John Schoorl bij Gay Talese: Voyeur van beroep

Journalist Gay Talese mag 84 zijn, de godfather van de literaire journalistiek speurt nog steeds naar mooie verhalen. 1)Rik Kuiper: Talese is een wereldster. Hoe kreeg je voor elkaar dat je een dag met hem door mocht brengen? Welke verleidingstechnieken zet je in? John Schoorl: Ik had bedacht dat ik een best of boek van hem in Nederland wilde maken, bij Atlas Contact. Dan zou het verhaal in de Volkskrant komen, tegelijkertijd met het boek, waar ik de inleiding voor zou schrijven. De uitgever was enthousiast, en mijn chef bij Volkskrant Magazine ook. Tegelijkertijd wilde ik een verhaal maken met een Nederlandse honkballer bij de Yankees en de laatste Ramone, Marky Ramone (en nog twee andere verhalen, die ik maar gecanceld heb). En opeens bedacht ik me dat hij misschien met me mee wilde naar de Yankees, en dat vond hij zo te gek, dat het een bezoek werd van twee dagen.Hij trekt nu alle aandacht met zijn spectaculaire stuk in The New Yorker over een voyeuristische moteleigenaar. ‘Goddamn, wie koopt er nou een motel voor de seks?’

 

Gay Talese staat aan de bar in het Yankee Stadium en is echt toe aan een cocktail. 3) RK: Deze zin verwijst naar de eerste zin van Talese’s beroemdste verhaal ‘Frank Sinatra has a cold’ (Frank Sinatra, holding a glass of bourbon in one hand and a cigarette in the other, stood in a dark corner of the bar between two attractive but fading blondes who sat waiting for him to say something.) Wanneer bedacht je dat je zo wilde beginnen? JS: Toen ik bij de bar stond bij de Yankees, en hij een hele show opvoerde om wat te drinken te krijgen. De beste reporter aller tijden (84) wil een gin martini of doe maar een dubbele, want in het naseizoen van zijn loopbaan heeft hij zich in het spotlicht gemanoeuvreerd met een sensationeel verhaal over een geile voyeur en zijn motel in Colorado.

En als Gay Talese een gin martini wil, zoals hij die al dertig jaar lang zeven dagen per week voor het eten tot zich neemt, dan houdt niemand hem van dat voornemen af. In licht-kaneelkleurige jas, zijn groene, handgemaakte pak en met één van zijn veertig genummerde hoeden op, had hij bij binnenkomst in de honkbaltempel flink de vaart erin gehad, op zoek naar de eerste de beste bar.

‘Can you shake?’, vraagt hij ‘Mirjam’, de uitverkoren bardame in een te krap New York Yankees-pak.2)RK: Waarom staat de naam van de barvrouw tussen aanhalingstekens? JS: Vermoedelijk – ik weet het niet zeker – omdat het zo nadrukkelijk op haar kleding stond en hij buitenproportioneel daarmee aan de slag ging. ‘Nee! Niet die fucking goedkope gin! Een druppeltje vermout. Ho! Genoeg!’

‘Mirjam’ holt achter de bar van de ene kant naar de andere kant om Talese van zijn borrel te voorzien.

Wat zijn stijl was, wilde mede-garagist Henk Blankem nog weten. Een verhaal van John Schoorl herken je voordat je de byline hebt gezien – maar waaraan? De kenmerken van zijn stijl komen alle terug in dit verhaal over Talese, maar wat ziet John Schoorl als zijn stijl? ‘Misschien moeten jullie dat zeggen, als deskundige garagisten,’ reageert hij. ‘I go to Denver, is wel mijn adagium. Of dat zinnetje uit mijn reportage over De Anale Driehoek: Kijk, een nagelstudio in Reet. Upbeat, met liefde voor alledaags absurdisme. Ik hou van de lenige schrijfstijl van A.L. Snijders, of van hoe Amerikanen als W. C. Heinz, Gay Talese en Ian Frazier het doen, of John Fante en Joan Didion. Het optimisme van Martin Bril. De attitude van C.B Vaandrager en Hans Sleutelaar. De trompet van Lee Morgan. Ik merk eigenlijk dat veel gewoon gebeurt, zoals in een gedicht; opeens staat het er. Zo, ongeveer – is dit wat?

‘Pak een schijfje citroen. No! Are you crazy? Niet de hele schijf. Geef mij je mes! Je moet het vruchtvlees eruit halen. Jezus, is dat nou zo moeilijk. Goddamn, en hij dan? Geef die Nederlander ook een dubbele.’

Hij roert in zijn gin martini en neemt snaaks een slokje en als zo vaak wiebelen zijn wenkbrauwen mee.

‘Je bent prachtig Mirjam, ik geef je een reusachtige fooi. Is Cubaans geld ook goed?’ 4)RK: Dit is een fijne eerste scène, met mooie beschrijvingen en een levendige dialoog. Je ziet direct met wat voor man we te maken hebben. Is dat waarom je hiermee begint? JS: Dat is zeker waar, maar ik hoefde er weinig voor te doen, het gebeurde voor mijn ogen. Een schitterende kerel – en hij weet dat hij iets moet doen, voor mijn verhaal, hij wil ook indruk maken, of course.

