De redding van het Wereldmuseum

  • mm Hilda Bouma schreef 1 bijdrage(n)

  • Print Friendly
Parrrrdon? Gaat het museum bijna de hele collectie verkopen, zeventig- tot tachtigduizend stukken? Olphaert den Otter kan zijn ogen niet geloven. Ja, dat gaat miljoenen opleveren, handig als je steeds minder subsidie krijgt. Maar wat ga je met dat geld doen in een gebouw dat bijna leeg is? Totaal krankjorum.

Zijn vrouw Meta klinkt zowel geïrriteerd als bezorgd.

‘Olphaert, je gaat toch niet weer een actie starten?’

De 59-jarige Rotterdamse kunstenaar kijkt niet op van zijn laptop. Hij ziet de berichten op deze zomerse dag in 2014 op Facebook binnenstromen. Zijn noodkreet is al 28 keer gedeeld. Blijkbaar is hij niet de enige die zich mateloos opwindt.

Steeds dezelfde expositie, met hippe namen voor gewoon flauwekul

Het Wereldmuseum is zijn museum. Het museum waar hij als 19-jarige op slag verliefd werd op de Islamitische kunst die zo wonderwel past bij de Perzische poëzie van Hafis en Roemi waar hij zo van houdt. Waar hij menige zaterdag zijn drie zoons begeleidde tot aan het Reispaleis – een tovertuin voor kinderen, verboden voor volwassenen – en dan ging dwalen door de zalen. Waar hij bijna alle tentoonstellingen wel heeft gezien, tot de directeur Stanley Bremer besloot steeds dezelfde expositie te maken. Future Pass 2.0, Future Pass 3.0, hippe namen voor gewoon flauwekul.

‘Alsof een restaurant zijn koks ontslaat en het keukengerei verkoopt,’ schrijft hij terug aan zijn Facebookvrienden. ‘En de gemeente stevent af op een fiat. De politiek – ook de lokale – wordt helemaal geil van cultureel ondernemers die zelf hun broek ophouden.’

Het borrelt en bruist nu het hele weekeind, vanaf het moment dat hij zijn verontwaardiging over het artikel in De Groene Amsterdammer online heeft gezet. Het lijkt of hij twee chemische stoffen bij elkaar heeft gestopt die reageren. Wildvreemden sturen hem stukken toe. Rotterdamse politici schrijven sussende woorden. Zelfs de journalist van het Groene-artikel heeft hem opgebeld.

‘Jij hoeft toch niet altijd de kar te trekken’, sputtert Meta. ‘Dit gaat je krankzinnig veel tijd kosten.’

Dan gaat de telefoon.

Radio Rijnmond. ‘Meneer Den Otter, u zit in een rechtstreekse uitzending. We bellen u omdat we wat meer willen weten over de actie dit u op Facebook bent gestart tegen het Wereldmuseum.’

‘Mag ik u corrigeren? Ik ben geen actie gestart tegen het Wereldmuseum. Ik ben een actie gestart voor het behoud van het Wereldmuseum.’

Olphaert den Otter hoort zichzelf praten. Hij krijgt kippenvel.

Al die mensen die hem vertrouwen.

Juist omdat hij geen enkele binding heeft met het museum.

Hij moet de verantwoordelijkheid nemen.

Hij kan niet meer terug.

De ambtenaar van de gemeente Rotterdam kijkt hem strak aan. ‘Uw stukken staan vol foutieve assumpties.’

‘Foutieve assumpties,’ herhaalt Olphaert verbluft. ‘Waarover dan?’

‘Over de bezoekcijfers.’

Als hij weer alleen is in de gang van het Rotterdamse stadhuis, kauwt Olphaert na over de opmerking. Het museum beweert dat er jaarlijks 100.000 bezoekers komen. Als dat waar is, dan moet het er iedere dag redelijk druk zijn. Hoe kan het dan dat er bijna geen kip is als hij er rondloopt?

Er ligt een aanvraag om 23.000 objecten te verkopen

Sinds 2006 is het Wereldmuseum verzelfstandigd. Vanaf dat moment heeft directeur Stanley Bremer een commerciële koers ingezet. Als de gemeente in 2011 de subsidie halveert – Bremer heeft immers beloofd dat hij het museum financieel onafhankelijk kan maken – kondigt de directeur aan dat hij de gehele Afrika-collectie wil verkopen om verder te gaan als gespecialiseerd museum voor Aziatische kunst. Daar heeft de gemeente in 2013 een stokje voor gestoken. Maar daarmee zijn de ontzamelplannen van Bremer blijkbaar niet van tafel. Integendeel. Er ligt een aanvraag om 23.000 objecten te verkopen, 19% van de collectie. Maar dat blijkt, aldus het artikel in De Groene, slechts het begin van een bijna totale leegverkoop. Het museum heeft de huur van het depot alvast maar opgezegd.

