Grootmeesters van het waargebeurde verhaal

Het is vaker druk in het hoofd van Freek Schravesande, maar wanneer hij een verhaal voor zijn krant gaat maken, wordt het daar vanbinnen pas echt menens. Een zenuwentoestand. Manisch, ja, dat is het woord ervoor. Goed dat hij alweer een poosje is gestopt met roken. Maar, mán, wat hij zichzelf los daarvan nog allemaal aandoet tijdens het schrijven – een bezoeking is het, elke keer opnieuw.

Eerst úren staren naar dat lege Worddocument. Dan voorzichtige poging nummer één tot wat mogelijk een beginalinea van een mooi stuk kan worden.

Backspace, delete, weg, weg, weg.

Nog eens. Poging twee. Staren. Twijfelen. Nee, weg er maar weer mee.

Poging drie.

Poging vier.

Kom op, misschien dat het bij de vijfde lukt.

De zesde dan? Pffft, backspace! Nog maar eens koffie halen, Keith Jarrett op de koptelefoon voor de tigste keer op repeat, diep ademhalen en, húp, poging zeven moet ‘m dan toch echt gaan worden.
… F*ck!

Staat de tekstweergave in het beeldscherm wel exact op 80 procent? Gék wordt Freek Schravesande van letters die in een groter corps voor zijn ogen dansen. Dan gaan ze voor hem ‘hijgen’. Gék wordt-ie ook van alinea’s die de lengte van zeven regels overschrijden. Acht regels is ondenkbaar, ook al staat er op die laatste regel maar één woordje. Weg ermee! Koffie. Koffie! En daarna weer helemaal van voren af aan beginnen. Net zolang tot dat openingsfragment wat hij in gedachten heeft er ook echt stáát.

‘We waren al bij Driebergen, bijna thuis. Hij zat links in de bus, ik stond nog half gebukt in het gangpad. Op dat moment haalde ik uit met rechts. Met gebalde vuist. Ik gaf een stomp, geen klap. Een man slaat niet met vlakke hand.’ Drie dagen later stond in de krant: ‘64-jarige leraar slaat 15-jarige leerling op schoolreisje tand uit de mond’.

Vervolgens kan het dan ineens van tsják-tsják-tsják gaan. Staat een verhaal van ‘m plotseling op eigen benen. Gaan de woorden en zinnen vanzelf over in galop, en is het dan vooral zaak in het zadel te blijven. Hij komt in een ‘ADHD-achtige toestand’. Losse beelden en complete scènes schieten in net zo’n rap tempo door z’n brein als ze op z’n laptop verschijnen. Om de twee alinea’s kan het perspectief wisselen, de aandacht worden verlegd, een nieuwe figuur opduiken, het verhaal een andere wending nemen. Net zoals het er in die kop van Freek Schravesande dikwijls zelf aan toegaat.

Schrijven in de Canadian Mix, noemt-ie dat.

Hij dankt de term aan zijn ontmoeting met de oprichter van de eerste skihut in Nederland. Een Rotterdammer, een grote, forse kerel, die door zijn ADHD niets van zijn leven had weten te maken, totdat hij die skihutbar op het Stadhuisplein opende. Het grandioze succes van die tent zit ‘m in de muziek die hij er draait. Een mix van totaal verschillende plaatjes, van André Hazes tot DJ Tiësto tot de polonaise, die elk steeds maar dertig seconden mogen duren – héél kort.

Schrijven in de Canadian Mix, noemt-ie dat.

Die man deed dat om de eenvoudige reden dat hij een spanningsboog heeft van nul. Maar zijn publiek vindt het fantastisch, en zo is skihutmuziek een apart genre geworden.

Later hoorde Schravesande van radiopresentator Jeroen van Inkel dat die stijl ook wel bekendstaat als de Canadian Mix. De naam verwijst naar de snelheid waarmee Canadese houthakkers van boom naar boom gaan om die om te zagen. Precies zo hak je in skihutmuziek, alles om de aandacht maar vast te houden en in die ADHD-roes te blijven.