Op de dag dat Gay Talese naar de New York Yankees tegen de Houston Astros gaat, heeft hij meer aan zijn hoofd dan een honkbalwedstrijd. Met inmiddels een halve cocktail in zijn mik staat hij aan de bar in volledig dandy-ornaat zijn demonen te verjagen. Zodat het verhaal over Gerald Foos, een voyeuristische moteleigenaar uit Colorado, niet als een alarm in zijn hoofd blijft afgaan. 5)RK: Hier zet je het verhaal op scherp. Je bofte dat precies die dag het stuk over Foos in de New Yorker stond. Daarmee kon je je verhaal op spanning zetten. Had je voordat je vertrok een andere spanningsboog in je hoofd – een plan B? JS: Eigenlijk niet, ik had helemaal geen plan. Ik dacht: als ik um spreek, en daar binnen ben in zijn huis, dat komt het wel goed.  Toen ik er was, begreep ik pas dat ik een enorme mazzel had. Alles kwam samen, en hij opende zich, zodat ik deelgenoot werd van deze superbe verhaallijn.

‘Man, hij leefde in het verborgene’, vertelt Talese na het nippen aan zijn cocktail, met licht-nasale stem vol swing. ‘Nu is hij uit de schaduw gestapt, zo in het volle licht. Jezus, wie koopt er nou goddamn een motel voor de seks? Dat geloof je toch niet? Deze gast wist wat hij deed, hij heeft er goed over nagedacht voordat hij aan deze voyeursexercitie begon. He puts his mouth where his eyes are.’

 

Toen hij kort hiervoor in zijn werkkamer zat, in zijn vier verdiepingen hoge huis in de Upper East Side in Manhattan, heeft hij Foos (78) nog aan de lijn gehad. The Denver Post was naar hem op zoek, Foos was doodsbang. Alles lag nu op straat door het artikel in The New Yorker. Nu wist de hele wereld dat Gerald Foos in de jaren zestig een motel had gekocht met als doel stelselmatig en bovenmatig gemotiveerd mensen te bespieden terwijl ze lagen te neuken – en dergelijke.

Jarenlang hield Foos logboeken bij waarin hij allerhande seksuele variaties gedetailleerd beschreef. Allemaal voor zijn eigen gerief, als voyeur, soms met zijn vrouw samen loerend naar de opgewonden clientèle, om het visueel gebodene als voorspel te gebruiken.

Vijfendertig jaar geleden ontmoette Talese zijn hoofdpersoon voor het eerst in het Manor House Motel, vlakbij Denver. Het voyeurisme werd hem daar uit de doeken gedaan als een zeldzaam erotisch krachtenspel dat hij met eigen ogen moest aanschouwen. Inderdaad: ook Talese zag door een spleet in het plafond een krikkend stelletje.6)RK: In deze passage vermeng je volks (neuken, krikken) en wat archaisch (gerief, clientèle) taalgebruik. Doe je dat expres? En zo ja, waarom? JS: Jazeker, dat geeft een mooie dynamiek aan het geheel.

Hij wilde Foos alleen tot een echt verhaal promoveren, zo liet hij hem weten, als hij all the way zou gaan, dus voluit met zijn naam en zonder particuliere grenzen. Ze hielden contact en het verhaal begon onder de pet aan een lange winterslaap. Totdat Foos zich in 2013 als een duveltje uit een doosje zich meldde bij Talese: hij zei er nu helemaal klaar voor te zijn, hij had het motel jaren geleden al verkocht en was niet bang voor een mogelijk juridisch vuurgevecht met ex-gasten.

Waarmee Talese maar wil zeggen: van een beetje geduld wordt een goed verhaal niet per definitie slechter.

Op een foto bij het artikel in The New Yorker staat een jonge Foos, die inmiddels een vetzak op leeftijd is en ergens anders in de staat Colorado woont. ‘Hij is doodsbang ontdekt te worden en dat er een bom door de ramen wordt gegooid’, vertelde Talese met een opwinding alsof het zijn eerste grote verhaal is. ‘In deze tijd van internet kan iedereen je traceren. Mensen vinden het achteraf toch niet leuk dat ze door een perverseling zijn begluurd. Goddamn, ik zou eigenlijk erheen moeten. Be the reporter at the report.’

Natuurlijk had hij aan de telefoon tegen Foos kunnen zeggen: ‘Hé man, wat zit je nu tegen me aan te ouwehoeren, je wist toch wat er ging gebeuren. En hou het kort, want ik ga naar een baseballgame met een Nederlander’. Maar dan weet hij al wat Foos zou zeggen: ‘Allejezus Gay, hoezo ga jij naar een baseballgame met een gast uit Nederland? Heb je nu echt niet wat beters te doen? Fuck him.’

