Relaas van een net-niet slachtoffer

Iris Koppe was in 2005 getuige van de terroristische aanslagen in Londen. Nog altijd heeft ze daar last van, al is ze huiverig dat toe te geven. Hier het relaas van een net-niet slachtoffer.1) Henk Blanken: Eerst dit: Iris Koppe is behalve een net-niet-slachtoffer ook een collega van je bij de Volkskrant. Ooit was het niet denkbaar, de ene verslaggever die de andere interviewt. Is daar discussie over geweest?
Rik Kuiper: Nee, eigenlijk helemaal niet. Iris worstelde met dit verhaal. We zijn op een ochtend koffie gaan drinken, we hebben erover gepraat en ik heb haar aan het einde van het gesprek gezegd dat ik het wel wilde opschrijven. Dat vond ze meteen een goed idee. De chef van Zaterdag durfde het experiment wel aan. Ik heb het vervolgens precies zo aangepakt als ik zou doen bij iemand die ik niet ken. We hebben uitgebreid gepraat, ik heb andere bronnen geraadpleegd, ik heb het verhaal geschreven, we hebben nog een keer gepraat en tenslotte heb ik het Iris voorgelegd. Gelukkig vond ze het mooi.

De knal was hard, harder dan de hardste knal die je ooit gehoord had. Je was je net aan het aankleden en toen, exact om 9.47 uur ’s ochtends, BOEMMMMM! 3) HB: Je vertelt in de alinea’s strikt vanuit de beleving van Iris. Langzaam ontdekt ze wat er mis is. Daarom laat je hier nog even weg dat ze in Londen is, en op welke dag. Maar dat ze meteen wist dat het exact 9.47 uur was past daar niet bij – zoiets weet een getuige achteraf, als ze de krant heeft gelezen.
RK: Ik denk dat je gelijk hebt. Ik kies om het verhaal door haar ogen te vertellen en op dat moment wist ze niet dat het 9.47 uur was. Nu ik die zin teruglees, denk ik ook dat ik te veel wilde. Dit was beter geweest: ‘Je was je net aan het aankleden en toen… BOEMMMMM!’ Door dat aankleden weet de lezer ook dat het ochtend is. Meer is eigenlijk niet nodig.

Het raam trilde in de sponningen, boeken vielen van je bureau en je dook instinctief2)HB: Ook het woord instinctief kan gelezen worden als een signaal dat Iris achteraf vertelt.
RK: Dat woord kan inderdaad weg.
in elkaar om je te beschermen tegen alles wat nog komen zou.4)HB: En maar meteen dat andere hangijzer. Je voert Iris op in de tweede persoon. Hoe dat zo? Waarom niet gewoon de derde persoon?
RK: Ik snijd twee verhalen: om beurten komen de dag van de aanslag (verleden) en de nasleep (heden) aan bod. Aanvankelijk schreef ik alles in de derde persoon enkelvoud, vrij klassiek, vanuit het perspectief van Iris. Maar toen het klaar was, vond ik die passages na de aanslag niet dwingend genoeg. Ik wilde het gevoel van Iris meer aan de lezer opdringen. Toen heb ik die scènes in de jij-vorm gezet. Dat leverde een nieuw probleem op: het was gek om die perspectieven af te wisselen. Daarom heb ik uiteindelijk alles in de jij-vorm gezet. Dat werkte heel goed, vond ik.

Maar er kwam niets meer.

Wel begon in het gebouw een alarm te loeien. Je keek vanaf de twaalfde verdieping van je studentenflat naar buiten, over de daken en boomtoppen van Londen, waar je die zomer een taalcursus volgde. Verderop kringelde een pluim rook omhoog.

Je had hier al weg kunnen zijn. Om tien uur zou je bij metrostation Russell Square koffie drinken met Ahmed, een Britse jongen die je kort daarvoor bij de taalschool ontmoet had. Maar toen je wakker werd, was je nog wat gammel. Je stuurde de jongen een sms om de afspraak een uur uit te stellen. Dat was prima, antwoordde hij.

En nu renden er dus mensen over de gang.

