‘Ik heb me zijn moordenaar gevoeld’

Als arts zal Kea Fogelberg geen diep demente man doden die niet meer snapt wat er gebeurt. Maar toen haar man Hans dement werd, en dood wilde, móest ze hem wel helpen. Henk Blanken en zijn dochter Nina Blanken over het moeizame structureren van een verhaal dat bijna te mooi was.

1)Rik Kuiper: Je hebt dit verhaal met je dochter geschreven. Hoe kwam die samenwerking tot stand? Wat was de taakverdeling?
Henk Blanken: September 2016 publiceerde ik een essay op de Correspondent over euthanasie bij dementie. Ik schreef ook waarom dat mij zo bezighoudt: als parkinsonpatiënt heb ik een grote kans ooit ook te dementeren. Bij de reacties zat een mail van Kea Fogelberg, gepensioneerd huisarts in Leiden. Haar man was enkele maanden eerder overleden. Hij leed aan parkinson en dementie. De huisarts had hem op zijn verzoek doen sterven. Kea Fogelberg wilde dat ik haar verhaal zou vertellen. Ik vroeg Nina om hulp. Aanvankelijk zou Nina alleen de opnames van de gesprekken uitwerken, maar al snel vroeg ik haar ook bij de interviews te zijn, omdat ik moeite heb met lange gesprekken. We spraken af dat Nina vooral het levensverhaal van Kea en haar man zou optekenen, en ik me met de juridische en ethische kant zou bezighouden. Dat bleek een goede keuze. Nina is een uitstekende interviewer, empathisch en alert. Omdat zij dat deel van het interview deed, schreef ze ook de eerste versie van de meeste scènes.

Als Kea Fogelberg2)RK: Hoe lang hebben jullie Kea gesproken? Waren jullie dan ook met z’n tweeën?
HB: Eerst drie uur, waarna we een chronologie konden opzetten en de meeste scènes konden schrijven. Anderhalve maand later – Kea maakte in die weken nog een zeilreis in de Caraïben, spraken we haar nog eens vijf uur, vooral om aanvullende details over het levensverhaal te krijgen, en de ethische kwesties aan de orde te stellen. Dat ging over de spanning tussen haar rol als arts en euthanasiearts en over haar rol als partner, haar twijfel: hoe ver zou ze gaan om haar man te ‘helpen sterven’ als hij zelf zou wegzakken, het zou vergeten. Naast die gesprekken bij Kea thuis heb ik haar nog zeker tien keer telefonisch gesproken om die ethische kant echt scherp te krijgen. Die gesprekken duurden, denk ik, bij elkaar ook nog een uur of vijf.
die ochtend na kerstmis 2015 wakker wordt, ligt Hans niet naast haar. Ze staat op uit hun hoge bed met wieltjes en vindt haar man op de bank in de woonkamer. Hij heeft geen oog dichtgedaan. ‘Het is zover, Kea,’ zegt hij. ‘Ik stap eruit.’3)RK: Dit is een prima begin. ‘Ik stap eruit’ is een prachtig zinnetje dat niet meteen alles verklapt. Omdat ik eerdere versies heb meegelezen, weet ik dat jullie erg geworsteld hebben met het begin. Waarom is dit het uiteindelijk geworden?
HB: We hebben het hele verhaal zeker vijf tot acht keer herschreven, telkens met een nieuw begin. Mijn eerste idee was het te laten beginnen bij die zeilreis omdat Kea in de Caraïben de dood van Hans herdacht, een jaar nadat hij stierf. Dan zou het verhaal kunnen eindigen met de brief die zij met dertig andere artsen begin 2017 in de Volkskrant publiceerde. Daarin zegt Kea dat artsen geen demente mens euthanasie mogen geven als die mens niet meer weet wat hem overkomt. Die brief riep uiteraard vragen op. Hoewel een huisarts Hans uiteindelijk euthanasie verleende, wilde ik weten hoe ver Kea was gegaan in haar rol als partner.
Met die Caraïbische opening kwam het verhaal te langzaam op gang. De tweede optie was te beginnen met de twijfel van Kea die toesloeg toen Hans, drie weken nadat hij besloten had eruit te stappen, voor het eerst psychotisch leek te worden. Dat werkte niet omdat we onmiddellijk een flashback nodig hadden naar zijn besluit te sterven. De fout die ik maakte was dat ik zijn ‘psychose’ en Kea’s twijfel in de eerste zinnen wilde hebben, als complicatie van het verhaal, terwijl die complicatie aan het slot van de eerste scène moest staan.
Het ging pas goed toen we begonnen met het besluit van Hans en de brief waarin hij dat beschreef. Achteraf is het onbegrijpelijk dat ik niet meteen zag hoe sterk die openingsscène werd van de brief.