‘Oh boy. Dat je uitgerekend nu hier bent, John.7)RK: Je bent een personage in dit verhaal. Dat is onvermijdelijk, want Talese neemt je op sleeptouw (of jij hem). Toch blijf je op de achtergrond. Nergens gebruik je een ik-verteller. Waarom niet? JS: Als je zo’n sterk personage in je verhaal hebt, is de ik overbodig. Ik heb nadien voor Hard Gras nog een verhaal gemaakt over deze ontmoeting in relatie met de ik die Talese hanteert, en mijn ik, en over de ik in zijn verhalen en de ik die hij is.  Dat verhaal ging over een Chinese voetbalster, waarover hij schreef in zijn autobiografie. Hij betrok mij telkens overal bij, toen ik bij hem was, en opeens, tijdens het schrijven, groeide dit zo, als een mooie verhouding van de meester en zijn leerling – en zo is het ook, in het echt. We voelden gelijk aan wat we beiden gingen doen, die dagen, en hoe goed de verhouding was. Echt, een topkerel die Gay. Zijn stem galmde na in mijn hoofd: Goddam John!  Wil je wel naar de game? We kunnen ook uitgebreid dineren. Om de hoek zit een uitstekend restaurant, alleen voor speciale gasten. Well, bier en hotdogs staan nu even niet bovenaan mijn verlanglijst.’

 

Als je eenmaal het ijzeren hekje van zijn huis hebt opengedaan en de naam Talese op de voordeur ziet staan, is er geen weg meer terug. Dan dien je te worden opgezogen door het journalistieke universum van Gaetano ‘Gay’ Talese, waar het behang met deadlines en adrenaline op de muur is gelijmd.

Het ging ongeveer zo:  op een dag was er het voornemen de grootste verslaggever aller tijden in zijn verslaggeverspaleis te ontmoeten.8)RK: Hoe bepaal je de opbouw van zo’n verhaal? Dit begint in het stadion, dan volgt een flashback naar eerder op de dag, dan een flashback naar eerder in het jaar, enzovoorts. Teken je dat van tevoren uit, of groeit het vanzelf? JS: Deels na de ontmoeting, maar het grootste deel ontstond al schrijvend. Ik had zoveel over hem gelezen, van hem gelezen, alles zat in mijn hoofd, en druppelde op papier. En dan is 2016 helemaal geen slecht jaar, want dan kun je zeggen dat het vijftig jaar na dato is dat in 1966 zijn drie meesterwerken in het Amerikaanse magazine Esquire verschenen.

Samen terugkijken met die ouwe krijger, naar de dagen dat hij het ritme bepaalde. Want hij is toch de man die op weergaloze wijze over zanger Frank Sinatra schreef (‘Frank Sinatra has a cold’), over honkballer Joe DiMaggio (‘The Silent Season of a Hero’) en over de man die de necrologieën schreef in The New York Times (‘Mr. Bad News’). Deze lange artikelen zijn in de Verenigde Staten overladen met lof en bestempeld als de beste journalistieke verhalen ooit geschreven.

Zijn gracieuze schrijfstijl gecombineerd met diepgravend onderzoek vormde in de jaren zestig het begin van wat ‘New Journalism’ zou gaan heten. Schrijver Tom Wolfe las het verhaal van Talese over bokser Joe Louis en zag hoe de verslaggever verteltechnieken uit de literatuur gebruikte: een literaire stroming was geboren, waartoe ook Truman Capote’s In Cold Blood wordt gerekend.

Daarna verschenen er van zijn hand vooral lange non-fictievertelsels in boekvorm, alle bestsellers en miraculeus in hun soort. Over de maffia, zijn Italiaanse afkomst, de seksuele revolutie, een brug en The New York Times – onderwerpen die hem zonder uitzondering dicht onder de huid zaten.

Talese zelf vond het overigens allemaal hoogdravend gelul, dat ‘New Journalism’ en het feit dat hij als de godfather van de literaire, verhalende journalistiek werd gezien. Echte verhalen over echte mensen maken, daar was en is het hem steeds om te doen.

Voor de rest moest je in zijn beleving als verslaggever vooral met je reet van je bureaustoel af komen. En als je niet nieuwsgierig bent, donder dan op naar een advocatenkantoor.

Hoe logisch is het dan om met Talese naar een wedstrijd van de New York Yankees te gaan, on the spot. Want als sportverslaggever bewoog hij van de middelbare school naar de universiteit om uiteindelijk bij The New York Times aan te schuiven. Hij was als adolescent een licht-freaky buitenstaander, een Yankee-fan die op jonge leeftijd in door zijn vader gemaakte pakken liep. Een honk stelen als speler zat er voor hem niet in, maar hij ontdekte dat hij door erover te schrijven behoorlijk dichtbij kon komen.

Naarmate de dag van onze ontmoeting naderde, werden de mails van Talese uitgebreider, hij liet weten nog een potje op het vuur te hebben. En dan doelde hij niet op talloze uitgebreide terugblikken in vooraanstaande Amerikaanse periodieken, de superdeluxe Taschen-uitgave van zijn Sinatra-artikel of dat hij de hoofdspreker zou zijn op een congres over verhalende journalistiek in Boston.

Er was dat verhaal over die knakker en zijn motel in Colorado, schreef Talese per e-mail. De kans was aanwezig dat precies op de dag van onze afspraak The New Yorker in de schappen zou liggen, als voorgerecht van een boek dat in juli dit jaar verschijnt, The Voyeur’s Motel. ‘Ik denk dat ik bezet ben en onder grote druk sta als je in New York bent’, schreef hij, twee weken voor ons treffen.

En: ‘Het is nieuwswaardig en erg controversieel. Of The New Yorker het echt gaat plaatsen, dat weet je nooit. Misschien zeggen ze op het laatst wel: ‘Dit is een en al ellende, onze reputatie gaat naar de haaien door zijn smerige artikel over een gore perverseling.’ We zullen zien.’