En nu renden er dus mensen over de gang. Ze klopten op deuren, ook bij jou, ook jij moest vertrekken. Je griste je rode Nokia 33105)HB: Details maken een scene, maar ‘rode Nokia’ suggereert dat Iris kon kiezen uit ten minste twee toestellen. De blauwe liet ze liggen.
RK: Ja, misschien had ik het feit dat dat ding rood was niet moeten benoemen. Ik vond het wel fijn dat het een 3310 was, zo’n oude koelkast van ver voor de smartphone.
mee en verliet de kamer, op weg naar beneden. Niet met de lift. Natuurlijk niet. Met de trap.6)RK: Met zulke tak-tak-zinnetjes probeer ik de snelheid erin te houden, de haast en de spanning te benadrukken. Je denderde naar beneden, twaalf verdiepingen lang, met alle vragen die op dat moment door je hoofd spookten.

Was het een explosie geweest?

Zou er nog iets volgen?

In dit gebouw? 7)HB: Zo stel je informatie uit, en bouw je spanning op. Maar dacht Iris geen moment aan een aanslag? Of hing die dreiging toen nog niet in de lucht?
RK: Natuurlijk hing er dreiging. Maar ze wist niet of het een aanslag was. Zo veel van dit soort aanslagen waren er toen ook nog niet geweest. En dus wilde ik dat woord zo vroeg in het verhaal niet noemen.

 

* * *

8)HB: In een notitie aan de eindredactie, bovenaan je tekst, zei je met klem dat de sterretjes een ‘break’ in het verhaal markeren: we springen naar een andere tijd en andere plaats. Is zo’n opmerking nog altijd nodig?
RK: Jazeker. Bij een vorig verhaal heeft de vormgever de break verplaatst, vermoedelijk omdat het dan mooier op de pagina paste. Toen vloeiden twee gebeurtenissen in elkaar over, terwijl ze op verschillende momenten hadden plaatsvonden. Daar was ik heel pissig over.

Twaalf jaar na de aanslagen van 7 juli 2005.9)HB: Waarom kies je er eigenlijk voor om die verhaallijnen van de aanslag en de nasleep te snijden?
RK: Dit verhaal gaat over het verwerken van een aanslag. Maar het laat zich lastig vertellen zonder beschrijving van de aanslag zelf – de spanning en de onzekerheid van dat moment legden immers de kiem voor de latere angst. Dat wilde ik inzichtelijk maken. Probleem is dan, dat het verhaal van de aanslag spannender is dan het verhaal van de sluipende angst in de jaren daarna. Zou je dit dus chronologisch vertellen, dan krijg je een heel krachtig en spannend begin, waarna het verhaal uitdooft. Alles wat na de aanslag komt, is subtieler. Om dat probleem te ondervangen, heb ik die verhalen met elkaar versneden: de pats-boemverhaallijn van de aanslag en de subtiele, psychologische, bedachtzame verhaallijn van de nasleep.
Geregeld ontploffen er bommen in Europese metropolen, steeds vaker rijden mannen met busjes door voetgangersgebieden, in de hoop zo veel mogelijk slachtoffers te maken. Sommige aanslagen halen niet eens meer de voorpagina. 10)HB: Hier kies je voor de onvoltooid tegenwoordige tijd om het ‘heden’ te vertellen. Dat lijkt een logische keuze nadat je het verleden van 12 jaar terug in de verleden tijd had gezet. Maar het had ook andersom gekund. Dan hadden de scenes in Londen met al die actie meer vaart en urgentie gekregen. Vergis ik me of heb je ook geprobeerd? En waarom deze keuze?
RK: Ik heb dat eerlijk gezegd nooit overwogen. Vrij automatisch koos ik voor de verleden tijd en de tegenwoordige tijd om verschil aan te brengen tussen de verhaallijnen. Maar het had ook allemaal in de tegenwoordige tijd gekund, denk ik.

Iemand bij de Volkskrant, waar je werkt als verslaggever, vraagt of je een stuk kan schrijven over je ervaringen in Londen en de invloed van de gebeurtenissen op de rest van je leven. 11)HB: In een eerdere versie speelde je nog wat meer met de afwisseling tussen tweede persoon en derde persoon. Door de scenes in het heden in die zij-vorm te vertellen, creëer je wat meer afstand en wordt Iris iets meer een gewoon personage, geen collega.

Je bent 32 jaar, je hebt inmiddels twee romans geschreven en twee biografieën van voetballers. Jarenlang schreef je columns over je eigen leven. Als je een artikel voor de krant moet typen, gaat dat je gemakkelijk af.

Maar dit keer wil het niet vlotten.

Ja, je belt een stuk of zeven mensen. Iemand van Slachtofferhulp. Een terrorisme-deskundige. Een vrouw die ooit een bus nam vóór de bus die ontplofte.

