Ton van Dijk: De dood van een cowboy

Ooit was het land daar slechts polderland, nu rijst aan de noordelijke kim het pijpen- en buizenwoud van de Botlek. Als de wind verkeerd staat wordt de was aan de lijn sneller zwart dan tijdens het dragen en ruik je de fabrieken van verre.

Mooie dorpjes zijn het, Geervliet en Heenvliet op het Zuidhollandse eiland Putten, tweelingdorpen verbonden door een smalle, kronkelende slaperdijk. De dorpskernen liggen hoger dan het omringende land. In de polder zijn nieuwe wijken gebouwd voor mensen die Rotterdam wilden ontvluchten of naar de Rijnmond kwamen voor werk. Van oudsher behoorden de bewoners tot het zwarte volk, streng gelovig, de zondag werd geheiligd, de weekdagen waren er voor hard en zwaar werk op het land van zeeklei. De import bracht frivoliteit en lawaai, barbecue en kratten pils in zomeravondse tuinen. De eertijds zo stille markt in Heenvliet, met zijn keurig gerangschikte keitjes, kreeg een disco annex snackbar.

ton-van-dijk-2

Ton van Dijk

HB: Zo’n lange, gedragen inleiding zouden we nu niet meer doen, geloof ik. Of wel? Het is prachtig en sfeervol, maar het duurt wel even voor het verhaal met wat handeling op gang komt.

TvD: Ik doe dat vaak. De beschrijving van, zoals dat in politietaal heet, de pd, plaats delict, in dit geval de omgeving. Ik schrijf in blokken die wisselen van plaats, in tijd of van standpunt. Als ik begin met bijvoorbeeld de schoten van een misdaad, komt daarna de omschrijving waar, dus zeg maar als tweede blok. Doch meestal al in het begin, om de lezer met zachte hand het verhaal binnen te voeren. Nu ook nog. Voor Trouw schreef ik (dik 7000 woorden) vorig jaar een stuk over de domineemoord in Ubbergen, ook weer volgens dat procedé, eerst de beschrijving van het huis en de straat waar de ene dominee de ander met een bijl de hersenen insloeg.

Vouw het gesprek open met Ton van Dijk

De Vissersdijk begint bij de markt, het eerste gebouw aan de rechterkant is een houten, donker geteerde schuur. Na een stuk tuin volgt het eerste woonhuis met een krullerig uithangbord: ‘DEN GLAZE GRAVEUR. OPEN ATELIER WHAT’S IN A NAME’. Sinds vrijdagavond 4 maart staat het huis leeg. Aan de straatkant zijn de gordijnen dichtgetrokken, alleen een lege fles Old Smugglers-whisky is op de vensterbank achtergebleven.

Bij Jan Spruit, de glasgraveur van dat eerste huis op de Vissersdijk, leek het soms ook wel een disco. Tot diep in de nacht waren mensen er welkom en als het weer het toeliet zaten ze in de tuin. Een gekke tuin van die gekke Jan Spruit met zijn wapperende, blonde lange haren, zijn snor, dat puntsikje en die eeuwige cowboyhoed. Hij hield van drama, van overdrijven. Hij was een cowboy, de laatste echte cowboy, hij zei dat hij als cowboy vóór zijn veertigste wilde sterven.

HB: Van meet af aan kies je de positie van de alwetende verteller. De verslaggever is zelf vrijwel helemaal afwezig (op de uitzondering kom ik nog). Hoe zorg je ervoor dat de lezer je geloofwaardig vindt?

TvD: Door veel te weten kun je zo schrijven dat de lezer niet twijfelt aan het waarheidsgehalte.

Klik hier en vouw het gesprek open met Ton van Dijk over De Cowboy

In de laatste weken van februari en begin maart kwamen de geluiden uit het huis niet van gezelligheid. Jan had een nieuwe vaste vriendin, Marlène, achttien jaar en het spontane hart op de tong. Voor ze officieel zouden trouwen moest de verbouwing klaar zijn. Marlènes moeder, haar stiefvader John, en Marlène en Jan zelf klusten al weken in het huis. De oude zolderbalken waren schoongeschraapt en die vrijdagavond hadden ze schrootjes tussen de balken gezet. Ze namen nog een pijpje bier, het was bijna gedaan en de klok was 23.00 uur voorbij toen Jan zei: ‘Ik klap bijna, godverdomme, ik moet effe zeiken.’ Jan ging de achterdeur uit.

Buiten was het aardedonker. Door de beslagen ruiten viel wel licht op het plaatsje, maar vanuit de kamer kon je in de tuin niets zien. Er klonken vier knallen, kort na elkaar. Binnen dachten ze dat Jan een geintje uithaalde. Hij had wat met vuurwerk en stak natuurlijk, blij dat het karwei bijna geklaard was, een paar rotjes af. Lacherig liep John naar het raam, hij veegde een plek schoon en probeerde naar buiten te kijken. Hij hoorde Jan niet en kon van licht naar donker niets onderscheiden.

img033Hij stapte de deur naar het plaatsje uit. Jan lag voorover op de tegels. Jan? Jan! Wat is er, wat doe je? De anderen kwamen aanlopen. Toen John zich over het lichaam van Jan boog, stond er ineens een zwarte kruin naast hem, een wachtmeester van de rijkspolitie. Waar kwam die zo ineens vandaan? De politieman keek naar Jan en voelde aan hem. Vuurwerk, rotjes? Er was op Jan geschoten en ze moesten onmiddellijk naar binnen en binnen blijven ‘in het belang van het onderzoek’. De maat van de wachtmeester was al naar de surveillancewagen om assistentie te vragen. Toen Jan naar buiten kwam vormde hij een goed doelwit tegen het licht van de ramen. Vier kogels hadden hem in borst en buik getroffen, ‘de dood trad vrijwel onmiddellijk in’. Jan Spruit was zesendertig jaar geworden.

HB: Hier vallen twee dingen op. Je geeft citaten nu weer zonder aanhalingstekens (Jan! Wat is er, wat doe je?). Ben je minder zeker van zo’n citaat dan de quote van Jan Spruit een alinea eerder (‘Ik klap bijna…’)? En je geeft weer wel tussen aanhalingstekens de formele taal van de politie weer (‘de dood trad…’). Dat geeft de verteller wat gezag, neem ik aan?

TvD: Ik heb uiteraard Marlène en haar ouders gesproken. Zij schrokken toen ze Jan zagen liggen. Ze wisten natuurlijk niet meer precies wie wat op dat moment riep. Door geen aanhalingstekens te gebruiken schetste ik de algemene consternatie. Die proces verbaal gebruik ik inderdaad om het geheel een officieel aanzien te geven. De afwisseling in de verteltrant en dat soort taal vind ik mooi en die quotes zijn trouwens ook echt.

Klik hier en vouw het gesprek open met Ton van Dijk over De Cowboy

Tegen het ochtendgloren meldde een ontredderde Hans V., rechercheur bij de Rotterdamse gemeentepolitie in de rang van hoofdagent, zich bij het wegenwachtstation van Rhoon, een heel eind verderop. Zijn herinneringen waren glazig en versuft. ‘U zegt mij dat ik vier kogels heb afgevuurd op Jan Spruit. Het zal wel zo zijn, ik kan het mij niet herinneren.’

Een maand na de dood van Jan ziet zijn tuin aan de Vissersdijk er verwaarloosd uit, de lente broeit in de grond, vals gras en distels steken op en de paardebloemen willen vroeg bloeien. Op de zachtglooiende driehoek grond zijn hier en daar stukjes geëffend en ommuurd met een rand stenen om zitjes te maken. In het verste punt van de tuin staat een driepoot, daarin hangt een fors stuk boomstam, op de ronde kant zijn cirkels getekend als van een schietschijf. Jan gooide met tomahawks. Hij was er handig in, zowat alles wat scherp was, kreeg hij in het hout: bijlen, messen, speren.

Jan was altijd met die tuin bezig, een zitje hier, een randje stenen daar. Z’n vrienden zeiden wel eens dat Jan leefde bij de seizoenen. Wanneer de blaadjes vielen, kreeg hij het in de kop en wanneer de blaadjes kwamen óók, maar dan was het meestal uitbundiger. Vorig jaar met de lente wilde hij een kanon in de tuin zetten, de loop had­ie al, de halve zool. Hij moest alleen nog een affuit hebben, wanneer de gek dat gevonden zou hebben, was er op een tuinfeest zeker met losse flodders geschoten.

Het was Dirk van de houthandel in Geervliet die Jan in contact bracht met Hans. Jan had moeilijkheden met zijn boekhouder, hij verdacht de man ervan hem op te lichten. Dirk wist dat Hans, zijn buurman, rechercheur was en vroeg hem eens mee te gaan naar Jan in Heenvliet om wat advies te geven. Dirk kende Jan al jaren, Jan hielp hem af en toe met een klusje en hij was ook nog een goeie klant van Dirks Houthal in het centrum van Geervliet. Bij de cowboy van Heenvliet kon iedereen naar binnen stappen: dokter, pooier, bedelaar, notaris of politieagent zoals Hans, het maakte Jan niets uit. Hij zei altijd: ‘Als je een hart in je donder hebt en je kan lullen, dan ben je bij mij welkom. Het bier staat daar, je pakt als je dorst hebt.’