 

Gay Talese staat beneden in zijn huis, bij een kast vol overjassen, en hij kiest deze dag voor een rode sjaal.9)RK: Hier spring je opeens naar de tegenwoordige tijd, terwijl de eerste scène bij hem thuis nog in de verleden tijd was. Heb je daar een reden voor? JS: Van de actualiteit van het nu, van de actualiteit van de ontmoeting en weer terug. Ook dat gebeurt schrijvend, vanuit een soort logica in mijn hoofd. Dat soort dingen zie ik pas later, dat ze er zijn.  Overal in dit uptown-onderkomen foto’s van Gay en zijn vrouw Nan en hun twee dochters, Pamela en Catherine. Of Gay met president Clinton, Gay met president Reagan, Gay met president Carter. En vooral: Gay afgebeeld op de cover van diverse tijdschriften, op verschillende plekken zichtbaar in huis, zoals in de badkamer van zijn werkkamer, met de permanent druppelende kraan.

Het oog trekt vanzelf naar een groot schilderij van een dame met een fluorescerende vagina dat in de achterkamer hangt. Zijn Australische terriërs, Barclay en Benchley, zijn net door het uitlaatmeisje uitgelaten.

Zijn gemoedstoestand is te beschrijven als sharp as a tack – scherp als een mes. Om eerlijk te zijn kan hij het niet geloven dat hij al zo oud is, kijkend in de spiegel naar zijn 84-jarige, toch amper gelooide kop, met die electric boogie in zijn ogen. ‘Dit moet iemand anders zijn.’

Als hij met gezwinde spoed de trap afloopt naar de metro, op weg naar de Bronx Expres, houdt hij sierlijk en kordaat zijn hoed vast, terwijl zijn jaspanden mee wapperen.

‘John! Ga je die korte stop van de New York Yankees nog interviewen? Die Nederlandse gast, hoe heet-ie ook al weer?

‘Didi Gregorius.’

‘En?’

‘Nee, ik kreeg uiteindelijk maar vijf minuten.’

‘Vijf minuten? Was dat alles? Zijn ze gek geworden? Maar waarom geven ze je dan twee perskaarten?’

In een volgepakte metro met honkbalfans, op weg naar het Yankee Stadium, zet hij uiteen hoe naar deze setting te kijken, naar hem, Gay Talese, in een door de tijd verschuivend perspectief. Alsof hij de voice-over is in een bij voorbaat schitterende documentaire over zijn eigen leven. ‘Kijk, daar gaat de 84-jarige verslaggever in de metro, op weg naar een honkbalwedstrijd, net zoals hij dat deed in 1944, als 12-jarige kleermakerszoon.’

Toen zag hij ze voor het eerst, de New York Yankees, op een trainingskamp in Atlantic City, New Jersey. Sterspeler Joe DiMaggio zat op dat moment in het leger, zijn vervanger in het verre veld heette Johnny Lindell. Het team kende vooral chagrijnige spelers en Lindell was de enige die met een glimlach zijn handtekening zette op de honkbal van Talese. Als eerbetoon aan Johnny Lindell boekte hij als jongeling onder die naam motelkamers om daar met gewillige grietjes tijd te vermorsen.

‘Weet jij hoe lang ze in dat nieuwe stadion spelen?’, vraagt hij een Yankee-fan in de metro.

‘Ik geloof zeven jaar.’

‘Zo kort dus. Wat vind je van dit team?’

‘Mwahhh.’

‘Ze hebben geen sterren, toch? Je moet een ster hebben, zoals Babe Ruth of Joe DiMaggio vroeger. Rodriguez, een beetje. Maar die loopt toch op zijn laatste benen.’

 

Na de gin martini en anderhalve dim sum als borrelhap loopt Gay Talese naar de perstribune, of wacht: het is net of hij huppelt. Hij huppelt! Hij heeft er zin in, zegt hij, en elke liftboy, kaartjescontroleur of portier betrekt hij in zijn chit-chat, ras en gis overal naar informerend.

‘Waar is de persmanager?’, vraagt hij aan één van de journalisten. ‘Ze hadden toch zo’n leuke jonge vrouw? Lauren… Heette ze niet Lauren?’

Er was een tijd dat-ie geregeld naar de Yankees ging, zegt-ie, ook voor verhalen, zoals in 2012, toen hij voor The New Yorker een maand meeliep met Joe Girardi, de teammanager. Tegenwoordig ziet hij de meeste wedstrijden op een tv-scherm in een restaurant bij hem op de hoek, Donahue’s Steak House, samen met mannen van de brandweer.

Uit zijn binnenzak pakt hij een Mont Blanc-pen en – ja hoor, daar zijn ze dan! – zijn legendarische opschrijf-strookjes, aan beide zijden persoonlijk schuin afgeknipt, van karton dat stomerijen achterlaten om een overhemd te verstevigen. Die aantekeningen op deze strookjes schreef hij vroeger bij thuiskomst over op ander papier, deelde alles in scènes op van zijn verhaal, typte een gedeelte op de typemachine uit, herschreef het vervolgens als een zeer ruwe versie van iets dat een verhaal of boek moest worden. 10)RK: Na deze passage vroeg ik me af: heb je nog iets van de grote meester geleerd, een belangrijke les die je nu zelf ook toepast? JS: De belangrijkste les heb ik hem bij de tweede borrel al onthuld, terwijl we een Chinees hapjes verorberde: jij bent zo goed, omdat je zo’n aardige vent bent. Hij is gewoon een hele sympathiek kerel die met iedereen wil lullen, niemand de maat neemt, of vervult is van cynisme. Zo zei ik het hem, want zo zag ik het, net voor de honkbalwedstrijd. Hij heeft er zin in, is enthousiast, zit niet te zeiken, en houdt de vaart erin – al die dingen zijn bepalend voor wie hij is als reporter. Dat is een belangrijke les. En: Hij is gewoon een lieve man, en  romantisch-journalistiek aangelegd. En: get of your ass!