Dat doe je om maar niet over je eigen verhaal na te hoeven denken. Want zodra je dat doet, als je achter de computer kruipt om te noteren wat jij12)HB: Kun je beredeneren waarom hier ‘jij’ moet staan, en geen ‘je’?
RK: Die ‘jij’ geeft nadruk. Iris kon schrijven over anderen, maar als ze over zichzelf moest schrijven, kwam ze in problemen.
in Londen meemaakte, dan blokkeer je, dan komt er niets, of het nu ochtend of avond is, of je nu thuis zit of op de redactie.

Helemaal niets, zeker vier maanden lang. 13)HB: Heel goed, die herhaling. Functioneel.

Want god, wat is dit ongemakkelijk.

En uiteindelijk donder14)HB: Je gebruikt sterke werkwoorden, zoals het moet, maar bij ‘dondert’ vraag ik me af of Iris dat zo gezegd heeft. En of dat nodig is? Alles wat de illusie van het perspectief kan doorbreken, vind ik riskant. Eenmaal gekozen voor het personale perspectief moet de verteller dat volhouden, en de stem van zijn personage niet overnemen.
RK: Ik wilde met dat ‘dondert’ aangeven dat ze gefrustreerd was. Daar sta ik nog steeds wel achter.
je de aantekeningen van die zeven gesprekken dus maar in de papierbak. Hop, weg ermee – in de hoop dat niemand ooit nog naar dat verhaal zal vragen.

Want god, wat is dit ongemakkelijk. Natuurlijk heb je nog last van die aanslag en de onzekerheid die erop volgde. Maar tegelijkertijd voel je je een aansteller. Je zat zelf niet in een metrowagon die ontplofte, niet in een bus waar het dak vanaf vloog, je verloor vrienden noch ledematen.

Ben je dan een slachtoffer van terrorisme?

Nee dus.

* * *

 

Na al die trappen15)HB: Het stelt niets voor, drie woorden, maar je pakt er wel de draad mee op. Die continuïteit wordt vaak vergeten.
RK: Ik doe dat ook heel bewust. Er mag hier geen verwarring zijn. We zijn weer terug in de tijd, we zijn weer in Londen. Als je kiest voor zo’n harde scheiding tussen scènes, zoals ik graag doe, moet je de lezer niet laten zwemmen.
arriveerde je in de hal van Hughes Parry Hall – onder studenten bekend als Huge Party Hall. De ruimte stond vol mensen, die blijkbaar niet naar buiten mochten. Sommige waren rustig, anderen huilden, een enkeling schreeuwde.

Je woonde hier pas een paar dagen, je kende niemand, niemand kende jou. Je probeerde je ouders in Nederland te bellen, maar dat ging niet. Nog een poging. En nog een. Tevergeefs, het netwerk lag eruit.

De geluiden van sirenes drongen het gebouw binnen. Niemand wist wat er aan de hand was, maar dat weerhield hen er niet van om te speculeren. Iemand zei: misschien houdt een crimineel zich schuil in ons gebouw. Een ander: straks wordt het pand opgeblazen. De conciërge vertelde mensen dat er straks misschien een ontruiming zou volgen.

Na ongeveer een halfuur gingen de deuren dan toch open. Je besloot naar buiten te gaan, ook al adviseerden anderen je om in het pand te blijven. Je wilde weg hier, weg van het gebouw waar je zojuist die knal gehoord had, weg van de dreiging die hier nog altijd hing.

Het woord ‘aanslag’ zoemde door de straten van St Pancras.

Op straat krioelden mensen door elkaar. Nog steeds die kakafonie van sirenes. Je liep door Marchmont Street, langs de winkeltjes en pubs in de richting van het metrostation waar je Ahmed zou ontmoeten. Zijstraten waren afgezet. Behalve de hulpdiensten was er geen verkeer. Het woord ‘aanslag’ zoemde door de straten van St Pancras.

Kijk, daar doemde de bordeauxrode gevel van het station al op. Was daar iets aan de hand? Ambulances en brandweerauto’s stonden kriskras voor de deur geparkeerd.

Je kwam dichterbij, zag mensen met bebloede gezichten, omstanders die probeerden iemand te reanimeren. Uit het station kwamen mannen met brancards. Er lagen lichamen op.