Dan mag Olphaert eindelijk naar binnen. Hij ziet de raadsleden ontspannen achterover leunen. Daar zit ook Ruud van der Velden, het enige raadslid dat contact met hem had gezocht toen hij de noodklok luidde. En dat terwijl hij niet eens stemrecht heeft, als ondersteunend lid van de eenmansfractie van de Partij voor de Dieren. Olphaert knikt hem toe.

Dan recht hij zijn rug en haalt adem. Ok, nu heeft hij, na zes uur lang overleg over zwembaden, buurthuizen en anti-pestbeleid, vijf minuten om ze duidelijk te maken dat het Wereldmuseum op een ijsberg afstevent.

‘In 2009 heropent het museum na jarenlange verbouwing, en blijken de eerste twee verdiepingen te zijn “bevrijd” van museale functies. Er is een restaurant, zalen voor de verhuur, een wijnbar en een winkel. Subsidie van u, gemeente Rotterdam, is op termijn niet meer nodig. Dit plan is zo fabelachtig goed dat het wel door u moest worden omarmd’.

Een voor een draaien de raadsleden hun hoofden naar hem toe. Wat is dit voor raar verhaal?
Olphaert doet zijn armen even op zijn rug. ‘Het museum staat weliswaar vol, maar er is maar een vitrine, op de derde etage – mocht u ernaar op zoek zijn – met stukken uit de eigen collectie. Wat wij zien, zijn ingekochte exposities, bruiklenen van particulieren en objecten van handelaren. Die laatste stukken zijn te koop.’

Dit hebben ze nog niet eerder gehoord. Het is nu muisstil.

Nu moet hij zijn laatste troef spelen. Ze laten voelen dat ze op het punt staan een prachtig museum te verkwanselen. Een museum waarvan het depot helemaal niet volstaat met tienduizenden roestige, identieke speren, ‘toeristenspul’, zoals directeur Stanley Bremer beweert.

Zijn stem hapert even en hij haalt adem. ‘Dat is van A tot Z gelogen. Het zijn er 3500. Iedere speer in de collectie vertegenwoordigt een geïsoleerde taal van Nieuw-Guinea. Negentig procent van het werelderfgoed van Nieuw-Guinea bevindt zich in Nederland. En het overgrote deel bevindt zich in Rotterdam.’

Debatleider Ernest van der Kwast steekt hem de microfoon toe. ‘Je hoort het: volgens directeur Stanley Bremer gaat hij helemaal geen 80.000 objecten uit het Wereldmuseum verkopen. Meneer Den Otter, mag ik u feliciteren?’

‘Daar zou ik nog maar even mee wachten,’ zegt Olphaert, terwijl hij opstaat van zijn stoel op de eerste rij. ‘Meneer Bremer is niet betrouwbaar. Hij heeft de huur van het museumdepot opgezegd en hij is bezig het museum om te vormen tot een showroom voor de verkoop.’

Hij ziet Bremer achter de tafel verstrakken. Wat kan jij liegen, denkt Olphaert. En iedereen trapt erin. Maar hij heeft de ontzamellijsten toegestuurd gekregen. En die vertellen een heel ander verhaal.

Het is voor het eerst dat hij Bremer in levende lijve ziet. Nu hoort hij pas goed hoe meesterlijk deze man kan spinnen.

‘Ik verdien vier miljoen per jaar voor dit museum!’

Vier miljoen? Hij zal toch niet de veertig euro omzet per klant van het restaurant als inkomsten van het museum rekenen?

Terwijl zijn gedachten ratelen, hoort Olphaert Bremer iets zeggen over de raad van toezicht. Snel stoot hij de redacteur van Rotterdam Late Night aan die naast hem zit.

‘Wat zegt ie nou? Hoor ik dat goed.’

‘Ja, hij zegt dat hij geen raad van toezicht meer heeft.’