In zijn werkkamer bewaart hij alle stadia van zijn verhalen, talloze impressies, foto’s en knipsels in uitbundig gedecoreerde metalen systeemkasten, onderverdeeld in jaren en personen. Hij documenteert daarmee wie hij is, waar hij geweest is en wie hij heeft ontmoet – en wie kan dat beter doen dan hijzelf.

Je kunt zeggen dat Gay Talese zijn journalistieke methodiek en bewaardrift koestert, net als zijn tachtig tot negentig maatpakken, bij voorkeur afkomstig van het huis Antonio Cristiani, in 1911 opgericht in Parijs door een neef van zijn vader.

‘Waar kijken die reporters naar?’, wil Talese weten nadat hij zich heeft geïnstalleerd op de perstribune en hardop de samenstelling van de teams heeft doorgenomen.

‘Dat is Twitter.’ 11)RK: Ik vroeg me hier af met wie Talese praat. Met jou? Met een andere journalist? JS: Hij ziet  twee reporters op de perstribune  iets op Twitter posten. Ik leg ‘m dat uit, terwijl hij luidruchtig zijn ongenoegen kenbaar maakt.

‘Wat! Fucking Twitter?’

‘Ze posten berichten, tijdens de wedstrijd, over de wedstrijd.’

‘Dáár is de wedstrijd toch niet!? Hoe kun je dat doen, als voyeur on the spot? Zijn ze gek geworden!’

Sportverslaggevers zijn de beste verslaggevers, zegt Talese, terwijl de Yankees als eerste aan slag zijn. ‘Weet je waarom? Ze zien het voor hun ogen gebeuren. Wat er echt gebeurt in de politiek zien politiek verslaggevers niet. Dat gebeurt in achterkamertjes, pas daarna worden ze gevoed door lobbyisten en pr-lui. Oorlogsverslaggevers zijn nooit aan het front. Hier zie je waarover je moet schrijven.’

Wat-ie ook mooi vindt aan sport: dat het bulkt van de tragedies. ‘Zelfs Michael Jordan miste meer dan dat hij scoorde – en hij was de beste sporter aller tijden. Het zijn doorgaans arme mensen die rijk en succesvol worden en toch ten onder gaan. Gedoe met hun lichaam, verkeerde vrienden, doping. Goddamn, alles kwijt. Tragisch toch. Als een Wall Street-bankier coke snuift, verliest-ie niet eens zijn baan, laat staan dat-ie publiekelijk wordt uitgekafferd.’

Het stadion is maar voor de helft gevuld en de wedstrijd trekt kabbelend voorbij. Ineens verschijnt Didi Gregorius op een groot tv-scherm, om het Yankee-publiek ‘Nederlandse lessen’ te leren: ‘Graag gedaan’, zegt hij – en 5 minuten later slaat hij een honkslag, in het echt.

Talese vond het niks, als beginnend sportverslaggever, om alleen maar over winnen en verliezen te schrijven. Na twee maanden hadden zulke stukken geen waarde meer en kon je ze zo wegmieteren. Thuis las hij korte verhalen van Guy de Maupassant, Irwin Shaw of Ernest Hemingway – zo wilde hij schrijven. Carson McCullers portretteerde een jockey die zo mager was dat je kon zien dat hij net een lamskotelet had gegeten. Dat was het! Hij wilde echte mensen neerzetten, met hun eigenaardigheden, horkerige karakters, in waargebeurde verhalen. Non-fictie die las alsof het fictie was.

Op zoek moest hij naar wat de lamskotelet in de jockey van elke reportage kon zijn, om vervolgens die met een fijn kwastje op papier aan te brengen. Die verhalen moesten er vanzelfsprekend uitzien, ingetogen van toon. The art of making it look easy, noemt hij dat. Zie het als Joe DiMaggio die een bal vangt alsof het hem geen moeite kost. Een dansende Gene Kelly. Een zingende Frank Sinatra. Buddy DeFranco, swingend op klarinet.

‘Jezus John, wat een slome pot, dat je me hier mee naartoe hebt genomen. Laten we ophoepelen of op zijn minst wat gaan eten.’

Met een dienblad loopt Talese door de kantine voor de pers, hij zoekt een plek met zicht op een tv om de wedstrijd te kunnen blijven volgen.

Opeens schrok hij vandaag, als gevolg van alle muizenissen omtrent de voyeur en zijn motel. Alsof hij weer terug was in 1981, het rampjaar dat iedereen hem de maat nam. Want we kunnen wel doen alsof de loopbaan van Gay Talese een imposant en vruchtbaar verloop had, er was een tijd dat hij in paniek het land uitvluchtte. Na het verschijnen van Thy Neighbour’s Wife werd hij gezien als Perverse Klootzak Nummer Eén, zegt hij, prikkend in zijn fruit-salade.

