Traangas

Het voorjaar sluipt stiekem voorbij. Het sleept de laatste resten van de oorlog achter zich aan. Ik zou hem al haast vergeten zijn als het volk niet in opstand was gekomen. De opstand is zijn laatste ademtocht.

Michel Maas, Commandant Konijn, De Bezige Bij, € 19,99

Traangas geeft je een voorproefje van de dood. Je stikt niet echt en je kotst je ingewanden net niet uit, maar veel scheelt het niet. Half dood, hoestend en klauwend ren ik vooruit, weg van de verstikkende rook, maar ik kan niet rennen, ik struikel, mijn adem schuurt. Mijn longen weigeren nog meer van dat brandende spul naar binnen te zuigen, zij willen niet meer, ik kan niet meer. Ik buitel voorover, krabbel overeind en blijf rennen, vallend, strompelend, want ik wil leven. Met alle kracht zuig ik mijn longen vol want tussen de verstikkende rook zit toch de zuurstof die ik nodig hebt, nu meer dan ooit. Mijn lijf probeert die twee wanhopig te scheiden. Mijn maag wil uitspugen wat ik heb ingeademd, mijn ogen persen het in tranen naar buiten, mijn hele lijf roept: ‘ik wil dit niet’, maar het gas blijft maar komen en ik blijf maar sterven. Dat doet traangas met je. Je sterft en sterft en sterft maar je wil maar niet dood, ook al denk je zelf voortdurend dat het zover is. Ik wil het opgeven en denk: ‘nou laat het dan maar’, maar net als ik op de grond wil gaan liggen om te gaan wachten op het einde doemt in de mist de kerk van de Heilige Markus op.

De stad spreidt nog steeds haar wonden tentoon. Stukken van gebouwen ontbreken, andere stukken steken zwartgeblakerd in de lucht als bewijs dat de kruisraketten hier waren, die stille sluipmoordenaars, zoekhonden die zich met de neus vooruit op hun doel storten. ‘Zoek! Pak!’, een druk op de knop: ‘ENTER’, en daar gaan ze, hoog door het vijandelijke luchtruim. Boven de stad snuffelen zij nog even rond voordat zij hun explosieve snuffert begraven in het doel dat ze is ingeprent.

Het woord ‘precisie’ is vaak gevallen maar voor de stedelingen was het lang niet precies genoeg. Zij leefden in angst omdat zij natuurlijk geen idee hadden waar en wanneer de volgende zou neerkomen, en omdat zij dat niet wisten voelden zij zich allemaal het volgende doelwit. Dat maakte ze wanhopig en boos tegelijk. Gefrustreerd schilderden zij schietschijven op hun T-shirts en riepen: ‘schiet mij dan dood, schiet mij dan dood’ tegen de altijd aanwezige camera’s, in de hoop dat de vijand televisie zou kijken.

Het schietschijfgevoel vrat aan de mensen en het zeurde door tot de mensen er ten slotte depressief en levensmoe van begonnen te worden. In dit deel van de wereld is dat niet uitzonderlijk. De Hongaren, die maar een stukje stroomopwaarts aan dezelfde Donau wonen, staan erom bekend. Maar dat zijn Hongaren. Voor Serviërs was een depressie iets nieuws. Het was een gewaarwording waar zij maar niet aan konden wennen. Het benam ze de lust in oorlog, het maakte ze verbitterd, en dat maakte ze uiteindelijk opstandig. Zij gingen de straat op en begonnen lawaai te maken. ‘Het is genoeg geweest’, riepen zij en sloegen met deksels op pannen, bliezen op scheidsrechtersfluitjes, ratelden met ratels en schreeuwden hun kelen schor. Omdat er geen oorlog meer was, richtten zij hun woede op de man die ze in deze toestand had gebracht: Slobodan Milosevic.

‘Maak dat je wegkomt!’ riepen zij, maar Milosevic wilde niet weg, en verschanste zich in zijn ommuurde villa. Van daaruit dirigeerde hij zijn politie naar buiten, maar ook die had steeds minder zin in oorlog. De agenten aarzelden en hielden zich in, maar voordat zij het definitief voor gezien hielden moest ik nog even door een wolk van hun traangas.