Haar man lijkt vastbesloten. Als hij het echt zeker weet, zegt ze, moet hij nu opschrijven waarom hij wil sterven. Dat kan niemand voor hem doen. Dan kijkt ze toe, hoort alleen het tikken van de tweehonderd jaar oude klok4)RK: Dat hier een klok tikt, lijkt me niet geheel toevallig. Hij verwijst naar Hans’ hobby, die later aan bod zal komen. Suggereren jullie er nog iets anders mee – iets als: de tijd tikt, we hebben haast?
HB: Niet zo letterlijk. Maar de klokken zijn wel degelijk bedoeld als metafoor. Ook omdat Hans in zijn bijna-psychose prachtige dingen zei over ‘de tijd’ en omdat het opruimen van zijn werkbank zo’n geweldig emotioneel en symbolisch moment was. Nina heeft daar alle denkbare details bij verzameld, zoals het merk van de werkbank en de vriendenclub van klokkenliefhebbers. Zo werden die klokken een terugkerend motief.
en het verbeten krassen van zijn pen als Hans ineengekrompen, zijn hand een stijf klauwtje, aan de eettafel zwoegt boven een geruit a-viertje.5)RK: Een erg krachtige zin, met goed gekozen woorden: krassen, ineengekrompen, klauwtje. Komen zulke zinnen in een keer, of gingen jullie er zeventien keer overheen?
HB: We zijn daar wel een middagje mee bezig geweest ja. We waren en zijn ons zeer bewust van het belang van sterke, actieve en beeldende werkwoorden.

het verbeten krassen van zijn pen, zijn hand een stijf klauwtje

‘Ik vind het…’, leest ze anderhalf uur later, ‘… heel moeilijk om mijn gedachten op papier te zetten, deels door dat ik…’ – er is iets weggekrast – ‘…moeizaam de woorden kan vinden die ik wil gebruiken en het op te schrijven.’
‘De laatste tijd,’ staat er, ‘moet ik steeds meer rekening houden met het verlies van tijd.’
Zijn weerspannige handschrift, de ternauwernood gevonden woorden. En dan, bijna zonder krassen, dat hij geen oude man wil zijn, afhankelijk van zijn kinderen of van haar. ‘Daarom wil ik dood en dat ik zo onhandig geworden ben, heb ik hulp nodig.’6)RK: Deze zin uit de brief is goed gekozen, juist vanwege de grammaticale onjuistheden. Daardoor is het dubbel functioneel. Had de scène hier niet moeten eindigen? De scène loopt hierna een beetje weg.
HB: Ja, de scène had hier moeten eindigen. Maar we kozen ervoor het verhaal helemaal Kea’s verhaal te laten zijn. Niet dat van Hans. Het ging over haar twijfel, haar gevoel zijn ‘moordenaar’ te zijn. Dat idee leek in de eerste scène te moeten.

Hoe vertel je het je kinderen, vraagt Kea.
Dat is moeilijk, geeft Hans toe, ‘want ze gaan zo erg huilen’. Zijn vermoeden klopt, maar uiteindelijk begrijpen ze hun vader wel.
Het zijn vooral buitenstaanders die vragen waarom Hans weg wil. Hij loopt toch nog, hij eet toch nog? En dacht Kea ook niet dat haar man, 75 jaar nu, nog wel vijf, zes of zeven jaar meekon?
Hans wil niets liever dan leven, weet Kea. Hij wil alleen niet dít leven. Zijn wens te sterven is onmiskenbaar, zegt een vriendin, die net als Kea huisarts is. Maar bijna drie weken na kerst slaat de twijfel toe, als Hans, ineens radeloos, zegt dat-ie iets vergeten is.
Kea schrikt. Is hij gek aan het worden? Haar man praat over zichzelf als over een ander. ‘Hans de Zeeuw gaat dood en wordt begraven,’ hoort ze hem zeggen. ‘Dan komt er iemand anders en die speelt voor Hans de Zeeuw. Dat heeft praktische consequenties.’