Verrek, realiseerde Schravesande zich toen: dit is hoe ik zelf ook kan en wil schrijven. Hij heeft ook een korte spanningsboog, het kost hem moeite boeken en langere verhalen helemaal uit te lezen. Dus waarom zou hij zijn stukken niet zó maken dat ze zijn toegesneden op lezers zoals hij? Hoe vertel je een gebeurtenis zó dat je iemand moeiteloos door een artikel van 2000 woorden trekt? Nou, daarvoor heeft hij dan zijn Canadian Mix.

Mooie woorden – het geduld van de journalist

Freek Schravesande won in 2013 de Tegel voor journalistiek talent met zijn verhaal ‘Een man slaat niet met de vlakke hand’, dat hij voor NRC.Next schreef. Het is het indringende en schitterend opgeschreven relaas van een biologieleraar die zijn ontslag kreeg nadat hij een vervelende leerling tijdens een schoolreisje een klap had verkocht.

Het moment na de klap had de jongen hem verbijsterd aangekeken. Leraren slaan niet. Hij had zijn hand naar zijn bebloede mond gebracht, was opgestaan en naar voren gelopen.

Intussen was het muisstil in de bus. En net zo verbijsterd stond daar Buizer, op het middenpad. Strak van de adrenaline. Hij wist: hier is iets onherstelbaars gebeurd. Hardop zei hij, waarschijnlijk om zichzelf te troosten: ‘Ik ga toch bijna met pensioen’.

Schravesande kwam op het idee voor het artikel langs de weg die hij in zijn werk consequent bewandelt: het dagelijks doorvlooien van het nieuws in regionale kranten en op websites. Het kortje over de leraar trof hem omdat hij er alle goede ingrediënten voor een dramatisch portret in herkende. Een leraar – ha, dat moest wel een vent zijn die uitstekend uit zijn woorden kon komen. Een leraar biologie bovendien, dus iemand die wat afwist van impulsief gedrag en daarop kon reflecteren. En on top of it ook nog een aanstaande pensionado die vlak voor de eindstreep – en vermoedelijk voor het eerst – zijn zelfbeheersing had verloren.

Perfect rond, dat verhaal, concludeerde de Next-journalist terwijl hij het berichtje uit de krant scheurde – het hoefde alleen nog maar te worden geschreven.

Freek Schravesande mag, wanneer hij eenmaal aan het schrijven is geslagen, dan bezeten en in de koortsachtige flow van zijn Canadian Mix met een stuk bezig zijn, in het proces dat daaraan voorafgaat, is hij de rust en het geduld zelve.

Schravesande is rustig. Hij wacht een maand alvorens hij contact opneemt.

Niet meteen aan de telefoon gaan hangen om de ‘man van de klap’ nog diezelfde dag of week de kolommen van Next in te lullen. Zeer waarschijnlijk heeft die man zijn hoofd niet staan naar nóg meer vervelende publiciteit. Allicht ook mág hij er niet eens wat in de media over zeggen. Rustig. Rustig!

Schravesande is rustig. Hij wacht een maand alvorens hij contact opneemt. Het wordt een belletje van een paar minuten, dat alsnog te vroeg komt. Er blijken meer journalisten te zijn geweest die de Werdegang van Jils Buizer wilden optekenen, en de docent heeft ze een voor een afgepoeierd. Inderdaad, mede omdat zijn ontslagzaak nog onder de rechter is, maar ook omdat Buizer het gevoel heeft dat hij in de reguliere maalstroom van het nieuws de kans niet heeft om zíjn lezing van de gebeurtenissen goed over het voetlicht te krijgen.

Schravesande wacht. Een maand later zoekt hij opnieuw contact met de docent, die hem laat weten dat hij NRC-abonnee is en daarom ook Next een warm hart toedraagt, al kan ook dat hem niet verleiden in die kranten zijn zegje te doen: ‘Bel over een poosje nog maar eens.’ Wanneer Schravesande nog een maand later wederom bij Buizer informeert, hapt deze toe. Ontslagzaak, de zwijgplicht opgelegd door zijn schoolbestuur, het juridische gedoe – de biologiedocent heeft alle papieren er nog eens op na gelezen, en eigenlijk vond hij niets wat hem verbood zijn zegje tegenover een journalist te doen. Dus, vooruit: kom maar langs!