Rustig blijven, denkt Olphaert als hij de microfoon weer krijgt toegestoken. ‘Ik ken het museum al decennialang. Af en toe zitten er hele goede tentoonstellingen tussen, zoals die over Samoerai. Maar er is ook heel veel ‘crap’. Dat is ook de reden dat de subsidie is gekort, vanwege die matige tentoonstellingen.’

‘Crap?’ Bremer springt er direct bovenop. ‘Laat hem tien dingen noemen in het museum die crap zijn!’

‘Dat doen we na afloop, ok?’ zegt Van der Kwast.

‘Nee, nee!’

‘Ik ben de baas, Stanley.’

‘Ik ga niet weg voor hij tien voorwerpen heeft genoemd!’

Hilariteit in de zaal.

‘Er is nooit een betere Samoeraitentoonstelling geweest in de wereld. Magie van de Vrouw was een waanzinnig goede tentoonstelling. Ik wil tien stukken. Nu!’

Van der Kwast: ‘Ik ga door of we kappen nu.’

‘Dan kappen we.’

‘Wil je geen laatste vraag?’

‘Nou, misschien wel, ja.’

De zaal barst uit in een bevrijdend gelach.

Van der Kwast probeert het opnieuw. ‘Stanley, wat zou je ideale scenario zijn, als je vrij zou kunnen ondernemen?’

‘Dan wil ik een bruidsschat van drie miljoen’, zegt Bremer gedecideerd. ‘Daar kan ik een hotel van bouwen. En dan wil ik de collectie van het museum als eigendom en de vrijheid om de Afrikacollectie en de Amerikacollectie te kunnen ontzamelen. Dan pas kan ik zonder subsidie draaien. Tien stukken! Tien! Tien! Tien! Tien!’

De zaal klapt en joelt mee.

Deze slag is voor jou, denkt Olphaert. Maar de oorlog zul je er niet mee winnen.

Na afloop van het debat wijst Bremer zijn uitgestoken hand af.

‘Kom maar een keer koffie drinken in het museum.’

‘Nee, bedankt. Wij komen elkaar nog wel tegen.’

Het klopt, Olphaert, er is helemaal geen werkende raad van toezicht meer bij het museum. Van twee van de drie leden is de termijn al een jaar verlopen. En van de derde een maand geleden. En de wethouder weet dat.’

Olphaert valt bijna van zijn stoel als journalist Sjors van Beek hem opbelt.

Het was dus geen slip of the tongue tijdens Rotterdam Late Night. Het was strategie. Alle nieuwe kandidaten die Bremer voordroeg zijn stelselmatig door de gemeente afgewezen. Zodat hij helemaal op eigen houtje kon opereren.

Toch eens vragen waarom de wethouder op al mijn vragen verwees naar de raad van toezicht.

De voorzitter van de Rotterdamse commissie zorg, onderwijs, cultuur en sport is jarig. Eenvoor een krijgen de commissieleden op deze 19de november 2014 een gebakje tussen hun microfoon en hun papieren geschoven. Voor insprekers is er geen taart.

Mijn boodschap is ook niet zoet, denkt Olphaert als hij gaat zitten aan de kop van de lange tafel in het Rotterdamse gemeentehuis. Hij voelt dat zijn aanwezigheid meer gewicht heeft dan krap drie weken geleden, toen hij voor de eerste keer mocht inspreken. Er zijn meer raadsleden. De wethouder heeft hem de hand geschud. Hem bij zijn naam genoemd.

Die krijgt het straks voor zijn kiezen, schiet het door zijn hoofd. Hij gaat de voorzet geven. Zijn steun en toeverlaat Ruud van der Velden van de Partij voor de Dieren zal de bal inkoppen.

Zonder één hapering vuurt hij zijn grieven af.

‘Hoe is het mogelijk dat niemand de waarschuwingen van de Rotterdamse raad voorkunst en cultuur uit 2005 heeft vergeleken met de praktijk van nu.’

‘Hoe is het mogelijk dat niemand vragen stelt, nu blijkt dat het restaurant, de winkel en de zaalverhuur vrijwel niets afdragen aan het Wereldmuseum?’

Hij kijkt even op van zijn papier en gaat met zijn ogen de tafel rond. ‘Vergeet u dus maar dat het museum in 2016 zelfvoorzienend zal zijn.’

‘Hoe is het mogelijk dat de opeenhoping van functies en belangen van directeur Stanley Bremer niemand ooit zijn opgevallen?’