Nog steeds kon je niet bellen.16)HB: Was het lastig Iris dit te laten ‘herbeleven’? Het is wel een trauma. Van de andere kant: als schrijver en journalist begrijpt ze natuurlijk precies wat je wilde? Of toch niet?
RK: Ze sprak er heel open over. En ja, ik denk dat het heeft geholpen dat ze zelf schrijft en dat ze weet wat voor soort verhalen ik schrijf.

 

* * *

 

Heb je nu, twaalf jaar later, nog dagelijks last van de gebeurtenissen in Londen? Als iemand je dat vraagt, pauzeer je even. Daarna zal je antwoorden dat je het liever niet toegeeft, maar eh… ja dus. En dat het heftiger wordt als er net ergens een aanslag is geweest.

Daarna komen de voorbeelden. Je gaat liever niet naar concerten, festivals en risicowedstrijden in het voetbal. Op terrasjes aan de straat zit je liever niet. In bioscopen kijk je altijd even waar de nooduitgang is. En als je naar het Prinsengrachtconcert in Amsterdam gaat, wandel je een paar uur voor aanvang al even langs de gracht om een plekje te zoeken waar je je snel uit de voeten kan maken.

Sinds die dag in Londen reis je nooit meer onbevreesd17)HB: Is dat onbevreesd niet iets te archaïsch? Een ridder is onbevreesd. Iris was niet zonder angst.
RK: Ik vond het wel een mooi woord.
met het openbaar vervoer. Meestal kies je de fiets of de auto. Dan stapt er tenminste nooit iemand in met een verdachte koffer. En neem je toch een keer de trein, dan probeer je buiten de spits te reizen. Want welke terrorist plant nou een aanslag om tien over elf ’s ochtends?

Een aanslag op een boemeltje leek jou onwaarschijnlijk.

Toen je voor je opleiding journalistiek heen en weer reisde tussen Amsterdam en Rotterdam, koos je niet voor de snelle Intercity Direct, maar de sprinter via Woerden, Gouda Goverwelle en Capelle Schollevaar. Een aanslag op een boemeltje leek jou onwaarschijnlijk.

Laatst ging je naar Zundert, om een verhaal voor de krant te maken over de beveiliging van het jaarlijkse bloemencorso. Ze zouden daar betonblokken neerleggen, had je gehoord, om een aanslag met een vrachtwagen te voorkomen. Daar kon je wel om glimlachen, want na Brussel, Parijs en Nice leek Zundert niet direct een doelwit. Maar toen je daar was, ging je toch mooi achter zo’n blok staan.

En o ja, je vroeg een vriend om jou de eerste regels van de koran te leren. Misschien komen die nog eens van pas, dacht je, zodra ze je ontvoeren.

Maar maakt dat alles jou een slachtoffer van terrorisme?18)HB: Opnieuw de herhaling als stijlmiddel. Zo doe je dat dus als je een verhaal opbouwt.
RK: Die vondst kwam pas vrij laat. Het hele verhaal stond eigenlijk al toen ik me bedacht dat het mooi zou zijn om die vraag steeds terug te laten komen en het antwoord te laten veranderen van een stellig nee tot een ‘nou ja, misschien wel’. Daarmee maakt de hoofdpersoon een ontwikkeling door, wat goed is voor een verhaal.

Net niet, vind je zelf.

 

* * *

 

Daar stond je dan, tussen al die andere verbijsterde mensen, vlak voor een metrostation waar zojuist een aanslag was gepleegd. Je pakte je telefoon, probeerde te bellen, stuurde sms’jes. Tevergeefs.

Je werd onrustig. Waarom kon je verdomme19)HB: Nu ‘geloof’ ik de woordkeuze wel, de vloek klinkt naturel. niet bellen? Waar moest je heen? En waar was Ahmed, die die ochtend met de metro naar dit station zou komen om koffie met je te drinken?

Nog een poging. Ze zouden wel ongerust zijn in Nederland, dacht je.20)HB: De citaataanduider ‘dacht je’ lijkt me overbodig.
RK: Ja, eens.
Je ouders kenden je adres en zouden inmiddels ook wel over een aanslag gehoord hebben. Geen bereik.

Een oudere vrouw zag dat je het moeilijk had en haalde koffie en cake.

Nog steeds geen netwerk, nog altijd sirenes.

Je moest weg hier, weg uit de hectiek, weg van deze verwarrende plek. Maar waar kon je heen? Je besloot in de richting van Hughes Parry Hall te wandelen, waar je eigenlijk ook niet wilde zijn.