Trix, de vrouw van Hans, ging ook ‘ns mee, ze vond het gezellig. Hans en Trix kwamen meer bij Jan, zeker op de tuinfeesten die Jan gaf, zoals met het jaarlijkse dorpsfeest, de paardenmarkt. Jan en Helma wisten altijd sfeer en gezelligheid te scheppen en vaak werd het een dolle boel. Jan en Helma, Hans en Truc, ze bevielen elkaar wel, die vier. Hans en Trix bleven komen, ze werden huisvrienden.

In 1971 kwam Hans van de opleidingsschool voor gemeentepolitie. In september begon hij als aspirant-­agent bij de uniformdienst in Rotterdam­-Zuid. Hans werd in de groep waar hij werkte als een goede collega beschouwd. Henny werkte bij dezelfde ploeg, Hans werd zijn vaste maat. Het klikte tussen die twee, ze draaiden dezelfde diensten, ze hadden dezelfde mentor en ze reden samen op de surveillancewagen. Henny kon uitstekend met Hans overweg, z’n maat was beheerst, niet agressief en hij had humor. Ze voetbalden samen in een amateurteam van Overmaas, Hans was geen groot talent maar wel een echte sportjongen; door zijn inzet, mentaliteit en onverwoestbare conditie was hij een bruikbare rechtsachter: Hans’ eigenlijke hobby was het lange­afstandlopen. Hij liep bijna dagelijks tien, vijftien kilometer, begon aan de halve marathon, liep later de landelijke politiemarathon in Assen binnen drie uur en was daarmee de beste Rotterdammer. Hij had karakter en kon afzien.

Hans werd volgens schema bevorderd tot hoofdagent en ging de recherchecursus doen. Zonder problemen haalde hij net als zijn maat de eindstreep. Zijn beoordelingen waren zonder meer goed, uitstekend kun je wel zeggen. Niets leek zijn glad en soepel lopende carrière bij de Rotterdamse politie in de weg te staan.

HB: Hierboven gebruik je voor het eerst in dit stuk de jij-vorm als vertellerstruc (‘uitstekend kun je wel zeggen’). Dat doe je later vaker. Het is een mooi, beetje vaag midden tussen de eerste persoon (jij als verslaggever – maar dat wil je vermijden) en het noemen van nog meer bronnen. Hoe bewust doe je dat, of is het, zoals bijna alle verslaggevers zeggen, een kwestie van intuïtie?

TvD: Het is denk ik wel bewust. Wanneer je dit soort karakterbeschrijvingen in quotes zou opschrijven, jan zei dat, Piet dit, kost dat veel ruimte en het maakt een en ander ook lastiger lezen door al die verschillende bronnen. Dus dan parafraseer ik. Ik heb genoeg mensen gesproken om dat soort onderdelen van een portret te componeren.

Klik hier en vouw het gesprek open met Ton van Dijk over De Cowboy

Jan kwam uit een groot gezin. Toen zijn vader nog op de wilde vaart zat, werd er na elke reis van een jaar, anderhalf jaar soms, wel een kind gemaakt, acht in totaal. Toen vader aan de wal ging werken, verhuisde het gezin van Schiedam naar het noorden, vader kreeg een baan daar.

Moeder was scherp, vlijmscherp. Als ze zei dat iets blauw was, dan kon je dat maar beter niet tegenspreken. Nu nog, drieënzeventig jaar oud, is haar wil een wet.
Jan was anders dan de anderen, een moeilijk kind, altijd tegen de draad in. Toen­ie elf, twaalf was werd­ie een tijdje naar een opvoedingsgesticht in Zeist gestuurd. Ook daar flikte Jan van alles, hij spande touwtjes op de trap om de pastoor te laten vallen. Op zijn veertiende verjaardag kreeg hij van moeder een paspoort, een monsterboekje en een plunjezak. ‘Ga jij maar varen, iets anders ben je niet nut,’ zei ze en Jan ging. Jan en moeder, dat akkordeerde niet en het is nooit veel beter geworden.

Nadat Jan het huis uit was, hadden moeder en hij niet veel contact meer. Een hoogst enkele keer belde Jan eens op, de gesprekken waren kort en koel. Moeder hield niet van Jans manier van leven en zeker niet van hoe hij eruitzag, altijd die rare cowboykleren, die grote hoed en dat háár. Zo’n voorbeeld had haar man z’n kinderen niet gegeven. Moeder zou nooit willen erkennen dat Jan wel iets had van de bon vivant die vader was. In z’n goede tijden was Jan bij iedereen gezien, zeker bij het zwakke geslacht. Zijn blonde haar en die sprekende bruine ogen trokken vrouwen aan en hij kon ook zo’n vrije, makkelijke en vrolijke indruk maken. Voor buitenstaanders was Jan omringd met de geur van romantiek en avontuur, hij droeg het aureool van de vagebond die dingen deed waar anderen alleen maar van droomden.

Hans was serieus in z’n werk, ambitieus. Hij trouwde met Trix, een lieve, schuchtere meid van het Brabantse land, ze kochten in de nieuwbouwwijk van Geervliet een keurig hoekhuis. De ramen aan de straatkant werden opgesierd met planten en handgeweven en ­geknoopte versieringen, om de tuin kwam een schutting van manshoog houten vlechtwerk. Hans en Trix kregen twee kinderen, de oudste, John, is nu vijf, een leuk rossig meidje kwam als tweede de ‘rijkeluiswens’ vervullen. De ramen van de kinderkamers aan de achterkant kregen kleurige zelfgemaakte poppen en beesten op de vensterbanken.

Trix was niet sterk, aan de eerste, zware bevalling hield ze rugklachten over. Dat, en die twee kleine handenbindertjes de hele dag over de vloer, maakten haar leven als moeder, huisvrouw en echtgenote zwaar, zwaarder dan ze gedacht had. Er waren tijden dat ze er nauwelijks tegenop kon. Voor haar rug liep ze bij een specialist, na een operatie en zes weken ziekenhuis hield ze klachten. Gelukkig maar dat ze aan Hans zo’n goeie man had, hij probeerde niet veeleisend te zijn en haar met alles zoveel mogelijk te helpen. Zijn huwelijk en zijn gezin waren Hans heel wat waard.

Hans had het naar z’n zin bij de Rotterdamse gemeentepolitie, in het huis in Geervliet woonde hij prettig. Hans vond het leuk met Jan en Helma uit Heenvliet kennis te hebben gemaakt, je kon er inlopen wanneer je wilde en je leerde bij Jan allerhande types uit de omgeving kennen. Na z’n avonddiensten en soms zelfs na z’n nachtdiensten was er bij Jan nog wel eens bedrijvigheid en volk over de vloer. Jan accepteerde hem als politieman, Hans kon daar iemand zijn, zich even ontspannen. Als Hans overdag vrij was, hielp hij Jan wel eens met klusjes in zijn atelier, zo leek de relatie in evenwicht.

Nadat Jan een paar jaar gevaren had, hield hij het voor gezien, aan de wal was het leuker. Zijn broer Piet had het monsterboekje er ook aan gegeven en woonde in de Rotterdamse Afrikaanderwijk, een oude volksbuurt in Zuid. Jan trok bij zijn broer in, samen pakten ze alles aan, meestal via koppelbazen, die betaalden het best. Scheepswerven, laden en lossen, voor goed betaald werk stonden hun handen niet verkeerd.

Jan kreeg steeds meer dat wilde uiterlijk, een hippie leek hij wel. Moeilijk was hij nog, agressief ook, hij kon zo driftig worden. Hij ging af en toe met z’n broer Bas stappen en dan sloegen ze mekaar aan het einde van de avond de koppen in om niks. Bas heeft aan een van die avondjes een stifttand overgehouden. Jan blufte vaak dat hij alles durfde. Je kon hem beter niet uitdagen want dan deed hij het ook. Als het om gezelligheid ging, liepen alle broers en zussen met Jan weg, een bruiloft of familiefeest was geen echt feest als Jan verstek liet gaan. Jan was de gangmaker, al danste hij maar met een stoel in het rond, dan lag de familie plat. Op een oudjaarsavond had Jan zich helemaal als vrouw verkleed. Hoge hakken, nylonkousen, twee sinaasappelen in z’n beha. Ze gingen om twaalf uur de straat op en Jan had de rotjes als een patroongordel in z’n kouseband gestopt. Af en toe tilde Jan zijn rok op en trok hij een rotje uit de kouseband, je had de mensen moeten zien kijken. Om dat soort dingen kon zijn broer Piet lachen, maar als je Jan dag in dag uit met dat wisselende humeur en zijn driftbuien over de vloer had, werd het je wel eens te veel. Piet zei tegen zijn vrouw dat het voor Jan beter zou zijn als hij trouwde. Het werd tijd dat Jan zijn benen eens onder zijn eigen tafel kon steken, dan zou het wel gedaan zijn met die malle fratsen.