‘Als ik in de kist lig,’ vraagt Hans, ‘waar moet ik dan slapen?’

Consequenties? Wat bedoelt hij nou?
‘Als ik in de kist lig,’ vraagt Hans, ‘waar moet ik dan slapen?’
Later zit ze uren op een bankje in de polder, het weidegebied achter hun woning. Hun huisarts heeft beloofd dat hij Hans zal helpen, en Kea vertrouwt hem, maar zonder haar vergeet Hans ook nog dat hij steeds dementer wordt, en dat hij daarom wilde sterven. De chaos in zijn hoofd, de waangedachten… hoe hij plotseling piekert over de dood en wat daarna komt.
Kea moet zijn sterven regelen7)RK: Hier blijkt dat de hoofdpersoon ook daadwerkelijk in actie moet komen. Dat is belangrijk, want met een hoofdpersoon die alleen afwacht heb je geen verhaal.
HB: Dit is inderdaad de kern.
, niet als arts maar als partner, zoals ze ook zijn afspraak bij de tandarts plant. Toch twijfelt ze, als de arts die ze óók is. Wil Hans het wel echt? Wil hij toch niet liever blijven leven?
Wat is ze aan het doen? Alles weet ze van het lijden en de dood, nou ja, meer toch dan veel andere artsen, maar dit is zo hartverscheurend moeilijk… je man naar zijn dood helpen… want nooit weet je het zeker.8)RK: Dit is een cruciale passage in het verhaal. Hier wordt Kea een intrigerend personage: ze kent de euthanasiepraktijk als arts maar gaat deze nu van de andere kant meemaken. Dat is spannend, dat maakt dit verhaal anders dan andere euthanasieverhalen.
In haar 33 jaar als huisarts heeft ze 21 patiënten doen sterven, ook toen het nog niet mocht, soms op de ouderwetse manier, dat laatste duwtje, met wat extra medicatie. Vier keer vulde ze op de overlijdensverklaring in dat de man of vrouw een ‘natuurlijke dood’ was gestorven, terwijl het dat niet was. Een arts moet in de eerste plaats hélpen, vindt ze al een leven lang. Zij deed wat nodig was, en als ze daarvoor in de gevangenis kwam, dan moest dat maar.
Een andere tijd was het, die ook eenzaam was en naar. De familie mocht niemand vertellen dat oma euthanasie had gekregen. En als Kea het euthanaticum ’s avonds afhaalde bij de apotheek, voelde ze zich een misdadiger. Ze is blij met de euthanasiewet, maar er is een keerzijde. Aan het sterfbed is de familie tegenwoordig zo druk met die euthanasie dat ze vergeten afscheid te nemen. En dokters zijn alleen nog bezig met wat mag en niet mag. Niemand vraagt wat nodig is, wat écht moet.
Ze herinnert zich die oude dame. De vrouw wist niets meer. Alleen dat ze niet naar dat huis met al die vreemde mensen wilde. ‘Zoals Annie,’9)RK: Prachtig dit. wilde ze, ‘maar nu nog niet’. Toen de oude dame toch naar het verpleeghuis moest, zei ze: ‘Nu wil ik als Annie.’
Toen had de huisarts van de familie Kea gebeld. De oude vrouw was natuurlijk hartstikke dement, vond Kea, die als scen-arts – de afkorting voor steun en consultatie bij euthanasie – een second opinion gaf over het euthanasieverzoek. Kea wist wat de oude dame vroeg, ook al vroeg ze het cryptisch. Ze mocht sterven.
Nu vraagt haar man hetzelfde. Ze moet helpen, maar waarom voelt dat alsof ze Hans vermoordt?10)RK: Mooi zinnetje aan het einde van deze scène.

