „Er is onmiddellijk een team naartoe gegaan”, zegt korpschef Jan Stikvoort later op het stadhuis. Als de agenten aankomen, met kogelvrije vesten aan, wordt er nog geschoten. „Zij hebben zich door de mensenmassa heen gewrongen met één doel: het uitschakelen van de dader. Helaas waren er toen al veel slachtoffers gevallen.”

Naast de C1000 is kledingzaak Liyana mode. Latifa Charradi en Hajar Lemouesset zijn er bezig met de voorbereidingen voor een modeshow.11)En terug naar het winkelcentrum, een winkel naast de C1000. In de volgende zin weer een directe quote in het heden.„De meiden stonden klaar om het podium op te gaan”, zegt Lemouesset. Ze horen al enige tijd knallen, maar blijven aanvankelijk gewoon in de winkel. „Je weet niet wat er gebeurt”, zegt Charradi. Pas als een gewonde vrouw hun winkel in rent, beseffen ze wat er aan de hand is. Ze heeft een schotwond in haar bovenbeen. Ze vluchten aan de achterkant hun winkel uit.

Later gaan ze terug.12)Flash forward maar naar welke tijd? De directe quote suggereert het heden.  „Iedereen was in shock”, zegt Charradi. „Schuin tegenover ons is ook een modezaak. De eigenares daarvan is overleden. Verschrikkelijk. Een collega die je iedere dag ziet. Je gelooft het niet. Je hebt het gevoel dat je in een film bent waarin je niet wilt zijn.”

 

De schutter komt aan bij de Albert Heijn, waar Ramon Vleerlaag boodschappen doet.13)Nu wordt Tristan ‘de schutter’ genoemd, om het POV van RV te benadrukken. Maar in de volgende zin gebruikt de verteller weer een halve direct quote.  Hij hoort iets wat „lijkt op een klapperpistool”. Medewerkers dirigeren de klanten naar achter in de winkel. Ongeveer twee minuten hoort Vleerlaag schoten, met onregelmatige tussenpozen.

Dan ziet hij de dader. „Hij liep voor de winkel langs, bij de kassa’s. Hij keek de winkel in, precies het gangpad aan het eind waarvan ik stond. Toen knielde hij, zette het wapen tegen de zijkant van zijn hoofd en schoot. Hij viel meteen om.”

Twee winkelmedewerkers lopen naar voren. „Ze wilden kijken of ze hulp konden bieden, maar ik zei dat dat niet nodig was. Hij was zeker dood.” Vleerlaag loopt mee naar de kassa’s. Een wapen ligt nog bij de dader. Vleerlaag schuift het weg met zijn voet. „Het was een pistool, geen mitrailleur. Als er misschien nog een tweede schutter was, kon die het niet meer oppakken.”

Albert Heijn-manager Luc Vlaardingerbroek is naar de kassa’s gerend. Buiten de winkel ziet hij het lichaam liggen van de vrouw van de modewinkel aan de overkant, voorover met kogels in haar rug. En bij de kassa’s het lichaam van de schutter. Maar dat weet hij dan nog niet. Hij ziet een jongeman die een kogel door zijn hoofd gekregen heeft.14)Hier komt de verteller met zijn eigen alwetendheid en het POV van LV in de knoop.

„Het leek wel oorlog”, zegt hij de volgende dag. 15)Waarom moet hier de tijd van de direct quote worden aangeduid (‘de volgende dag’)? „Maar mijn mensen hebben zich goed gehouden. Niemand raakte in paniek.”

Mensen uit de omgeving zijn op de schoten afgekomen. Steven Goes komt boven bij de Albert Heijn-ingang. „Er stonden mensen te filmen met handycams.” Er is politie, maar nog niet veel. „Logisch, ze wisten niet wat hun te wachten stond. Ik heb de indruk dat hun niet veel te verwijten valt.”

Buurtbewoner Jolanda van der Meulen, die veel mensen kent die in het winkelcentrum werken, ziet bij de AKO-boekhandel een zwaargewonde man op de grond liggen. Hij bloedt. Ze legt haar jas over hem heen. Even verderop ziet ze twee dode mensen liggen. Een van hen ligt in foetushouding.

Ze is in shock, weet niet wat ze moet doen. Dan komt er een agent op haar af die ze kent omdat hij zwartepiet speelt op de school van haar zoontje. „Hij zei dat ik weg moest wezen, omdat niet duidelijk was of de schietpartij was afgelopen. Ik ben langs de Albert Heijn gelopen en heb daar een vriendin achter de kassa vandaan gehaald. Je leven is belangrijker dan je werk, zei ik.”

De politie zet het winkelcentrum af. Agenten kammen het uit op zoek naar een eventuele tweede dader. Ambulances rijden af en aan, twee helikopters cirkelen boven het gebied. Op straat en in de sociale media gaan wilde geruchten. Er zouden twee gijzelingen zijn. Er zou ook geschoten zijn bij de voetbalclub.16)Hier verdicht de tijd en verruimt het POV van de verteller. We zweven vrij door de ruimte.

De identiteit van de dader wordt vastgesteld.17)Waarom die lijdende zin? Een arrestatieteam gaat de flat in waar hij woonde, volgens de politie om zeker te stellen dat die veilig kan worden betreden door de recherche.18)Hier een bron in de indirecte rede.

De politie zet zeventig man op de zaak. Ze doen sporenonderzoek, horen getuigen in de kerk naast het winkelcentrum, bewaken de ‘plaats delict’, staan slachtoffers en nabestaanden bij.

Tegen vijf uur besluit het crisisteam van gemeente, justitie en politie de winkelcentra Atlas, Herenhof en Aarhof te ontruimen, inclusief de huizen boven de winkels. Er worden geen explosieven gevonden. In de loop van de nacht kan iedereen weer naar huis.

Winkelcentrum de Ridderhof werd afgelopen nacht schoongemaakt. De deuren bleven vandaag gesloten.19)In de laatste zinnen verlaten we het verhaalheden geforceerd en keren we terug naar het heden. De zin lijkt door de eindredactie aan de reportage toegevoegd te zijn.

 

 

Leave a comment