Ergens in de jaren zeventig had hij het in zijn hoofd gehaald het Amerikaanse seksuele landschap journalistiek te verkennen. Nadat hij een keer pardoes in een erotische massagesalon was beland, besloot hij zijn eigen rol in deze sage op te plussen. Behalve dat hij uitbater werd van één van deze salons, gaf hij zichzelf ook de ruimte zich uitgebreid te laten aftrekken en dat als zodanig in detail te beschrijven.

De figuur ‘Talese’ maakte een rondreis door de seksuele knotse-kneuzenrally van het pre-aidstijdperk, van orgies met swingers naar een nudistenkamp, waar zijn penis als vooruitgeschoven post journalistiek participeerde. Want: ook als je over seks schrijft, moet je daar rondhangen waar het gebeurt en niet op de perstribune wortelschieten.

Toen het boek verscheen, werd Talese in alle toonaangevende kranten en tijdschriften afgemaakt. Thy Neighbour’s Wife werd beschouwd als pornografisch, geschreven door een ernstig zieke man. Hoe kon die nare perverseling, echtgenoot, vader van twee prachtige dochters, man met hoog aanzien in de literaire wereld, zich zo laten gaan?

‘Het boek werd een enorme bestseller, maar het was een rampzalige tijd. Mijn dochters waren boos, hun vriendinnetjes kwamen ineens niet meer langs. Nan had bijna de stekker uit ons huwelijk getrokken. Ik was bang om in de gevangenis terecht te komen. Het beeld dat ik van mezelf had, was heel, heel negatief, want ik had mijn gezin te schande gemaakt.’

Er zat niets anders op dan op zelfonderzoek uit te gaan – wie was hij, hoezo moest dit allemaal gebeuren – en waar kon Talese dat beter doen dan in Italië, het land van zijn voorvaderen. Al eerder bezocht hij Calabrië en hij stelde toen vast dat zijn vader er goed aan had gedaan in de jaren twintig de overtocht te wagen. Zijn volle neven, die net als hij Gay Talese heetten, sliepen op stro, tussen de kippen en de geiten. Met die tiendaagse reis van Zuid-Italië naar Amerika sloeg zijn vader in wezen honderden jaren over en veranderde de loop van de geschiedenis voor z’n familie.

Deze keer leerde hij dat mensen uit Maida, zoals de Talese-clan, geboren buitenstaanders waren, gevestigd hoog in de bergen in het zuiden van Italië. Harde werkers, boeren en kleermakers. Ze hoorden nergens bij, leefden geïsoleerd, ver weg van Rome en Florence. Zo voelde hij zich ook altijd, een buitenstaander, een eenzame verslaggever die vanaf een heuvel zijn omgeving bestudeerde. Uiteindelijk concludeerde hij de goeie keuzen te hebben gemaakt in zijn leven, dit was hij wie was. En verdomd, het boek over zijn Italiaanse achtergrond, Unto the Sons, kreeg juichende recensies – en hij voelde zich weer geaccepteerd.

‘Homerun! En alle honken waren bezet. Het wordt een lange nacht. Laten we gaan, John! Ik moet nog wat doen. Dan zet ik je in een taxi naar Brooklyn. Heb je wel geld meegekregen van de baas?’ 12)RK: In deze stadionscène (en ook in veel andere scènes) vermeng je reportage, interview en biografische informatie. Alles vloeit heel natuurlijk in elkaar over. De reportage-elementen dienen twee doelen: 1) ze tonen (show, don’t tell) wat voor man Talese is. 2) Ze dienen als lijm om al die biografische informatie bij elkaar te houden. Zie jij dat ook zo? JS: Jazeker. Op deze manier hou ik het tempo in het verhaal, en kan hij tegelijkertijd ontstaan als legendarisch reporter en als bijzonder mens.

 

Gay Talese staat voor zijn deur en zoekt al zijn zakken af van zijn Brioni-pak.13)RK: Hier resoneert een eerder zinnetje uit dit verhaal, waar Talese voor zijn kast staat. Toeval? JS: Ja, dat is echt toeval. Wat niet toevallig is de druppelend kraan. Dat vond ik zelf wel mooi, om die terug te laten komen, als imperfect detail behorend bij zijn perfecte werkplek. Die is er in het begin, en weer op het eind. Freaky! Er moet het een en ander gebeuren en dat moet zonder twijfel nú gebeuren – maar waar had-ie zijn sleutels ook alweer gelaten? Hij heeft slecht geslapen. Had-ie gisteravond bij thuiskomst van het Yankees Stadium maar niet zijn e-mail moeten gaan checken. Vanwege Foos dus – hij wilde weten of er nog wat gaande was rond de voyeur.

Hij heeft te veel aan zijn hoofd, zegt-ie. ‘Goddamn! Al die fucking boeken ook!’

Behalve het motelboek komt er een nieuwe collectie met verhalen uit. En is er dat non-fictieproject over zijn huwelijk, dat al geruime tijd op zich laat wachten. Beschouw het als een journalistiek boek over zijn eigen verbintenis, sedert 1959, waarvan hij de ene helft schrijft, en de andere helft wordt gevuld met een interview met Nan, door een gezamenlijke vriendin.