***

Op een zomerdag in 2013 wandelt Kea Fogelberg11)RK: In dit verhaal kiezen jullie het perspectief van Kea. Zo’n strenge keuze kan soms tot moeilijkheden leiden. Was dat bij jullie ook het geval?
HB: De eindredactie van de Volkskrant (een geweldige eindredactie, even geduldig als volhardend) hamerde er telkens op dat het Kea’s verhaal moest worden, juist omdat in haar twijfel de journalistieke meerwaarde zat. Nina en ik lieten ons in het begin meeslepen door het levensverhaal van Hans, ook omdat Kea dat zo graag wilde vertellen. Dat het zo lang duurde voor we die keuze maakte (dat dit Kea’s verhaal moest zijn), komt ook doordat ik Nina nooit helemaal duidelijk heb gemaakt wat de Volkskrant van ons verwachtte. Dom.
langs de klippen bij Täktom, een gehucht aan de Finse zuidkust, terug naar het zomerhuis waar ze als kind van Zweeds-Finse ouders al elke vakantie doorbracht. Ze groeide op in Nederland, maar twee zomers in deze streek, met zijn wirwar van rotsplateaus, strand en bossen, hebben haar gevormd. Als vijfjarige verdronk ze hier bijna, een jaar later kreeg ze in Finland tuberculose. Daarom is ze arts geworden (‘dan geef ik later prikken die geen pijn doen’). Als huisarts vond ze al dat sterven net zoveel aandacht moest krijgen als het begin van het leven. Als docent palliatieve zorg wilde ze dat overdragen op beginnende dokters. En ja, een tijdlang dacht ze na haar pensionering te promoveren op ‘het lijden’, al was het maar omdat dokters daar zo weinig aandacht voor hebben – ze repareren wat stuk is, terwijl ze ook moeten troosten.
Nog elke zomer trekt ze met Hans naar Finland. Ook nu. Ze wandelt het laatste stukje naar het zomerhuis. Dan ziet ze Hans, ontredderd. Geschaafde knieën, pijnlijke arm. Hij is naar het dorp gefietst om de NRC te downloaden op de iPad.

‘Man, je weet toch dat je niet meer kan fietsen,’ gooit ze eruit. Hans fietst al tien jaar niet meer, sinds bij hem parkinson werd vastgesteld.
‘Helemaal vergeten,’ mompelt hij bedremmeld.
Als arts weet Kea best dat je met parkinson een groter risico loopt. Ze ziet dat Hans z’n hoofd, zoals een vriend het formuleerde, niet meer weet wat zijn hoofd niet kan. Maar hoevéél haar man nu kwijt is, zal ze zichzelf pas durven toegeven als de neuropsycholoog vraagt hoe de koningin heet, en Hans
‘Juliana’ antwoordt.
Wat krijgen we nou?
‘Betekent dit,’ zegt Hans, ‘dat ik dement ben?’12)RK: Je schetst een scène in Finland, maar eindigt die bij een neuroloog. Waarom kozen jullie ervoor de eenheid van tijd en plaats hier op te geven?
HB: In deze scène ontbrak die eenheid eerst helemaal. Het was een samenvatting waarin we de tijd veel meer verdichtten. Toen we hem herschreven en met meer details beeldender maakten, werd hij ook sterker, maar paste dat laatste moment er steeds minder in. Ik vond geen andere oplossing.

***

Hans is een uitvinder, creatief, nieuwsgierig. Totdat hij op zijn 52ste werd afgekeurd, na een fietsongeval waarbij hij hersenschade opliep, ontwierp hij satellieten bij ruimtevaartorganisatie ESTEC. Nu schuifelt hij elke dag naar het Klokhuis. In dat tuinhuis, volgestouwd met wat hij overal vandaan bijeen gescharreld heeft, priegelt hij aan heel oude klokken en aan zijn meesterwerk, het uurwerk dat hij zelf bouwde, met twee slingers. Krankzinnig nauwkeurig.13)RK: In een eerdere versie van dit verhaal beschreven jullie ook hoe Hans ziek werd. Waarom is dat deel uiteindelijk gesneuveld?
HB: Omdat de Volkskrant steeds maar meer wilde weten over Kea en haar twijfel werd ons verhaal ook steeds langer. We hadden 2000 woorden afgesproken, maar op enig moment waren het er 3500. Dan moet je ook wel wat schrappen. Belangrijker is dat we, opnieuw aangespoord door de Volkskrant, meer focus wilden hebben. Dit verhaal gaat over een arts die als partner worstelt met euthanasie bij dementie. Dat daar parkinson aan vooraf ging was minder belangrijk. Maar als ik dit verhaal nog eens verwerk in een boek, komt ook die parkinson-scène terug.