En toen zag je die bus.

Hij stond op de hoek van Tavistock Square en Upper Woburn Place. De bovenverdieping lag eraf. Flarden rood metaal staken alle kanten op. Op straat zag je bloedspetters en dingen die ledematen konden zijn.

Wat was hier aan de hand? Eerst de knal in je flat, vervolgens de lichamen bij het station en nu dit. Kwam er nog meer? Zou de hele stad worden opgeblazen?

Toen barstte je in huilen uit.21)HB: Ik hoorde laatst Anne Hull, gevierd verslaggever van de Washington Post en winnaar van een Pulitzer, zeggen dat er in de krant nooit tranen mogen vloeien. Regel bij de Post, zei ze terloops.
RK: Ik ben ook voorzichtig met tranen. Maar ik houd ze niet koste wat kost buiten het verhaal.

 

* * *

 

Voorjaar 2017, je zit in de trein naast je vriend. Jullie gaan naar Eindhoven. Vandaag mogen mensen vrij reizen met het Boekenweekgeschenk, dus het is druk, drukker dan je lief is.

Op station Amsterdam Amstel gaan de deuren open, meer reizigers stromen binnen. Daar stapt ook een vrouw met een hoofddoek in, een norse blik op haar donkere gelaat. Ze laat haar kinderwagen op het balkon staan en loopt zelf de coupé in. Omdat er geen zitplaatsen vrij zijn, blijft ze in het gangpad staan.

Dat is toch raar, zeg je tegen je vriend. Die vrouw laat die kinderwagen daar staan.

Het was hem nog niet opgevallen.

Dit klopt niet, fluister je als je terugkomt bij je vriend.

Je kijkt naar buiten, waar weilanden voorbij glijden. Je begint te zweten, voelt je hart bonken. En dan sta je op. Je loopt door het gangpad naar het toilet, zodat je een blik in de kinderwagen kan werpen. Als je dichterbij komt, zie je dat een deken over de wagen hangen. Er ligt geen kind onder.

Dit klopt niet, fluister je als je terugkomt bij je vriend.

Het kunnen spullen zijn, zegt hij.

Je kijkt naar de vrouw, naar haar bozige blik. Je wil vragen wat er in de kinderwagen zit. Je wil in de kinderwagen kijken. Maar dat kan niet, dat weet je ook wel.

Het liefst zou ik aan de noodrem trekken, zeg je.

Als je wil, stappen we in Utrecht uit, zegt je vriend.

En dat doen jullie.

 

* * *

 

Vanaf de ontplofte bus liep je naar een vestiging van Starbucks. Wat moest je anders? Je kon het gebied nog steeds niet verlaten omdat uitvalswegen waren afgezet en terug naar je appartement wilde je ook niet. Dan maar koffie.

Binnen was het bomvol met mensen die ook niet konden bellen, die ook het gebied niet uit konden en die ook niet wisten wat er allemaal aan de hand was. Je bestelde koffie en raakte aan de praat met een oudere vrouw.

De Noord-Ierse afscheidingsbeweging IRA kon erachter zitten, zei ze. Of anders misschien Bin Laden.

Je kon nog steeds niet bellen.

Vanuit de Starbucks vertrok je naar een internetcafé verderop. Ook daar was het druk. Je moest in de rij staan voordat je in een van de telefooncellen terecht kon. Daar draaide je het nummer van je moeder, die moest huilen. En je belde je vader, die opgelucht klonk.

Kom naar huis, zeiden ze allebei.

Later die dag zou je ook die meer dan tien voicemails afluisteren die familie en vrienden gedurende de dag hadden ingesproken, waarbij de stemmen steeds zwaarder en wanhopiger waren gaan klinken.

Lieverd, we hoorden van de aanslagen in de buurt van jouw appartement. Wil je alsjeblieft even bellen?

 

* * *

 

Je moet niet bang zijn, zeggen mensen als je een terroristische aanslag hebt meegemaakt. Je moet doen wat je altijd deed, je moet je leven er niet door laten beïnvloeden. Keep calm and carry on, zoals de Britten al sinds de Tweede Wereldoorlog zeggen.

Je moet blijven genieten. Ook dat zeggen mensen als je een aanslag hebt meegemaakt. Je moet blijven genieten, anders hebben de terroristen gewonnen.