HB: Ook dit is een stilistische truc die je vaker gebruikt: het taalgebruik van je bronnen weergeven zodat hun stemmen klinken, terwijl je ze niet direct citeert (‘zijn benen eens onder zijn eigen tafel kon steken’ en verderop bijvoorbeeld ‘Buiten kreeg hij knokken’). Het zijn de quotes die je meteen noteert, neem ik aan?

TvD: Absoluut. Ik ben erg gespitst op het exacte taalgebruik van de geïnterviewden. Ik werk heel vaak met de cassetterecorder. Veel uittikwerk, maar het loont de moeite.

Klik hier en vouw het gesprek open met Ton van Dijk over De Cowboy

Jan kwam Helma tegen, een leuke meid. Ze moesten trouwen en ze gingen bij Piet om de hoek in de Parelstraat wonen.

Vanaf het begin van hun huwelijk had Helma het niet makkelijk met Jan. Toen zij in mei 1968 thuis van hun eerste kind beviel, belde Jan z’n moeder op: ‘Moe, ik heb een dochter.’ Moeder zei: ‘Gelukkig, dan heeft Helma tenminste wat, want aan jou heeft ze toch niks.’ Na zoiets werd­ie gek en dan moest Helma het ontgelden: ‘Was jij maar in de kraam gestorven!’ Schelden, schreeuwen, een stuk lawaai, hij had een stem om cokes mee te kloppen, de hele buurt luisterde met de ruzies mee. Wanneer het zo toeging, stonden mensen voor de buitendeur te luisteren maar ze dorsten niet naar boven te komen. Het huwelijk van Jan en Helma werd een golfbeweging met steeds diepere dalen en steeds minder toppen. Het tweede kind kwam twee jaar later, weer een dochtertje, ze waren er blij mee, maar het betekende niet dat Jans zucht naar het avontuur, naar cafés, de straat en belevenissen minder werd. Helma hoopte op een normaal leven. Jan kon dat niet beloven. Dat was wel eerlijk, maar met dat soort eerlijkheid schoot je weinig op. Altijd was er wel wat. Die verhalen over hoe ’n leuke vent Jan wel niet was en hoe gezellig het was om met hem om te gaan, waren voor Helma geen nieuws meer. Niemand heeft met Jan geleefd zoals zij.

HB: De laatste zin hierboven staat in de voltooid tegenwoordige tijd, terwijl de rest in de verleden tijd geschreven is. Je doet het nog een paar keer. Waarom?

TvD: Dat is een soort intuïtie, een gevoel, niet gebaseerd op regels. Ik betrap mezelf erop dat ik daar af en toe mee rommel, maar soms gebruik ik ook TT na VT om weer vaart in de tekst te krijgen.

Klik hier en vouw het gesprek open met Ton van Dijk over De Cowboy
Toen ze pas getrouwd waren voelde Helma zich een sulletje, ze zei overal ja en amen op, ze dacht dat het beter was de lieve vrede te bewaren. Dat hielp niet, er was evengoed ruzie, maar bovendien vond Helma dat het leven niet alleen maar bestond uit ja­zeggen, ééns moest ze paal en perk gaan stellen, het ja­knikken had niets opgeleverd. Er waren grenzen, zoals toen ze op kerstavond naar het buurtcafé De Maas waren gegaan. Helma wist dat Jan altijd achter de vrouwen aan zat, ze had het min of meer geaccepteerd, moeten accepteren, hoewel je zoiets niet echt makkelijk kunt verkroppen. In het café raakte Jan aan de praat met een ander echtpaar. Het ging over partnerruil. Zoiets zag Helma helemaal niet zitten. Toen Jan er tegen haar over begon, zei ze dat direct. Jan moest zelf maar weten wat hij deed, maar als hij die mensen mee naar huis wilde nemen, dan ging zij de Margriet wel lezen. Punt uit. In het café bleef Jan nog rustig maar eenmaal thuis begon hij opnieuw en kreeg hij het op z’n heupen. Hij trok een hartsvanger uit het hout van de schoorsteen, toen al was hij gek op wapens, en wilde Helma te lijf. Helma vluchtte naar de zolder en kroop door een gat in de berging. Het gat was zo nauw dat ze zich achteraf afvroeg hoe ze daar in godsnaam was doorgekomen, maar ja, als je maar genoeg angst hebt, dan is een muizenhol misschien nog groot genoeg.

Jan kon Helma niet vinden en rende de straat op om haar te zoeken. Buiten kreeg hij knokken met een stel buitenlanders. Ze stonden fietsen en keien naar elkaar te gooien. Hij kwam naar boven rennen om zijn dubbelloops jachtgeweer te halen.

Door de ruzie binnen, waren de ballen van de kerstboom gevlogen. De straat stond zwart van de mensen. Toen Jan met z’n geweer naar buiten liep waarschuwden ze dat de politie eraan kwam. Jan holde terug naar boven, trok z’n kleren uit en ging in bed liggen. Toen de politie aanbelde, schreeuwde hij woedend naar beneden hoe ze ’t in derlui stomme harses kregen om iemand midden in de nacht uit z’n bed te halen. Hij gooide ze het geweer naar de koppen en hij wilde ze met een speer te lijf. De agenten kwamen met getrokken pistolen de trap op. Ze wilden Jan fouilleren, terwijl hij alleen maar z’n onderbroek aanhad. Jan trok z’n onderbroek uit en begon te vechten. Het werd een kloppartij in het kleine huis, pas toen één agent hem op z’n blote voeten stampte en een ander hem een stomp in de maag verkocht, kregen ze hem in de boeien. Hij werd in z’n blote kont naar beneden gebracht en in de bus gezet.

Als er weer trammelant geweest was, gedroeg Jan zich de dagen erna als een mak lam. Dan huilde hij een potje en dan dacht Jan dat alles weer goed was. Marjolein en Karel waren in de Parelstraat goeie vrienden van Jan en Helma. Ze hebben wat keren geprobeerd de ruzies te beslechten, ze stonden zowat elke week op de stoep als het weer eens uit de hand dreigde te lopen. Wanneer Marjolein en Karel er waren, huilde Jan dikke tranen en beloofde hij dat hij het nooit meer zou doen. Maar Jan kon geen normaal leven leiden, hij probeerde het wel een tijdje, lang duurde het nooit. Het had niet eens zozeer met drank te maken, Jan zoop bier met sloten, maar hij kon ook ineens stoppen en een half jaar Spa en Seven­Up drinken zonder dat hij er rustiger van ging leven. Helma begreep dat het met Jan nooit beter zou worden. Ze had af en toe heel gezellige tijden met hem gehad, dat was echt zo, maar de nadelen werden groter dan de voordelen. Zij hakte de knoop door, ze moesten maar gaan scheiden.

In het begin deed Jan er overdreven optimistisch over. Het was prima, die scheiding, eindelijk zou hij zijn vrijheid terugkrijgen. Hij voelde zich een hele bink, riep tegen iedereen die het maar horen wilde dat hij weer een vrij jongen werd en liet de datum van de scheiding alvast op zijn arm tatoeëren. Die datum was nog fout ook, de officiële uitspraak was een paar weken later. Jan ging bij kennissen buiten Rotterdam in een caravan op hun erf wonen, Helma bleef met haar dochters Astrid en Sylvia in de Parelstraat.

Hans kwam na de recherchecursus bij de recherche. Ook daar ging het werk hem goed af. Eind jaren zeventig kwam er een plaats vrij bij de CID, de Criminele Inlichtingen Dienst. Hoogwaardig, specialistisch werk, ze wilden er in het korps alleen de besten voor hebben. Zijn oude maat Henny werkte daar al, de CID bestond uit een ploeg van zes rechercheurs die zich enkel bezighield met informatie verzamelen. Vroeger werden ze caférechercheurs genoemd omdat het voornaamste deel van hun taak eruit bestond zich in de clubs en kroegen onder de jongens van de vlakte te mengen. Een leuke maar moeilijke baan binnen het korps, er was veel belangstelling voor, je werd het niet zomaar.

Het werk stelde hoge eisen. Je ging om met hasjboeren, pooiers, dealers, inbrekers en containerboeren, je zat tot diep in de nacht met zware criminelen aan de bar. In dat werk zijn de verleidingen soms groot. De penoze probeert je uit, ze kijken tot hoever ze met je kunnen gaan en of je plat te maken bent. Als je niet tegen vrouwen en drank kunt, moet je er maar liever helemaal niet aan beginnen. Je moet ook goed met mensen om kunnen gaan, rustig en met zelfvertrouwen. Bluffers, opscheppers en grootsprekers vallen gauw door de mand. Als ze geen waardering voor je kunnen opbrengen omdat je als politieman niet staat voor je werk dan pruimen ze je niet meer. Je moet in het pulletje vallen, anders hoor je en zie je niks. De politie is een noodzakelijk kwaad en alleen als je stevig in je schoenen staat en respect verdient, wil men je nog wel eens in vertrouwen nemen. Als CID­-rechercheur sta je zelfs onder druk van je eigen collega’s. De jongens van de uniformdienst rijden in de pitwagen en zien jou op de hoek van de straat joviaal kletsen met een zware crimineel. Klap op de schouder, je schuift een café binnen, de conclusie dat je wel plat zal zijn is gauw getrokken. Roddels en verhalen zijn er snel, wat is er nou leuker dan een smeris in de luren leggen. Meiden die vertellen dat ze met je op stap zijn geweest en een gezellig wipje hebben gemaakt. Je moet ertegen kunnen en je voor je bazen kunnen verantwoorden, want die reageren met het boek in de hand soms zo verdomd rechtlijnig.