Moving the privacy, heet dat in zijn woorden, voorbij de eigen privacy gaan en je eigen huwelijk beschrijven alsof het om iemand anders gaat. ‘Ik wil geen geheimen hebben voor mijn lezers. Het is belangrijk dat de feiten kloppen, ook de vervelende. Het is wat het is.’

Om twee uur ging hij naar bed en om kwart over vier werd hij wakker en ging-ie naar beneden om een glas warme chocolademelk te drinken. Toen keek hij een sportwedstrijd, en nog een halve film, en is-ie weer naar bed gegaan. ‘Ik ben altijd een slechte slaper geweest.’

Hij moet vandaag dringend naar zijn bank in de Grand Central Terminal en onder zijn arm heeft hij een contract voor een Spaanse uitgave van zijn maffiaboek dat hij moet afleveren bij zijn agent op Park Avenue.

‘We gaan lopen. Wacht, we nemen eerst de metro. Maar ik moet echt op tijd terug zijn. Vanavond heb ik een diner in een besloten club, met een lezing van een dichter.’

In het metrostation koopt Gay Talese The New Yorker – met zijn eigen verhaal en naam op de cover, en een halte verderop vraagt hij om nog eens twee exemplaren, pulkend aan zijn oor. ‘Nee, niet New York!’, zegt hij, luidruchtig wijzend op het verkeerd aangereikte tijdschrift, met Donald Trump op de cover. ‘Ik wil The New Yorker. The. New. Yor-ker. Ja die! Dank u wel, juffrouw.’ Zonder te kijken, stopt hij ze in zijn tas.

Voor de bijna honderd jaar oude klok, in het midden van de hal van de Grand Central Terminal, staat hij stil. Daar zag hij haar lopen, midden jaren vijftig, zijn Nan. Hij kende haar wel vagelijk, en toen zij daar zo passeerde, was het herkenning op het eerste gezicht. Hij wist dat deze aantrekkelijke, slimme en aardige jongedame zijn vrouw ging worden en dat het voor altijd zou zijn.

‘De klok doet het nog steeds, net als mijn huwelijk’, zegt hij, op zoek naar een Italiaans restaurant. ‘Alles wat ik heb of doe moet lang meegaan. Een journalistiek verhaal moet over universele gevoelens gaan die over tien of twintig jaar ook gelden. 14)RK: Oké, John, deze vraag kon je verwachten. Wat zijn de universele gevoelens in dit verhaal over Talese? Waarom vinden mensen dit over twintig jaar ook nog mooi – wat zo is, denk ik? JS: Ik heb boven op zolder een doos met attributen, die allemaal met deze reportage te maken hebben. Zijn aantekenkartonnetjes, zijn snoepjes, wc-papier, de perskaart van de Yankees, bonnetjes. Ik heb nog steeds veel contact met hem, over van alles. Hij zit voor altijd in mij hart, zeker nadat hij me een prachtige brief had geschreven over mijn journalistieke skills, vanuit zijn optiek. Dit verhaal vertelt het verhaal van de journalistiek, en hoe die in mijn ogen in elkaar steekt. Dat het een geweldig vak is, en het altijd imposant is om weer te publiceren. Na jaren als onderzoeksreporter te hebben gewerkt, kwam ik bij het VK Magazine terecht. Dat ik daar de gelegenheid heb gekregen om dit te doen, en hoe ze het uiteindelijk in de krant hebben gezet, inclusief geweldige cover en fotografie, is echt ontroerend –  vind ik. Dat zijn mijn gevoelens, en wellicht deels universele gevoelens. Nooit Ophouden Altijd Doorgaan (NOAD) daar gaat het om, als verslaggever. Mijn pakken zijn voor eeuwig, mijn schoenen – alles. Mijn huis. Mijn vrienden. Zelfs mijn boeken, daarom update ik ze met enige regelmaat, dan blijven ze bij me. Als je er betekenis aan geeft, heeft het meer waarde.’

 

Bij Cucina & Co gaat hij aan een tafeltje zitten, de serveerster wordt verzocht zich te melden. Eigenlijk heeft hij haast, maar hij moet ook goed eten, zegt hij haar. Nu moet ze goed opletten, want hij gaat nu bestellen: één uiensoep en één sandwich – om mee te nemen. De sandwich moet ze zo verpakken dat-ie over twee uur ook nog vers is.

Auto’s – wat te denken van mijn auto’s, zegt-ie, en hij pakt een velletje papier en een pen. Eerst schetst hij zijn TR-3 Triumph uit 1957, en dan zijn 1971 Triumph ‘Stag’. Beide auto’s staan geparkeerd bij zijn weekendhuis in Connecticut. De Mercedes stationcar is in New York. Je moet vooral niet denken dat hij deze auto’s ooit naar de sloop zal brengen, hij heeft ze voor altijd, al kost het hem een fortuin aan onderhoud. ‘We hebben samen een geschiedenis! Mijn meisjes zijn groot geworden in die auto’s. Ik heb er met Nan tochtjes in gemaakt. We zijn een keer door het oog van de naald gekropen, in de TR-3 Triumph, en bijna in een ravijn gelazerd. Ik zag dat we wegslipten, maar Nan zat stoïcijns een kruiswoordpuzzel in te vullen. Ze zei geen fucking woord en het liep goed af. Daarom ben ik met haar getrouwd en daarom wilde ik nooit van haar scheiden. Grace under pressure – dat is Nan.’