Omdat hij niet kan opstaan uit hun lage bed, schroeft Hans een handvat aan de muur. Als de badrand te hoog is, doucht hij in het Klokhuis. Kea kan zijn gestuntel niet langer aanzien en suggereert hun woning te verbouwen. Hans wil er eerst niet aan, het huis is toch goed zo, maar geeft ten slotte toe.
Kea regelt de verbouwing. Een jaar lang schuifelt Hans achter loodgieters en timmerlieden aan, die dingen doen waar hij verstand van heeft. Hij mag meedenken – niet meer dan dat – maar als het werk in de zomer van 2015 gedaan is, de laatste technische uitdaging weg, ontdekt Hans hoe leeg zijn leven is.
‘Kea,’ zegt hij, ‘ik wil niet meer.’

Kea hangt briefjes in de meterkast: ‘Als hier iets moet gebeuren, Kea vragen.’

‘Alsjeblieft niet zeg,’ reageert ze. De verbouwing is nog maar net achter de rug. Ze kan het niet aan. En Hans gaat niet zo snel achteruit dat hij haast moet maken met doodgaan; zijn wil is nog niet aangetast.
Kea hangt briefjes in de meterkast: ‘Als hier iets moet gebeuren, Kea vragen.’
Ze koopt een slimme telefoon, die Hans uit elkaar haalt omdat het ding ‘kapot is’. En maakt zij voor hem een afspraak, dan vraagt hij zes weken lang elke ochtend hoe laat hij bij de tandarts moet zijn.
Hans verliest zijn besef van tijd, zijn zelfvertrouwen, zijn vrijheid. Zelf aan iets beginnen lukt niet meer, Kea wordt zijn ‘startmotor’. Elke ochtend mediteren ze in het Klokhuis. Dan vraagt ze hem wat er écht toe doet. Zijn klokkenvrienden, zegt hij, zeven oudere mannen met wie hij zijn passie deelt, en zijn klokken. Maar wanneer Hans zijn meesterwerk molt, het precisie-uurwerk met twee slingers, anderhalve meter hoog in een glazen kast, tot op de miljoenste seconde nauwkeurig, bekent hij zijn beste vriend dat zijn hersenen een gatenkaas zijn geworden.
Twee dagen voor kerst 2015 verkoopt Hans zijn klassieke, groenmetalen Schaublin, de Rolls Royce onder de draaibanken. Twee uur lang sjorren de kopers aan het apparaat. Twee uur lang huilt Kea.

***

En dan, die januaridag in 2016, bijna drie weken nadat Hans zijn besluit op een a-viertje schreef, is hij iets vergeten. Maar wat? Kea ziet zijn vertwijfeling als hij wil begrijpen wat er nog is als ‘Hans de Zeeuw’ er niet meer is. Ze kan hem amper volgen als hij uitlegt wat er gebeurt als je doodgaat, waar je ziel dan blijft. Ze noteert het in haar dagboek. Hoe je volgens Hans wordt opgenomen ‘in het veld van leven, als onderdeel van het grote, de totale massa’. ‘Tot je aan de beurt bent, dan ga je weer een stukje leven bestuderen.’
Uren zit Kea in de polder, bang dat Hans gek wordt, dat hij – zoals dat bij dementie maar al te vaak gebeurt – de controle kwijt zal raken, zijn besluit zal vergeten. Ze is bang dat hij wilsonbekwaam wordt en niet meer dood kan gaan zoals hij dat zelf graag wilde.14)RK: Ik vraag me af of alle lezers doorhebben hoe belangrijk dit fragment is. De beschrijving is te subtiel. Het punt is: als hij vergeet dat hij dood wil, gaat geen arts hem nog helpen sterven. En dan gebeurt dus wat hij niet wilde: hij wordt een kasplantje. Hadden jullie dat niet beter uit moeten leggen? Met meer emotie?
HB: Ik had zelf niet het gevoel dat het onduidelijk was. Wat meespeelde was dat dit deel, juist door die emoties, ook voor Kea heel moeilijk was om over te praten. En ook wilde ik – show don’t tell – niet te veel uitleggen.