De voorkeur van de leiding gaat uit naar iets oudere rechercheurs, maar ook jongeren maken een kans, vooral als ze zulke grandioze beoordelingen hebben als Hans had. Je moet naar de post solliciteren, maar de collega’s bij het CID hebben een zware stem in het kapittel als het om een nieuwe jongen in de ploeg gaat: Ze kennen de rechercheurs van het korps wel en ze willen niet het risico lopen dat ze er iemand bij krijgen die zich niet kan aanpassen. Hans solliciteerde, Theo Buis, de oudste rechercheur van het team had hem gevraagd dat te doen.

Jan had van jongs af aan een artistieke tik, hij knutselde altijd en kon uit ouwe troep de mooiste dingen maken. Het begon met houtsnijwerk, hij maakte van balkjes dolken en zwaarden, heft en schede bewerkt met paardefiguren. Jan had een natuurtalent voor tekenen, snel en trefzeker zetten zijn handen op papier wat zijn ogen zagen. Hij had geen vrede met het werken voor koppelbazen. Hij wilde meer en zocht daar altijd naar. Hij was een tijdje helper van de motor­stuntrijder Jan Vos, samen zijn ze nog eens bij Willem Duys op de televisie geweest. Jan Vos reed zich later dood bij een stunt.

Jan begon met leerbewerken. En hij ontdekte het glasgraveren. Dat werd zijn beroep, met tekenen alleen kon je moeilijk je brood verdienen, maar tekeningen gegraveerd op ruiten, spiegels en glazen deden het goed. Zijn interesse voor wapens, ook antieke, kwam hem goed van pas. Zijn series van ridders en soldaten in volle wapenrustingen werden met zwier gegraveerd. Glasgraveurs telde Nederland niet veel, Jan werd bekend en hij schaarde zich bij het handjevol vakbroeders dat met graveren de kost kon verdienen. Het kunstenaarsachtige beviel Jan wel, je eigen tijd indelen en niks met bazen te maken hebben. Het vergde wel veel van zijn zelfdiscipline. Jan had het huis in Heenvliet gekocht en achter het kleine winkeltje begon hij zijn eerste atelier. Maar hij greep elk excuus aan om niet te hoeven werken en excuses waren er genoeg zolang er maar volk aan de deur kwam. Hij ging lesgeven aan de volksuniversiteit, cursussen leerbewerken en glasgraveren. Een kolfje naar zijn hand, er kwamen op die cursussen vooral veel vrouwen af die een hobby wilden hebben om hun dagen in de nieuwbouwwijken door te komen. Jans lessen waren populair en buiten de lesuren onderhield Jan af en toe innige contacten met leerlingen.

Met Karel reisde hij van Sneek tot Middelburg het land af om op braderieën en markten te werken en leren spullen en gegraveerd glaswerk te verkopen. Ze deden goede zaken, hoewel Jan een rare was. Hij flapte er van alles uit. Hij zei rustig tegen mensen die voor zijn kraam stonden: ‘Loop jij maar door, je porem staat me niet aan.’ Maar hij vroeg ook de pet van een agent en graveerde voor hem en diens collega het embleem op twee bierglazen. ‘Hier, neem mee voor thuis, jullie lopen hier de hele dag ook voor ons.’ Als Jan het op z’n heupen had, trok hij altijd volk naar de kraam en dan werd er goed verkocht. Z’n oog moest alleen met op een leuke meid vallen die wel wat wilde, want dan was Jan de hele dag verdwenen, of lag hij achter het zeil van de kraam of in de auto met zo’n meid te rommelen en als Karel dan dekking moest geven, kwam er van de handel niet veel terecht.

Niet lang na de scheiding besefte Jan dat hij niet buiten Helma kon. Hij begon zich in de gekste bochten te wringen om Helma terug te krijgen. Toen het met gewoon bellen en vragen niet lukte, zette hij zelfmoordpogingen op touw. Hij belde Helma op dat hij doodging omdat hij vergiftigde planten had gegeten. Helma waarschuwde de dokter en kwam uit Rotterdam naar Heenvliet. Jan had de bladeren van een dieffenbachia opgegeten. De dokter zei dat Jan er wel een dagje beroerd van zou zijn, maar dat hij niet dood zou gaan, hij zal hoogstens kotsmisselijk worden.

In die jaren moest Jan af en toe een paar dagen naar de psychiatrische afdeling van het Delta ziekenhuis. Na een van de eerste keren moesten Jan en Helma bij een psycholoog komen die gesprekken met ze wilde hebben om te zien of er wat aan hun relatie te doen was. Helma wilde niet terug, zelfs de psycholoog zei dat Helma groot gelijk had, maar Jan werd steeds gekker. In het lege huis in Heenvliet kwijnde hij weg. Hij had vriendinnetjes genoeg en al zette hij om de haverklap nog huwelijksadvertenties óók, Jan kon niet buiten Helma. Hij slikte pillen. Hij ging een keer in de tuin zitten met een geladen ouderwets kruitpistool tegen z’n hoofd. Als Helma niet terugkwam, zou hij zich van kant maken. De politie moest er weer aan te pas komen. Dat soort chantagemiddelen gebruikte hij wel, maar de reeks gesprekken met de psycholoog afmaken, deed hij niet.

Uiteindelijk zwichtte Helma, haar medelijden kreeg weer eens de overhand. Ze ging terug en liet Jan beloven dat hij zou proberen een normaal gezinsleven met haar en hun dochters te hebben. In het begin had ze het moeilijk. De overgang van de stad naar zo’n stil dorp was groot en met Jan was het, ze had het kunnen weten, al na korte tijd opnieuw mis gegaan. Toen ze nog niet zo lang terug was, hadden ze een logéetje over de vloer, een meisje van vijftien jaar, ze was stevig uit de kluiten gewassen. Het was ’s avonds laat geworden en er was behoorlijk wat bier doorgegaan. Midden in de nacht wilde Jan bij dat kind kruipen. Helma hield hem tegen en mokkend ging Jan mee naar bed. Na een tijdje schrok Helma wakker, Jan lag niet meer naast haar, hij had het toch in z’n dronken kop gehaald om naar dat kind te gaan. Helma vloog uit bed, Jan stond in de logeerkamer, dat kind was zich natuurlijk kapot geschrokken.

Het werd de zoveelste vreselijke ruzie, Helma kreeg slaag. Tot drie keer toe kneep Jan Helma’s keel dicht. Hij zou haar wurgen als ze het waagde om hem in de weg te staan. Helma riep: ‘Doe het maar!’ dat was misschien nog het beste. Helma heeft nooit begrepen hoe iemand zoiets kon doen, in z’n eigen huis waar zijn eigen vrouw bij was. Eerst had hij zo gebeden en gesmeekt of ze terug wilde komen en dan zoiets. De vader en moeder van het logéetje kwamen de andere dag naar Heenvliet om verhaal te halen. De vader bleef buiten lopen, gelukkig maar, anders was het een. veldslag geworden. De moeder was furieus , maar het gekke was dat, hoewel Helma de moeder in haar hart volkomen gelijk gaf, ze in dat soort situaties toch weer partij trok voor ‘haar’ Jan, ze kreeg op zulke momenten medelijden met hem, het was eigenlijk zo’n zielig persoon. Ze had zoveel meegemaakt dat ze eigenlijk steeds meer accepteerde. Dingen waar een andere vrouw niet over geprakkiseerd zou hebben ze toe te laten, vond zij al bijna normaal. Ze ging met Jan eens ’n keer mee naar een van zijn leerbewerkingscursussen, had je die vrouwen daar moeten meemaken. Ze keken Helma zowat de deur uit, ze was een sta-in-­de-weg. Helma kwam uiteindelijk nog wel op voor vriendinnen van Jan, ze trok zich aan hen op en verdedigde hen tegenover Jan als hij weer eens een vriendinnetje als oud vuil aan de kant gezet had. Ze was nog eens mee geweest naar een vriendin van Jan. Toen zaten ze daar met z’n drieën stommetje te spelen tot Helma zei: ‘Nou Jan, doe je mond eens open, wie wil je nu eigenlijk, haar of mij.’ Met al z’n bravoure was Jan soms net een groot kind. Helma zou eens een weekje weggaan, bij kennissen logeren. Jan bracht haar weg, hij zei nog dat het zo leuk voor haar was, er eens even helemaal uit. De volgende dag belde hij op. Waar ze bleef, godverdomme dit, godverdomme dat, ze moest meteen naar huis komen, hij had honderd glazen voor een opdracht gegraveerd en die stonden kriskras door het huis om afgewassen en ingepakt te worden. Toen Helma thuiskwam, vroeg ze kwaad of een van z’n vriendinnetjes dat karweitje niet even op had kunnen knappen.