Jij gaf ze gelijk. Je zou dapper zijn, nam je je voor. Je zou genieten. Of nou ja, dat zou je proberen. Maar man, dat bleek dus lastig.

En wat mensen nog meer zeggen? Ze zeggen dat de kans zo klein is dat je een aanslag meemaakt. Verwaarloosbaar klein. Dus je hoeft niet te vrezen dat je nog een keer zoiets meemaakt.

Natuurlijk weet je dat wel. Maar vaak denk je ook: als de kans zo klein is, waarom was ik er die ene keer dan bij?

Maar maakt dat jou een slachtoffer van terrorisme?

Wat niet helpt, is dat een 21-jarige vriend van je een paar jaar geleden overleed na een aanrijding. Kleine kans, zou je zeggen. Maar het gebeurde dus wel. En dan kende je ook nog iemand aan boord van MH17. Tel dat op, en iedereen zou moeten snappen dat jij je niet laat troosten met statistiek.

Maar maakt dat jou een slachtoffer van terrorisme?

Ja, denk je soms. Misschien moet je toch eens met iemand gaan praten. Misschien hebben de terroristen toch een beetje gewonnen.

 

* * *

 

In het internetcafé probeerde je contact te krijgen met Ahmed, van wie je steeds maar niets hoorde. En ondertussen struinde je langs de belangrijkste nieuwssites, waar je je volzoog met alle details van de vier zelfmoordaanslagen die die dag in Londen hadden plaatsgevonden en waarbij – zo zou later blijken – meer dan vijftig mensen waren overleden en meer dan zevenhonderd gewond waren geraakt.

Ahmed hoorde daar niet bij, ontdekte je toen het mobiele netwerk het weer deed en hij je een bericht stuurde. Hij had wel in de metro gezeten waar de bom was ontploft, maar niet in de getroffen wagon. Rennend door de tunnelbuis had hij zich in veiligheid weten te brengen.

Die avond liet je een bericht achter op de website van de NOS, waarin je je ervaringen van die dag beschreef.

‘Het is avond maar alles is nog steeds afgezet’, tikte je, ‘en hoewel de sirenes niet meer aan de lopende band loeien, lopen er nog veel mensen rond die iemand zoeken. Vreselijk. Ik kan rondlopen in een straal van driehonderd meter, en verder is alles onmogelijk.’

En daarna: ‘Ik heb het idee dat ik de dood in de ogen heb gekeken. Als ik een uur eerder op Russel Square zou zijn geweest dan had ik deze mail niet kunnen typen.’
Kort daarna22)RK: Bij het herlezen struikel ik over de onvermijdelijke onvolkomenheden van een snel krantenverhaal. Die twee keer ‘daarna’ achter elkaar… dat had anders gemoeten. Een detail, maar ik kan er nu nog oprecht van balen. keerde je terug naar je appartement, waar de boeken nog op de grond lagen. Je sliep die nacht slecht.23)HB:Altijd een bezoeking, die laatste zin, vooral als er geen eenvoudige ontknoping is. Maar deze is wel mooi. Ze gaat door met leven.
RK: Precies, al is het ook een onheilspellend einde. De lezer weet wat er komen gaat de jaren daarna: stress, stress, stress.

Dit verhaal kwam tot stand na gesprekken met Iris Koppe en een ooggetuigenverslag dat ze direct na de aanslag schreef.

About the Author

Rik Kuiper
Rik Kuiper is verslaggever bij de Volkskrant. Vaak tikt hij nieuwsberichten en dagreportages, maar het liefst sleutelt hij aan minutieuze reconstructies van meer dan 3000 woorden. Of die nu gaan over de geboorte van een Siamese tweeling of over een fatale beklimming van Mount Everest – het maakt hem niet veel uit, als er maar interessante personages in voorkomen die geconfronteerd worden met onalledaagse problemen. Enkele jaren geleden richtte Rik met een paar andere journalisten de Conferentie voor Verhalende Journalistiek op, die elk jaar meer dan honderd journalisten trekt. Twee van Riks verhalen zijn opgenomen in het jaarboek verhalende journalistiek. Bij de Volkskrant geeft hij een cursus aan de eigen verslaggevers. En als hij journalisten één boek zou mogen aanraden over het genre? Dan is dat Writing for Story van Jon Franklin. ‘Dat is mijn bijbel’, zegt hij.

Be the first to comment on "Relaas van een net-niet slachtoffer"

Leave a comment