Vier dagen voordat Hans zal sterven15)RK: Jullie geven hier belangrijke informatie weg: het gaat lukken, hij zal sterven. Waarom die spoiler?
HB: Daar had ‘zou’ moeten staan, in plaats van ‘zal’. De datum lag toen vast, bedoelden we te zeggen. Dit laat goed zien hoe lastig het is in verhalende reconstructies informatie uit te stellen.
, raakt hij in een trance. Onbereikbaar murmelt hij over de tijd die stilstaat voor ‘het dode lijk’. Kea is bang dat hij psychotisch wordt. De huisarts stelt haar gerust: dit is de hoogste vorm van concentratie, zegt hij, wacht maar af.
Kea weet dat ze haar man moet helpen, niet als arts maar als partner. Toch aarzelt ze. Ze voelt zich rot. Telkens als ze hem aan zijn wens herinnert, voelt het alsof ze hem vermoordt. Totdat een vriendin uitlegt dat Kea voor Hans is wat een blindengeleidehond is voor een blinde. De hond helpt en beschermt, de blinde heeft de regie.
Dit zal ze niet vergeten.
Dit is wat de dood van Hans haar leert. Een euthanasiearts begint bij dementie niets als de partner niet helpt. Maar dokters durven het daar niet over te hebben. Ze snapt dat wel. Hoe vraag je een vrouw of die haar man langzaam maar nadrukkelijk naar zijn sterven wil duwen? Dat kún je bijna niet vragen. Maar het moet wel.
Drie uur nadat Hans in trance raakte, is hij weer helder: ‘Ik begrijp dat ik geen antwoord zal vinden. Dank je wel.’
Hans heeft nog altijd de controle, maar wat, vraagt Kea zich af, als hij op het allerlaatste moment toch nog wegzakt in zijn dementie?
Ooit vertelde haar vader dat soldaten op het slagveld daar hun laatste kogel voor bewaren. Een barmhartige dood. Zoals in die film, Amour. Een vrouw laat haar man plechtig beloven dat ze niet naar een verpleeghuis hoeft. Hij drukt een kussen op haar hoofd terwijl ze spartelt. Veel mensen vonden dat gruwelijk. Kea vond het gruwelijk én invoelbaar.
Ze zou Hans helpen, ze zou hem desnoods zelf laten sterven. Niet als arts, maar als partner die haar geliefde al 27 jaar kent. Een intieme daad tussen hen beide zou het zijn, met de moed van liefde.16)RK: Er is veel aandacht besteed aan de laatste zin van elke alinea. Hoe belangrijk is die laatste zin?
HB: Heel belangrijk. Net als het laatste woord in een zin. Net als de laatste alinea in een scène. Net als de kicker aan het slot van een verhaal. Wat ik veel zie als ik over verhalende journalistiek vertel, of trainingen geef, is dat journalisten in de eerste zin van een scène aankondigen wat er gaat gebeuren. Die ‘topische zin’ is zo’n ingebakken gewoonte bij nieuwsverhalen en wetenschappelijke essays dat je hem er bij veel collega’s echt uit moet rammen. Heel vaak blijkt het dan niet de eerste zin van een scène te moeten zijn, maar de laatste.