Hans was nog jong, maar veelbelovend. Hij werd de maat van Theo, de door de wol geverfde oudgediende. Ze werkten als CID-rechercheurs altijd met z’n tweeën. In het normale schema draaide je elke week een nachtdienst, van negen uur ’s avonds tot ’s ochtends vroeg, een avonddienst van vier uur ’s middags tot twaalf, één uur. De rest deed je in dagdienst, dan had je besprekingen, je werkte de administratie af en je ging natuurlijk ook op pad. Criminelen zijn op alle tijden wakker. Extra overwerk is er niet veel, je verdient meer omdat je een vaste toeslag hebt voor hoge onregelmatigheid, je moet rekenen dat ook op vrije dagen je telefoon rinkelt. Bij Theo thuis kent z’n dochter meer criminelen bij naam en toenaam dan collega’s.

Hans nam zo’n dikke tweeduizend gulden schoon per maand mee naar huis. Je kon gelukkig wel je onkosten declareren, in de nacht kost een spaatje gauw drie gulden en als je informant Franse cognac slikt, dan kom je er niet met een tientje. Theo dronk niet, en Hans evenmin. Theo heeft nooit van alcohol gehouden, hoogstens een glaasje wijn bij een diner en Hans was een sportjongen. Hij nam af en toe een pilsje, maar niet tijdens het werk, daar hield Theo niet van. In de cafés maakte het niet uit. Het zou de barkeeper worst wezen of je voor zevenenhalve scheer Spa dronk of bier, zolang de kassa maar rinkelde.

Hans en Trix bleven regelmatige gasten bij Jan en Helma. In het begin merkten ze wel dat er vaak spanningen waren, maar daar bemoeide Hans zich pas mee toen Helma hem om raad ging vragen. Hans mocht Helma graag, hij sprak met Trix over het leven dat zij, met twee opgroeiende dochters, had bij Jan.

Hans praatte er ook met z’n maat Theo over. Die waarschuwde hem, je moest altijd uitkijken dat je je niet in een wespennest stak. Theo had meer met het bijltje gehakt, hoe vaak niet criminelen hun vrouw en kinderen in een ruzie op straat schopten … Of zo’n vrouwtje nam zelf de benen en het enige idee dat ze dan hadden om hulp te zoeken, was bij die politieman die ze kenden. Je zult het zien, zoiets gebeurt altijd op een moment dat je het ’t minst verwacht, op kerstavond of zo, als alle hulpverleners op hun bandapparaat hebben staan dat ze de volgende week tijdens kantooruren te bereiken zijn. Theo had Hans een lijstje met telefoonnummers gegeven van instellingen waar Hans Helma naar toe zou kunnen sturen als de bom nog eens zou barsten. Het Bliif­-van-­m’n-­liif­huis stond bovenaan.

Helma zag het steeds minder zitten, ze had er spijt van dat ze terug was gegaan naar Jan. Hij was geen zier veranderd, eerder leek het erger te worden. Hij had een atelier in een schuur bij kennissen in Geervliet, zogenaamd om beter te kunnen werken, maar het bleef thuis een kermis. Jan bleef ook een rokkenjager. Als Helma er wat van zei dan riep Jan dat zij toch ook haar gang kon gaan. Ja, haar gang gaan, zoals Jan dat wilde, ze mocht gerust vreemdgaan, maar o wee als het een verhouding leek te worden, dan was het huis te klein. Helma kon niet zomaar van het ene bed in het andere stappen, bij haar was vreemdgaan synoniem met een verhouding. Die had ze wel eens en dat kon Jan niet zetten. Hij zei altijd: ‘Je mag best met mijn poppetje spelen, maar je mag haar niet meenemen.’ De buitenwereld zag Jan er niet voor aan dat hij Helma sloeg, en het was ook niet zo dat z’n handen de hele dag loszaten, maar Helma had genoeg meegemaakt om angst te hebben voor z’n woede-uitbarstingen. Jan was zo’n dubbel mens. Hij kon zo aardig zijn, een meester in het vleien. Aan de andere kant was hij een asbak, hij kon je de grond instampen. Wanneer je ruzie met Jan had, was-­ie niet te vertrouwen, hij kon niet tegen zijn verlies. Als het hem slecht ging, begon hij als een waanzinnige te zwemmen en keihard om zich heen te slaan om drijvend te blijven. Het had natuurlijk met zijn jeugd te maken, maar voor die wetenschap kocht Helma weinig. In zijn jeugd had Jan niet veel liefde gehad, daarom was hij misschien als een bezetene op zoek naar aandacht en liefde.

In 1972, bij de rassenrellen in de Afrikaanderwijk, de buurtbewoners hadden onder leiding van Jan een paar Turkse pensions uitgeruimd, had Jan de smaak van roem en aandacht geproefd. Hij wilde dat telkens weer. Op een balk in de woonkamer stond geschreven ‘I am the King’ en daarnaast had hij allemaal foto’s en kranteknipsels van zichzelf gehangen. Een ander zou zich schamen zo vaak door de politie te zijn opgehaald, Jan vond het prachtig. Hij wilde altijd weten wat je van hem vond, en als je hem goed vond, was je de beste vriend die er bestond. Dat was de buitenkant. Als Jan echt liefde en aandacht kreeg, dan kon hij daarop moeilijk antwoorden, dat benauwde hem en dan vluchtte hij in uiterlijk vertoon, in feestvieren en malligheid.

Bij de schietvereniging De Geuzen in Brielle mochten ze hem graag. Op de jaarlijkse cowboy­dag in Horst in Limburg, in clubs en thuis, als er mensen waren, was Jan de gangmaker en de vrolijke bink, wanneer de mensen weg waren, moest Helma het ontgelden. Dan kwam hij ’s ochtends van bed af met een fles bier in z’n hand en als het werk of wat dan ook hem tegenzat kon hij uit elkaar barsten van woede en wilde hij het liefst alles kort en klein slaan. Het leek wel of Jan zijn schuldgevoel steeds meer verborg door juist te ruziën in plaats van te proberen het Helma naar de zin te maken.

Helma zag dat het niet ging. Weer rijpte in haar het besluit weg te gaan. Ze sprak er steeds meer over. Ze overwoog nog één mogelijkheid. Als Jan zo graag wilde dat zij bleef, moest hij het bewijs leveren haar waard te zijn. Ze ging bij een vriendin in Heenvliet wonen, vlak bij Jan, zodat ze contact konden houden en de kinderen hun vader nog in de buurt hadden. Wanneer het Jan ernst was, zou ze misschien terug willen komen.

Het plan werkte niet, Jan kwam bij de vriendin nog meer ruzie maken dan thuis al het geval was.

Helma hakte opnieuw de knoop door, ze vertrok. Hans bracht haar naar het eerste adres van het lijstje, het Blijf-­van-­m’n-­lijf­huis in Rotterdam, de zomer van 1982 stond voor de deur.

De laatste tijd trokken Hans en Trix meer naar Helma dan naar Jan, Helma zocht steun en Jan was allang weer met andere dingen bezig. Hans voelde zich ’n beetje geroepen om Helma te helpen, ze was niet alleen een aardige vrouw maar ook best aantrekkelijk, als politieman heb je ook iets van een welzijnswerker in je.

Jan zag dat anders. Hij had verloren. Hij was ‘zijn’ Helma kwijt. Al waren ze gescheiden en al was Helma in feite vrij om te gaan en te staan waar en met wie ze wilde, daar had Jan niets mee te maken. Helma was van hem afgepakt en Hans was de schuldige, hij had haar geholpen uit het huis in Heenvliet weg te gaan.

Het ging steeds slechter met Jan, van werken kwam helemaal niets meer. Hij kon niet tegen zijn verlies, hij zon op wraak, hij moest kost wat kost Helma weer terugkrijgen.

Jan versomberde meer en meer, verteerd door jaloezie. Z’n oude vrienden probeerden hem op te beuren en praatten hem de zelfmoordpogingen en wraakacties zo goed en zo kwaad als het ging uit z’n hoofd. Het hielp niet veel, Jan zette zijn oude vrienden aan de kant en zocht nieuwe, die de voorgeschiedenis niet goed kenden en hem gelijk gaven. Vaak, te vaak, werd er ’s avonds gebroed op plannen om Hans en Trix het leven zuur te maken. Het begon met stenen. De eerste steen ging in Geervliet bij Hans door de ruiten. In de avonden begon Jan te bellen, met Helma zelf, met iedereen die iets met Helma te maken had, maar vooral met Hans of met diens vrouw. Hij dreigde, hij zou Hans kapotmaken en zijn vrouw en kinderen van de dijk rijden als hij ze zag lopen. Jan begon te schrijven. Briefkaarten. ‘Hans neukt met die, en met die’. De briefkaarten werden naar Geervliet verstuurd, maar ook naar de ouders en familie van Trix in Brabant.