Op de trappen van de kerk zak ik in elkaar. Ik kijk omhoog naar de honderden benen die aan mij voorbijlopen op weg naar de poort van de kerk, waar zij binnengaan in de hoop dat daar de lucht wat beter zal zijn. Tussen dat woud van klimmende benen zie ik een vrouw gebukt de trap op gaan, een onmiskenbaar silhouet.

‘J.!’ Ik probeer haar te roepen maar er komt geen geluid uit mijn scheurende longen. De menigte slokt haar op. Ik hijs mij overeind en beklim de laatste trappen, snakkend naar lucht en zoekend naar haar. Binnen zak ik tegen de koele muur op de grond. Mijn longen blaffen en trekken tussen het gehoest met grote tegenzin de traangaslucht naar binnen.

In de kerk is het gas inderdaad wat dunner en gaat het ademen iets makkelijker dan buiten. Ik sluit mijn ogen, beneveld door gebrek aan zuurstof. Mijn hersens werken maar op halve kracht en dat maakt dat ik moeite heb onderscheid te maken tussen wat echt is en wat niet.

Het volk voelt Milosevic’ einde naderen. Uit het hele land zijn de mensen naar de stad gekomen om getuige te zijn van zijn val. Lawaai maken zij nauwelijks meer. Eigenlijk lopen zij alleen nog maar wat rond en wachten totdat hij vertrekt. In de tussentijd bezetten zij her en der wat overheidsgebouwen.

Ik sta buiten op het glooiende gras van Pionirski Park bij een van die gebouwen. Ik sta daar gewoon net als ieder ander, een beetje nieuwsgierig, een beetje moe van het gedemonstreer en een beetje dorstig. Samen kijken wij toe hoe mensen proberen het gebouw binnen te dringen. Er wordt geschreeuwd, er klinkt glasgerinkel en ander rumoer van brekend spul. Dan klinkt er ineens een schot. Uit het gebouw komt een kogel gevlogen. Sommige mensen draaien zich om en proberen haastig weg te komen. Ik kijk opzij, en zie hoe vijf meter van mij vandaan iemand geluidloos in elkaar zakt. Opnieuw klinken er knallen en vliegen er kogels. Ditmaal slaat rechts van mij iemand tegen de grond.

Dat is het moment waarop je hoort te gaan rennen, maar ik loop naar de man die daar nu in het gras ligt, want ik wil weten of hij echt is geraakt en waardoor. Iemand knielt naast hem neer, en kijkt in ongeloof omhoog naar de omstanders. Iemand tilt het hoofd van de man op, sjort aan een arm en kijkt dan naar het gebouw, alsof dat er iets aan kan doen.

Ik kijk omlaag en bedenk dat het belachelijk is om je nu nog te laten doodschieten. Dit slaat werkelijk nergens op. Ik vind dat de man weer op moet staan, bewegen, een handgebaar maken dat aangeeft dat het niet zo erg is als het lijkt, maar hij blijft liggen. Zijn ogen breken geluidloos, zijn kaak zakt onderuit en de laatste lucht loopt zuchtend uit zijn borst.

Dan komt het traangas. Eerst komt het van ver, een vleugje maar, dat net genoeg is om mijn neus aan het lopen te krijgen, maar het komt snel dichterbij tot het aan alle kanten om mij heen hangt en ik moet rennen om het te ontlopen. Op de tast beweeg ik mij de richting van de heilige Markus, die ik zojuist nog duidelijk kon zien maar die nu is verdwenen in de mist.

Nu zit ik hier op de marmeren vloer en leun met mijn rug tegen de koele stenen muur. Om mijn heen staan, hurken, leunen en zitten mensen, amechtig hoestend en vechtend voor een beetje adem. Mensen deppen hun ogen met hun handen, hun mouwen en wat zij verder voorhanden hebben.  Ik bekijk ze een voor een, deze overlevenden, deze verslagen troep en vind ons ineens helemaal niet meer belachelijk. Wij zijn niet dood, maar het heeft weinig gescheeld.

Ik sluit mijn ogen en hoor een stem.

‘Are you OK?’

In plaats van te antwoorden barst ik los in een hoestbui, moet overgeven, spuug bloed.

‘I’m fine’, zeg ik even later. Of ik denk dat ik het zeg. Dat is hetzelfde nu.

Als ik opkijk is er niemand, en ik weet met onmiddellijke zekerheid dat er vanaf vandaag ook nooit meer iemand zal zijn.

 

Be the first to comment on "Traangas"

Leave a comment