‘Die uiensoep is veel te heet! Goddamn! Als ik ergens een hekel aan heb, is het aan te hete uiensoep. Kan iemand me helpen?’

Ook onder het rampjaar 1981 en zijn seksuele verkenningstocht heeft zijn huwelijk niet wezenlijk geleden. Een weekend lang nam Nan de benen, toen kwam ze weer thuis. ‘Ze wist dat ik vooral verslaggever was en dat die seks vanuit mijn verslaggeversschap erbij hoorde. Weet je, seks is niet zo belangrijk. Het gaat om respect voor elkaar. Geweldige seks is geweldig, maar het doet er niet echt toe. Ik zal het voor je spellen: R.E.S.P.E.C.T.’

Dan klinkt-ie zomaar door de ruimte, terwijl Talese het restaurant verlaat, the voice uit zijn allerberoemdste verhaal: Frank Sinatra, I got you under my skin.

 

Nan? Nan! Liefje, ik ben thuis.’ Talese legt zijn sleutels in een bakje bij de deur en verdwijnt ijlings naar zijn werkkamer. Hij gaat achter zijn laptop zitten en zet de bruine hoornen bril op z’n neus.

‘John! Kan jij de telefoon in de gaten houden?’, roept hij nog. ‘Kan je dat?’

Opeens is er niets anders in huis te horen dan Gay Talese die in een vaste cadans zijn toetsten indrukt, en de druppelende kraan in zijn badkamer. Manhattan – en eigenlijk de hele wereld – zijn buitengesloten terwijl hij contact zoekt met Foos.

‘Gay, The New Yorker aan de lijn. De fact checker wil je spreken. Wat moet ik ‘m zeggen?'15)RK: Ik vind het geestig hoe je jezelf neerzet, als een soort loopjongen van de grote baas. Heb je daar nog over getwijfeld? JS: Nee, helemaal niet. Ook dat vond ik heel grappig aan hem; dat knauwende scherpe New Yorkse, alsof ik een taxi ben die hij bestelt. Hij ironiseert het ook, op zo’n manier. En jezus, het is wel Gay Talese die je vraagt de telefoon op te nemen! En dan The New Yorker! Dat geloof je toch niet.

‘Wacht John, ik kom eraan.’

Als hij weer beneden is, doet Talese verslag van de jongste gebeurtenissen rond de voyeur. Foos blijkt drie doodsbedreigingen binnen te hebben gekregen en weet niet waar hij het zoeken moet. Blijf vooral binnen!, was de instructie van Talese geweest, een dag eerder. Maar Foos is ook buiten gezien, ergens in Colorado. ‘Waarom luistert-ie niet naar mij? Goddamn, begrijp je dat nou?’

Het kan niet anders dan dat hij hem gerust moet stellen, hij is de enige, in deze situatie. Zijn besluit staat vast, erop af, hij gaat een vliegticket regelen.

‘Nan! Nan!’

Nan komt de trap af als haar stralende, glimlachende zelf en Gay houdt haar even vast.

‘Is de auto voor vanavond gereserveerd?’

‘Zeker.’

‘Om twintig over zes?’

‘Ja darling, alles is geregeld.’

‘Great, maar alle andere afspraken de komende dagen moeten we afzeggen. Ik ga naar Denver.’ 16)RK: Fijne slotdialoog, waarmee het verhaal rond is: Talese gaat naar Foos. Was misschien nog krachtiger geweest als de lezer pas in de allerlaatste zin erachter komt dat hij het vliegtuig neemt. Nu heb je dat eigenlijk al verklapt een paar zinnen eerder. JS: Ik vond de zin: Ik ga naar Denver, en dan door hem uitgesproken, zo ongenadig goed, en zo upbeat, en vol energie. Dat moest de laatste zin worden, zeker in relatie met Nan, en de afspraken die ze hadden. Het is net zo iets als: er op af. Ik go to Denver. Het is in mijn optiek een metafoor voor journalistieke daadkracht.

 


The Voyeur’s Motel verschijnt in juli bij uitgeverij Grove in de Verenigde Staten. Uitgeverij Lebowski neemt de Nederlandse uitgave voor zijn rekening. Het bedrijf van Steven Spielberg, Dreamworks, heeft de filmrechten gekocht en de wens is dat Sam Mendes (o.a. van Spectre) de film gaat regisseren. Bij het ter perse gaan van dit magazine is nog niet duidelijk wanneer een Nederlandse editie van zijn gebundelde beste artikelen van de drukpersen zal rollen.17)RK: Tot slot: wat is nou jouw favoriete verhaal van Talese (en als je ‘Frank Sinatra Has a Cold’ zegt, ben je af, want dat heeft iedereen wel gelezen)? JS: The Silent Season of a Hero, over de honkballer Joe DiMaggio. De melancholie van de man die ooit een grote man was, en een prachtige vrouw had – waarmee je alle ex-sporters hebt gevangen. Mooier wordt het niet, en dat Silent Season wordt alleen maar stiller.

 

Be the first to comment on "John Schoorl bij Gay Talese: Voyeur van beroep"

Leave a comment