HB: Dit is een passage waarbij ik aarzelde over de bronnen. De lezer begrijpt inmiddels wel dat het portret van Jan, met al zijn gedachten, door ‘de anderen’ wordt geschetst, en dat het hun kant van het verhaal is. Maar had je niet de behoefte een iets meer neutrale positie in te nemen als verslaggever?

TvD: Nee, in het geheel niet. Die briefkaarten heb ik gelezen, Trix en de ouders indertijd gesproken. Dat waren dus gewoon gegevens. Ik heb toen ook het hele dossier gelezen, maar kon en mocht dat niet expliciet vermelden van advocaat Jan Verhoef van Hans, omdat hij daarmee dacht over de schreef te gaan. Het was in die tijd minder gebruikelijk om te ‘lekken’ naar de pers in het belang van cliënt en meerdere eer en glorie van de advocaat. Ik heb Verhoef daartoe met moeite kunnen bewegen. Ik kende hem, hij deed meer zaken van agenten, gevraagd door de vakbond en daar had ik hem weleens informatie voor kunnen geven. Dus het was een beetje voor wat hoort wat. (Het motto van Robert Scheer Bribe, seduce,lie, steal: anything to get the story, is ook mijn motto)

Klik hier en vouw het gesprek open met Ton van Dijk over De Cowboy

Jan ging op een avond woedend naar Rotterdam, kon Helma niet vinden en sloeg de auto van Helma’s zwager met een bijl aan diggelen. Aangiften bij de politie hielpen niet.

Jan hoorde dat Helma een woninkje had gekregen in Rotterdam­-Zuid. Ze woonde er met haar jongste dochter Sylvia. Astrid kwam af en toe naar haar moeder, maar zij woonde meer bij Jan. Helma had de woning net op orde, een beetje geïmproviseerd, weinig opdringerig interieur. Ribfluwelen banken en een tegeltje aan de wand: ‘Een blij gezicht opent elk hart’. Toen stond Jan ineens op de stoep met een jachtgeweer en een bijl. Helma vluchtte met Sylvia. Jan ging op het balkon staan. Het geweer krijgslustig in de aanslag. Hij zou gaan schieten als hij zijn vrouw en dochter niet te spreken kreeg, vooral zijn dochter wilde hij zien. De opschudding in de straat was groot, drommen politie en pers, de foto van Jan met het geweer was goed voor een prijs in de wedstrijd om de Zilveren Camera. De wijkagent uit de Afrikaanderbuurt die hem nog van vroeger kende, wist Jan om te praten, het geweer bleek ongeladen. Jan werd maar weer eens voor een paar dagen naar het Delta ziekenhuis gestuurd en zijn wapenvergunning was hij, eindelijk, kwijt. Toen Jan uit Delta kwam, begonnen de telefonades weer en opnieuw vlogen er stenen door de ruiten, dezelfde IJsselsteentjes waar Jan in z’n tuin altijd mee metselde, maar niemand zag ooit wie het deed. Een pot afbijtmiddel werd over Hans’ auto gegooid en er kwamen anonieme brieven dat er rattengif in de tuin gestrooid zou worden en, voor de kinderen, vergiftigde lolly’s. Bij de baas van Hans vielen de eerste brieven in de bus. Hans handelde in heroïne, wapens, gestolen sieraden. Hij beraamde overvallen. Hij gaf vertrouwelijke informatie door aan onbevoegden. Kortom, hij deed alles wat zeker voor een agent van politie verboden was. Trix wist dat haar huwelijk geen gevaar liep, hoewel Hans Helma geholpen had. Er was geen sprake van een intieme relatie, zei Hans, al roddelde Jan daarover tegen iedereen. Helma wilde dat graag bevestigen en Trix wilde het geloven. De dreiging kwam uit een heel andere hoek, Trix kon de spanning nauwelijks verdragen, ze had al zo veel ziekenhuizen van binnen gezien en nu dit. Elk moment kon er weer een steen door de ruiten vliegen. De eerste keer waren de scherven in hun gezicht gesprongen, ze gingen voortaan zo ver mogelijk bij de ramen vandaan zitten. Die telefoontjes, Hans was er vaak niet en Trix was dan heel bang, alleen met de kinderen, wat moest ze doen als er wat gebeurde? De PTT werd ingeschakeld en er werd een ‘vang’ op de telefoon van Jan gezet. Het bleek dat de telefoontjes van hem kwamen en na ingrijpen van de PTT werd dat minder, dat kon dus bewezen worden, maar dat schelden door de telefoon boezemde nog het minste angst in.

Hans nam eerst vrije dagen op om te posten achter de donkere ramen boven, of in de tuin, om te zien of hij een stenengooier kon betrappen, maar telkens als hij de hele nacht thuis was, gebeurde er niets ­ Heenvliet en Geervliet zijn kleine gemeenschappen en Jan had overal z’n vrienden.

Jan kon er niet van loskomen dat zijn acties ogenschijnlijk zo weinig succes opleverden. Helma kwam niet met hangende pootjes terug, integendeel, ze gooide steeds vaker de hoorn op de haak of ze nam helemaal niet meer op en Hans liet zich ogenschijnlijk niet intimideren. Jans oude vrienden bleven weg, zelfs Karel en Marjolein kwamen niet meer. Marjolein had hem die zomer nog geholpen met de winkel, dat leek goed te gaan, ze kende Jan goed genoeg om hem op tijd met een schop onder z’n kont aan het werk te zetten, maar toen Marjolein terugkwam van vakantie had Jan ook dat verpest, hij had geroepen dat Marjolein haar zakken vulde met zijn werk. Ze ging weg en bleef weg. Nu kwamen alleen nog de mensen die door zijn oude kennissen ‘opvreters’ en ‘opzuipers’ genoemd werden. Zij wilden Jan maar al te graag stijven in zijn haat, dat gaf sensatie en als er sensatie was, trok Jan extra veel bier open. Van werken was nauwelijks meer sprake, Jan raakte in een faillissementsprocedure, het leek hem weinig te interesseren, alleen Helma en Hans hielden hem bezig.

De dag na Jans gijzelingsactie moest Hans voor de eerste keer bij zijn baas komen om iets te horen over de aanklachten die Jan tegen hem had ingediend. Hij ging lachend naar de afspraak met commissaris De Winter en hoofdinspecteur Van der Giessen. De foto van Jan met het geweer stond immers in alle kranten. Hans dacht dat de conclusies uit de verhalen die door zo’n overspannen type aangekaart waren, voor de hand lagen.

Na het gesprek kwam Hans lijkbleek de kamer uit. Officieel was hem aangezegd dat de rijksrecherche een onderzoek zou instellen naar de beschuldigingen. Dat hoorde zo en dat had Hans ook verwacht. Maar toen zei de commissaris dat Hans verdacht werd van drie misdrijven en dat hij als CID­-rechercheur niet meer te handhaven was. Hij zou worden overgeplaatst naar de verhoorkamer van Groot IJsselmonde, op dat bureau moest hij parkeerboetes administratief gaan afhandelen. De korpsleiding wilde hem niet zeggen waar hij nu precies van verdacht werd, welke misdrijven hij gepleegd zou hebben. De rijksrecherche was bezig en de uitslag van dat onderzoek moest eerst maar afgewacht worden. Hans vroeg waarom hij dan niet geschorst werd, hangende het onderzoek. Nee, dat kon niet.

De korpsleiding leek met boter en suiker op de beschuldigingen van Jan ingestapt. Hans begreep het niet. Jan was na de gijzeling naar het Delta gebracht. Zijn collega’s hadden geen proces­verbaal tegen Jan opgemaakt omdat hij in hun ogen toch gek was. Maar hij vond wel geloof voor zijn k1achten tegen Hans.

Hans ging die middag naar huis en meldde zich ziek.

De molens van de rijksrecherche maalden langzaam, de speurders gingen niet over één nacht ijs en verhoorden alle mensen die Jan als getuigen had genoemd; vriendjes, autohandelaren van besproken gedrag, schimmige types die Jan eens geholpen hadden zijn auto te laten ‘stelen’ voor de verzekering. Volgens Hans had Jan hen opgestookt, of zelfs onder druk gezet omdat Jan wat van hen wist en niet te beroerd was om dat tegen hen te gebruiken. Hans kon niet geloven dat de rijksrecherche iets in zijn nadeel zou vinden. Theo, zijn maat, had Hans gevraagd ­ heel serieus, onder vier ogen ­ of hij werkelijk wat geflikt had of niet. Theo wilde niet voor verrassingen komen te staan als hij het voor zijn jongere collega opnam. Hans had met de hand op zijn hart ontkend en Theo geloofde hem. Hans had nog nooit een bakkie gehad en bovendien, je werkte zo nauw samen dat als er wat was, hij er wel iets van had moeten merken.