‘En bovenal: hoe is het mogelijk dat niemand in de gaten had dat er geen raad van toezicht meer wás? De brief van de burgemeester van gisteren kan niet toedekken dat de gemeente ernstig in gebreke is gebleven bij het toezicht op een museum dat al jaren onderwerp is van zorg.’

Als hij klaar is met zijn betoog, trekt de griffier haar wenkbrauwen op en haar mondhoeken naar beneden. Een soort stilzwijgend ‘Sjonge’. De wethouder zit twee stoelen verder peinzend met zijn gevouwen handen onder zijn kin.

Wat of de bijdrage van het restaurant aan het museum precies is, willen de raadsleden nog van Olphaert weten.

‘Dat staat in het jaarverslag: 2688 euro. Dat is 224 euro per maand, oftewel 7,50 per dag. Ongeveer wat je betaalt voor een glas wijn in het restaurant van het Wereldmuseum. Waarschijnlijk goede wijn.’

Hij zegt het droog.

Hij hoeft niet te smalen.

Hij heeft zijn punt gezet.

De witte gevel van het Wereldmuseum blikkert in het zonlicht op deze 24ste april 2015.

‘Olphaert, wil je even de kade op en neer lopen’, vraagt de man van RTV Rijnmond. ‘Dan kan ik wat algemene shots schieten om onder het verhaal te monteren.’

Olphaert is opgewonden. Hij heeft zijn nieuwe zomerjasje aan. Hij is vandaag 60. En wat een verjaarscadeau is dit!

Nu is er echt iets gekanteld. Dat voelde hij meteen bij de presentatie van het rapport van de Rotterdamse Rekenkamer, vanochtend. Deze bak kritiek op de gemeente, die het museum na de verzelfstandiging aan zijn lot heeft overgelaten. Zo veel raadsleden aanwezig. Zoveel landelijke pers.

Dit kan niet zonder gevolgen blijven.

En Bremer, die heeft nu helemaal geen kans meer. Drie weken terug wankelde zijn positie al, met dat onafhankelijke rapport dat onderzoeker Gitta Luiten op verzoek van het college had gemaakt. Gehakt maakte ze van Bremers ‘business model’. Het was nog erger dan Olphaert dacht. Het restaurant draaide met verlies! Die 2688 euro stond tussen haakjes in het jaarverslag. Stom dat hij niet wist dat dat negatief betekende. Een museum dat met subsidiegeld een restaurant in de lucht houdt. Zo zout heb je het nooit gegeten.
Bremer heeft het museum aan de rand van de afgrond gebracht.

Ze kunnen hem echt niet langer handhaven.

Als hij naar boven kijkt, naar de letters Wereldmuseum op de zonnige gevel, bekruipt hem het onaangename gevoel dat Stanley Bremer vanachter de ramen naar hem staat te kijken.

‘Olphaert, laten we met het interview beginnen. Er liggen nu twee rapporten die al je  vermoedens bevestigen, nietwaar?’

‘Uiteindelijk is alles wat ik heb aangedragen, juist gebleken.’

Maar hij voelt geen triomf. Hij voelt de ogen van Stanley Bremer prikken in zijn rug.’Het is ongelooflijk,’ besluit Olphaert, ‘dat dit kon gebeuren onder het toeziend oog van een gemeente die het niet in de gaten heeft gehad, en een falende raad van toezicht.’

Als het interview klaar is, loopt hij naar De Bakkerswinkel. De lunch is er bij ingeschoten. Hij gaat naar Meta. Taart eten.

Dan gaat zijn telefoon. Ruud van der Velden van de Partij van de Dieren. ‘Stanley Bremer is vanochtend per direct afgetreden. Wist je dat al?’

Olphaert blijft staan.

Hij voelt de spanning wegtrekken uit zijn lichaam.

Al die mensen die hem zeiden dat het hem niet zou lukken.

Ze hadden ongelijk.

Het museum gaat niet kapot.

Morgen begint het herstel.

Zijn taak zit erop.

About the Author

Hilda Bouma
Hilda Bouma (1960) werkt sinds 2000 voor Het Financieele Dagblad. Sinds 2009 is zij verantwoordelijk voor de kunstrubriek in het weekeindmagazine FD Persoonlijk. Daarvoor werkte zij bij Het Parool, AT5, Binnenlands Bestuur en Elsevier.

Be the first to comment on "De redding van het Wereldmuseum"

Leave a comment