***

Op de laatste avond komen de kinderen. Ze blijven slapen. Kea en Hans eten boerenkool met worst en spekjes. Nadat een verpleegster een infuusnaald is komen zetten voor het geval er de volgende ochtend iets misgaat, ligt ze met Hans op bed stil uit te buiken. Kea dommelt in, totdat ze Hans hoort zeggen: ‘Jij denkt zeker dat ik slaap hè?’
‘Nee.’
‘Want ik slaap nog steeds niet.’
‘Wat bedoel je?’
‘De zuster is toch geweest?’
Och god. Hij denkt dat hij al dood moet zijn.17)RK: Fijne dialoog.
De volgende ochtend, het is 4 maart 2016. Hans zit op de stoel het dichtst bij het raam, Kea in het midden, de huisarts ernaast en de vijf volwassen kinderen ertegenover.18)RK: Hebben jullie deze mensen ook nog gesproken, om de feiten uit het verhaal van Kea te checken? Is dat noodzakelijk bij zo’n verhaal, vinden jullie?
HB: We hebben het niet gedaan, maar dat had achteraf wel gemoeten. We hebben Kea telkens laten meelezen en wisten van haar dat bijvoorbeeld de kinderen van Hans ook meelazen. En Kea vond het belangrijk hen wat af te schermen. Maar toch hadden we het zelf nog moeten natrekken. Zelfs met de allerbeste bedoelingen is een pijnlijk misverstand er voor je er erg in hebt. De verantwoordelijkheid zoiets te voorkomen moet je zelf nemen als journalist en kun je niet bij de geïnterviewde leggen.
Ze praten over zeilen. De klok in de woonkamer slaat.
Jezus, denkt Kea, Hans heeft een startmotor nodig. Ze kan toch niet botweg zeggen dat hij nu naar de slaapkamer moet gaan? Ze slaat op z’n been: ‘Zo kapitein, hoe staat het ermee?’
‘Marcel heeft z’n koffie nog niet op.’
Als de huisarts zijn laatste slok neemt, staat Hans op en loopt naar de slaapkamer, naar hun hoge bed op wieltjes. Kea en de huisarts gaan mee.
Ze geven elkaar een kus. Hij drinkt zijn drankje. Zegt nog: ‘Die smaak valt mee.’
Kea roept de kinderen, eentje treuzelt. ‘Kom nou,’ roept een ander, ‘papa slaapt al bijna.’ Hans zucht twee keer diep, en is weg. De dood die na zestien minuten intreedt, voelt voor Kea Fogelberg niet als euthanasie, maar als een natuurlijke dood, die past bij Hans. Mooi, waardig. Maar het is niet vanzelf gegaan, je komt niet zomaar voorbij de dood.19)RK: In een eerdere versie van het verhaal was dit het einde en stond de informatie over de brief in een kader. Wat is er gebeurd?
HB: De brief in de Volkskrant viel buiten het chronologische frame van het verhaal en buiten de spanningsboog. Het verhaal eindigt immers met de dood van Hans en het inzicht van Kea. Maar tijdens de gesprekken over die brief kwam Kea steeds dichter bij haar eigen afweging en twijfel. Uiteindelijk hielden we een soort epiloog over dat aan het eind kon staan. Ik zou dat nu niet meer doen. Elk verhaal heeft zijn eigen wetten, en dit verhaal moest eerder afgelopen zijn.

***

Tien maanden na de dood van Hans ondertekent Kea Fogelberg samen met een dertigtal artsen een brief in de Volkskrant. In deze brief stellen de artsen dat er een morele grens is: dood geen weerloze, demente mensen die niet meer begrijpen wat er gebeurt.
Aanleiding voor de brief is het verhaal in de Volkskrant over een man die ooit een wilsverklaring tekende, maar nu wilsonbekwaam was. Zijn arts gaf hem appelmoes met een middel waarvan hij in slaap viel, waarna de euthanasie volgde.

Het euthanasiedebat is te zwartwit

Het had nooit zover mogen komen, vindt Kea Fogelberg. Die man leed, lag schreeuwend en spartelend op de grond in zijn poep.
Het euthanasiedebat is te zwartwit, hebben Kea’s ervaringen als arts en als mens haar geleerd. Het ene grote gelijk tegenover het andere, terwijl de werkelijkheid vol complexe grijstinten zit, zeker als de persoon die dood wil lijdt aan dementie.
Als arts kan zij een diep demente man niet doodspuiten. Maar stervenshulp, iemand bijstaan in die laatste fase, is iets anders. De timing is cruciaal. Die man… als Kea zijn huisarts was geweest, had ze hem eerder geholpen. Ze weet dat het hoogmoedig klinkt, maar ze had een relatie met hem kunnen opbouwen, met geduld, empathie, door zijn cryptische communicatie te gaan verstaan.
Toch lukt het niet zonder de hulp van een naaste. Hoe verschrikkelijk moeilijk het ook is, je moet als arts die partner om hulp durven vragen, vindt ze nu. ‘Door de dood van Hans durf ik dat advies nu te geven.’

Be the first to comment on "‘Ik heb me zijn moordenaar gevoeld’"

Leave a comment