De beschuldigingen waren ook allemaal zo raar, niet bij Hans passend, vonden zijn collega’s. Hij zou met dikke pakken vals geld hebben rondgelopen en mensen hebben gevraagd of ze dat wilden proberen uit te geven en dan sam­sam te delen. Nou, ze kwamen in het werk natuurlijk wel eens een valse meier of rug tegen en die liet je dan misschien aan een kennis zien om te vergelijken hoe zo’n vervalsing eruitzag. Maar dikke pakken? Dat was hun werk niet.

Wapens verkopen aan Jan? Waarom, die Jan had een wapenvergunning, ten eerste krijg je die alleen maar als je van onbesproken gedrag bent, hoe kwam die Jan er dan in godsnaam aan, vraag je je af, en als je zo’n vergunning hebt, mag je officieel in de winkel kopen, dan hoef je je niet met gesnuffeld ijzer in te laten. Ja, en dan zou Hans in gestolen juwelen en klokjes gehandeld hebben. Nou, dat was zo opgelost. Theo en Hans kenden een juwelier goed. Wanneer een collega in het korps of een goeie vriend een Seiko, een Rolex of een gouden armband wilde hebben, dan moesten ze precies het typenummer opgeven en dan leverde die juwelier dat met een fikse korting. Daar werd niks aan verdiend, dat waren vriendendiensten, en het ging officieel, met bon. Dacht je dat ze voor een paar scheren hun vingers wilden branden? Het enige dat ze Hans konden verwijten was dat hij voor Jan een foto uit het politiearchief had meegenomen uit de tijd van de rellen in de Afrikaanderbuurt. Jan had erom gevraagd en Hans kon de foto nog net redden voor de termijn van tien jaar bewaren voorbij was. Oké, het mocht niet, maar als dat niet mocht dan moest het halve korps op het matje komen. Wat dacht je, als er een vreemd type naast de broer van de commissaris kwam wonen, of z’n dochter had een nieuw vriendje, dat dan niet even de antecedenten gelicht werden?

Hans werd niet in staat van beschuldiging gesteld, hij werd niet geschorst, de vakbond kreeg niets te horen en zijn collega’s evenmin. De leiding zweeg in alle talen en Hans leefde weken in onzekerheid. Hij en Trix hadden het er steeds over, dag, avond en nacht. Wat zou er toch kunnen wezen, hoe lang zou het duren voor ze wat weten? Hans voelde zich als politieman gediscrimineerd door zijn eigen chefs. De eerste de beste patser kreeg meteen te horen waarvoor de dienders hem kwamen halen. Hans moest wekenlang raden waarvan hij verdacht werd.

Hans wilde ontslag nemen. Zijn collega’s praatten het hem uit zijn hoofd. Hij zou wel gek zijn, de korpsleiding zou in z’n vuistje lachen, een moeilijk geval dat zelf de kuierlatten nam, dat was nog eens goedkoop en makkelijk. De vakbond vocht de overplaatsing naar de verhoorkamer van Grijs [bureau Groot-IJsselmonde] aan en startte een procedure voor het ambtenarengerecht.

Hans rekte zijn ziekteverlof, hij durfde Trix en de kinderen niet alleen te laten. Het najaar ging voorbij en tegen Sint­-Nicolaas vloog er een steen de tuin in met een brief vol dreigementen, ondertekend met ‘de Maffia’. Hans schreef een brief terug:

Spruitje, (de beste benaming voor een onbenullig mannetje),
De ene kwajongensstreek volgt de andere op. De held van de Afrikaanderbuurt onwaardig. Bespeur ik hier enige angst bij ons Spruitje omdat hij een paar kwajongens moet inhuren daar hij zelf het lef niet heeft?
Je begint je steeds meer als de dorpsgek te gedragen sinds de hele wereld in de krant heeft gelezen dat je gestoord bent. Wees gerust, ik voel me te intelligent om direct op dit soort kattekwaad te reageren, maar alle betrokkenen krijgen hun portie. Straffen doe je jezelf momenteel al genoeg. (Failliet, verzekeringsfraude, gevangenisstraf te goed, Helma kwijt, je meeste vrienden kwijt en ga zo maar door.) [ … ]
Verder kan ik je in zoverre geruststellen dat mocht ik besluiten om iets terug te doen, ik dat direct tegen jouw persoontje zal doen, dus niet volgens jouw methode indirect via je gezin. […]
Wat betreft het verbouwen van mijn bek wil ik het nog meemaken dat je jouw ‘vrienden’ ook zo gek weet te krijgen om hun leven voor jou te wagen. Ze beseffen niet waarmee ze bezig zijn. Ik heb geen plannen om je ‘penvriend’ te worden, maar ik wilde je deze reactie op jouw St.­Nicolaascadeau toch niet onthouden.
Hans

Uit de brief zou durf moeten spreken, het zelfvertrouwen van Hans dat de pesterijen en dreigementen van Jan hem niet deerden. Jan werd er alleen maar kwaaier van en Hans was niet het ‘ijskonijn’, zoals hij zich in zijn brief voordeed. Hij veranderde met de dag. Vroeger kon je met hem over alles en nog wat een boom opzetten, nu beheerste de affaire met Jan zijn hele leven. Hij werd steeds gespannener, alle andere interesses zakten weg, hij sportte niet meer en hij was bang om ook maar een minuut van huis te gaan. Hans bleef zich ziek melden en politiearts Doorenbos riep hem bij zich. Hans had een paar lange gesprekken met de arts, deze scheen zijn moeilijkheden te begrijpen en liet hem thuis. Maar de korpsleiding zinde dat niet. De zachte aanpak van Doorenbos moest plaatsmaken voor die van zijn chef, dokter Cremers. Cremers staat in het korps bekend als een botterik, zelf zegt hij: ‘Ik houd van een stevige aanpak, realistisch. Ik ben niet het type dat houdt van over het bolletje strijken.’

Hans had er al weinig zin in het hele verhaal opnieuw te moeten vertellen toen hij bij Cremers werd geroepen. Toen hij binnenkwam zei Cremers dat hij vijf minuten had. Het eerste gesprek liep snel uit op ruzie. Hans hoopte begrip te vinden, Cremers had de oplossing al voorhanden. Zo snel mogelijk aan het werk. Met die Jan was toch niks te beginnen, wanneer het zo bleef moest Hans maar in Maastricht solliciteren, emigreren desnoods, maar nu eerst de handen uit de mouwen, dan werd er niet zo gepiekerd.

Hans wilde Trix niet alleen laten. Ook in de kerstnacht was er gedreigd en hij had zowat de hele nacht in de tuin gepost. De visie van Cremers, de arts die van mening was dat zijn grote interesse voor de psyche van de mens meer waarde had dan een speciale opleiding daarvoor, die visie werd in een dienstbevel vervat. Hans moest beginnen op de verhoorkamer, mensen bellen met de vraag of zij op die of die datum hun voertuig inderdaad op deze of gene plaats verkeerd geparkeerd hadden. Een mooi baantje vond Cremers het, rustig, zo had Hans wat omhanden en kon hij op zijn gemak het onderzoek afwachten. Hans zag dat anders. Hij, de jongen die altijd het eerste en het beste wilde zijn, die commando was geweest in dienst en trots de groene baret had gekregen, die in het korps al jong een verantwoordelijke post bij de CID had gekregen, moest, bevel is bevel, telefonisch foutparkeerders gaan verbaliseren.

Zijn collega’s keken hem meewarig aan en vroegen zich achter z’n rug af of er toch niet wat meer aan de knikker was geweest. Zijn vrouw zat thuis, doodsbang, als het even kon ging ze naar familie in Brabant, ze had zelfs al eens bij de huisarts thuis geslapen. Terwijl Hans mensen moest bellen om bekentenissen los te wringen die een paar tientjes waard waren, dacht hij aan zijn mogelijkheden. Hij hield van vissen, het idee was bij hem opgekomen een forellenkwekerij te beginnen, hij had informatie bij het ministerie in Den Haag gevraagd. Maar hij was bang, wist eigenlijk zeker dat als Jan erachter zou komen, een handvol gif in de vijvers hem echt kapot zou maken. Hij dacht aan Jan, de hele dag. Zijn carrière was naar de knoppen, zijn huiselijk leven stond onder zware druk en niets of niemand leek hem te kunnen helpen. Jan zou hem blijven achtervolgen, dat wist hij zeker.

Die vrijdagavond 4 maart zat Hans thuis na weer een dag parkeerbonnen. Thuis werd nog steeds, al maandenlang over vrijwel niets anders gesproken dan over Jan en hoe het toch in godsnaam zo gekomen was en hoe het verder zou moeten. Hans nam zijn derde of vierde jenever met Seven­Up, het kwam harder aan dan het enkele biertje dat hij vroeger dronk, maar het leek wat beter te gaan met drank.

Hij stond op, gaf Trix de sleutels van zijn auto en zei: ‘Die zijn voor jou, ik ga weg.’ Hij was snel de deur, de straat uit.

Trix werd heel bang. Ze belde naar Hans’ oude maat Theo, die was niet thuis, ze belde naar Hans’ baas, commissaris De Winter. Had Hans zijn dienstwapen meegenomen? Trix dacht van wel. De vrouw van Theo Buis liet haar man oproepen en stuurde hem naar Trix. Commissaris De Winter belde met de meldkamer van de rijkspolitie die de controle over Heen-­ en Geervliet heeft. De dienstdoende wachtmeester Westerkamp kende de zaak niet. Op de band die op de meldkamer meeloopt met alle telefoongesprekken, zei De Winter: ‘Hoofdagent V. die heeft hier een lange tijd bij de CID gewerkt en die heeft moeilijkheden gehad met een zekere meneer Spruit. Dat heeft geleid tot zijn overplaatsing en daar is­-ie uiteraard niet over te spreken. Maar het is wel zo dat­-ie kennelijk vanavond bijzonder van slag is geraakt. Hij heeft zijn vrouw achtergelaten, afscheid genomen en zijn pistool meegenomen. Het is in Geervliet of in Heenvliet. Een van zijn naaste collega’s, brigadier Buis uit Rotterdam, die nogal met hem bevriend is, die is enige tijd geleden al naar hem toegestuurd, omdat­-ie inderdaad wat kolderig wordt.’

Theo Buis dacht eerst dat er wat met Trix was. In Geervliet hoorde hij dat Hans weg was. Hij reed als een speer naar Heenvliet en vond snel het huis van Jan. Door het raam aan de straatkant zag hij mensen en het peenhaar van Jan, daar was dus nog niets aan de hand. Twee wachtmeesters van de rijkspolitie stonden verderop te posten. Hij vroeg de wachtmeesters naar de kroegjes van Heen-­ en Geervliet, hij ging Hans zoeken want hij dacht eerder dat Hans zichzelf wat wilde aandoen dan aan een schietpartij met Jan.

Hans, die elke graspol in de omgeving kende, moet toen allang in de tuin van de Vissersdijk gestaan hebben. De wachtenden en zoekenden namen aan dat Hans over de weg zou komen, maar Hans was achter de schuur om direct achter het huis gekomen en had in het donker gewacht, het FN-politiepistool doorgeladen in de hand.

Toen Jan naar buiten kwam vormde hij een goed doelwit tegen het licht van de ramen. Vier kogels troffen hem in borst en buik, de dood moet vrijwel onmiddellijk zijn ingetreden.

HB: Hieronder begint de afronding van het verhaal. Jan is dood, de moord heeft voor de tweede keer in het verhaal plaatsgevonden, maar nu vanuit het perspectief van Hans. De rest is afwikkeling. Vandaar ook de tegenwoordige tijd?

TvD: Ja.

Klik hier en vouw het gesprek open met Ton van Dijk over De Cowboy
De vrienden zijn het erover eens, Jan een rotzak, een gek? Nee, over de doden niets dan goeds, het ging de laatste tijd juist weer zo goed met hem. Een nieuwe verloofde, Jan had er zin in en hij zou die Hans op den duur echt wel met rust hebben gelaten.

De mensen die Jan anders kenden, zeggen dat Jan het niet zou hebben opgegeven. Hans was hem niet kwijtgeraakt, nooit. Dat die Hans het nog zo lang heeft volgehouden! Als het hen gebeurd was hadden ze Jan allang een kunstje geflikt om het af te leren.

Bij de rijkspolitie, waar de aanklachten van Hans tegen Jans stenen en dreigementen binnenkwamen, spijt het officieren en wachtmeesters dat het zo gelopen is. Als, ja, as is verbrande turf … Misschien hadden ze Jan toch moeten waarschuwen na de melding. Maar wie verwacht zoiets, in Rotterdam wisten ze van de hoed en de rand, waarom heeft de korpsleiding daar de signalen niet serieus genomen?

De chefs van Hans, commissarissen Blaauw en De Winter, zwijgen. De zaak was tot nu toe onder de rechter, u begrijpt. In het algemeen is de begeleiding binnen het korps prima, Blaauw mag graag even met een bak koffie in de recherchewacht vertoeven en de stijve De Winter groet het personeel ’s morgens allerhartelijkst. Ze willen nergens op ingaan.

De collega’s in het korps spreken er schande van. Als Cremers zegt dat het ook achteraf gezien nauwelijks anders gekund had, dan is dat onzin. Wanneer Hans meer ziekteverlof had gekregen en zijn dienstpistool had moeten inleveren, was het dan ook gebeurd? De dokter kan mooi zeggen dat het met een broodmes of een gekocht wapen ook had gekund, maar zoiets verandert een zaak toch. En als de dokter dan zegt dat de maatschappij schuld is omdat Jan toch niet opgesloten kon worden, naar een inrichting gestuurd of wat dan ook, wanneer hij zo zeker weet dat er wat dat betreft geen oplossing was, had hij dan niet beter Hans’ kant kunnen kiezen?

HB: Ik mis iets van de afloop: hoe is het met dat onderzoek van de rijksrecherche afgelopen? Dat was op moment van schrijven niet bekend, neem ik aan. Heb je ooit nog contact gehad met Hans?

TvD: Nee, dat was op dat moment niet bekend. Ook de uitspraak niet. Ik heb altijd nog wel eens contact met Hans willen hebben, zelfs nu nog. Maar dan is weer mijn luiheid of mijn gerichtheid op een nieuw stuk waardoor het uitgesteld wordt en weer uitgesteld. Ik hoorde na enkele jaren wel dat Hans, natuurlijk niet terug in het korps, de andere kant was opgegaan en zich in het criminele milieu bewoog. Des te meer reden om eens contact proberen te zoeken, maar het is er dus nog steeds niet van gekomen.

Klik hier en vouw het gesprek open met Ton van Dijk over De Cowboy

Jan is zesendertig geworden. Hans is drieëndertig, z’n kinderen zijn vijf en drie. Jans dochters Astrid en Sylvia zijn vijftien en dertien. Astrid logeert nog steeds bij een zuster van Jan in het noorden. Ze heeft als oudste zó tussen de ruzies van Jan en Helma geleefd, ze heeft zó geprobeerd om hen te verzoenen en Jans rare zelfmoordplannen uit z’n hoofd gepraat dat ze niet kon kiezen tussen de twee. Na de dood van haar vader heeft ze opgeschreven wat ze zich herinnerde: ‘Hoe het allemaal begon’ en ‘Dagboek van de moord op mijn vader’. Soms voelde ze zich door haar moeder in de steek gelaten, maar wist ook niet wat ze met haar vader aan moest: ‘Ik wil niet zeggen dat mijn vader een lieverdje was, maar de mensen om hem heen hebben hem zo gemaakt.’ De crematie vond ze het ‘allerergst’. ‘De mensen die nog een paar woorden zeiden, mijn oom en een vriend van mijn vader, stelden me gerust. Mijn vader hield van muziek zoals die van Janis Joplin, die dus ook werd gedraaid, die liederen deden me weer verdriet. Maar mijn vader zei altijd: “Als ik doodga wil ik niet dat jullie lang verdriet blijven houden om mij, word maar weer gelukkig.'”

Z’n broer Piet wilde Jan zien voor de kist zou zakken. Eerst mocht dat niet, maar dan hadden ze aan hem een kwaaie gehad, dan had de ME erbij moeten komen anders had Piet zelf de kist opengebroken. Ze hadden z’n broer ook al tot tien uur ’s ochtends in de tuin laten liggen, ‘in het be­lang van het onderzoek’, ja, ze konden hem wat. Toen hij Jan zag maakte z’n hart een mispikker. Z’n baard was eraf, als je dat malle sikkie zo kon noemen, en ze hadden z’n haar geknipt. Die begrafeniskraaien moeten er een hoop werk aan hebben gehad, Jan had een dikke pens gehad, maar je zag er niks meer van. Was-­ie soms met dumdum­kogels neergeschoten? Het leek wel een hoofd op een bezemsteel, misschien hadden ze bij de lijkschouwing wel van alles weggehaald voor onderdelen.

Helma is niet naar de crematie geweest, dat zou ze huichelen hebben gevonden. Niet dat ze Jan dit toegewenst had, dat doe je niemand, maar het is wel net of er een loden last van haar schouders is gevallen. Ze durft eindelijk weer gewoon open te doen en familie en vrienden hoeven niet meer eerst in code de telefoon te laten rinkelen voor ze opneemt. Er waren mensen die haar feliciteerden in plaats van condoleerden.

De psychiaters die Hans voor het proces van dinsdag 7 juni onderzochten, rapporteerden eensluidend dat Hans op het moment van zijn daad ontoerekeningsvatbaar was. Volgens mr Jan Verhoef, de advocaat van Hans, zou de officier van Justitie daarmee akkoord gaan en afzien van strafvervolging, begreep Trix. Ze was het hele weekeinde voor het proces zo zenuwachtig. Als alles goed ging, kwam Hans snel thuis. En de mensen van de politiebond hadden gezegd dat Hans’ zaak dan heel sterk zou staan en dat hij niet zomaar ontslagen kon worden. Het gaf haar hoop dat die ellendige tijd gauw voorbij zou zijn. Ze hadden nog een heel leven voor zich.

Be the first to comment on "Ton van Dijk: De dood van een cowboy"

Leave a comment