Uiteindelijk spreekt Freek Schravesande zo’n zeven uur met de leraar, waarbij hij bewust kiest voor twee afzonderlijke interviewsessies. De eerste keer hebben ze het helemaal niet over de klap, wel over zijn vak en over de reizen die Buizer naar Afrika had gemaakt. Schravesande wil zo veel mogelijk over de man en zijn leven te weten komen. Hij wil details die het drama verder kunnen laden. Daarvoor moet hij telkens gas terugnemen, Buizer vragen nog even stil te staan bij andere aspecten van zijn docentenbestaan.

Tussen het eerste en het tweede gesprek zitten twee weken – een spannende periode, want Schravesande moet er rekening mee houden dat Buizer zich alsnog bedenkt en het verhaal wil laten rusten. Pas tegen het einde praten ze over wat er zich gedurende die schoolreis nou precies heeft afgespeeld. En dat dan ook weer tot in detail.

‘Hoe hárd was nou precies die klap, kunt u een vergelijking maken?’

Zijn geduld en vasthoudendheid betalen zich uit. Door de tijd te nemen ontstaat een vertrouwensbasis, een klik. Die lange aanloop was nodig voor het best denkbare verhaal.

Het liep al tegen negenen en het was donker in de bus toen Buizer de mergpijpjes op de vloerbedekking zag liggen. Een open pak met enkele stuks verspreid in het gangpad twee rijen voor hem. Buizer was opgestaan, was naar het gebak gelopen en had het spul in het dichtstbijzijnde kotszakje gedaan. Half gebogen wendde hij zich tot de jongen links naast hem en zei: ‘Hoe kom je nou zo stom om kleverig gebak mee te nemen?’

‘Hadden we gewoon zin in.’

‘Heb je nog meer verrassingen in petto?’

‘Ja, een fles icetea en een halve fles cola. Oh nee, die fles cola heb je afgepakt. Kun je die gelijk teruggeven?’

Literatuur is het niet, wat hij maakt, zegt Freek Schravesande. Het draait bij hem niet om mooie zinnen. Hij kent niet eens zoveel mooie woorden. Hij wil gewoon een verhaal vertellen, zo pregnant, bondig en leuk mogelijk.
Toch is er ook wel wat voor hem veranderd.

Die leraar, dat was een eyeopener.

Zo wil hij verder.

De nieuwsframes loslaten en gaan voor je eígen verhaal.

Als dat verhalende journalistiek heet, dan moet dat maar.

Gay Talese en the new journalism

Het gedonder begon in de herfst van 1962 toen Gay Talese over de vierde vrouw van bokslegende Joe Louis schreef.

‘Hi sweetheart,’ begroet Louis zijn schat op het vliegveld van Los Angeles.

Ze glimlacht, loopt naar hem toe en staat op haar tenen om Joe Louis te kussen, maar aarzelt. ‘Joe,’ zegt ze, ‘waar is je stropdas?’

‘Aw, sweetie,’ reageert Louis, schouderophalend.

De bokser is in New York de hele nacht op stap geweest. Die stropdas kwam er niet meer van. Zijn vrouw reageert chagrijnig, want als Joe thuis is, slaapt hij alleen maar.

‘Sweetie,’ zegt Joe Louis, ‘ik ben een oude man.’

‘Joe,’ zegt ze, ‘waar is je stropdas?’

‘Wat is dit in godsnaam,’ vroeg Tom Wolfe zich af toen hij bij een kiosk het stuk van Talese in Esquire onder ogen kreeg.

Zo schrijf je niet. Niet zo dichtbij, niet zo intiem.

Joe Louis Barrow, de kleinzoon van slaven uit Alabama, was nota bene elf jaar lang wereldkampioen in het zwaargewicht geweest en werd door de meeste Amerikanen geadoreerd als de beste bokser aller tijden. Een ster. Een icoon. The Brown Bomber.

En die Talese, een featurejournalist die bij The Times werkte, zet deze Joe Louis neer als een oude man zonder stropdas. Alsof het geen journalistiek is, maar een kort verhaal.

‘What the hell is going on?’

Toen Gay Talese zijn portret van Joe Louis schreef, was hij dertig jaar oud. Talese, de zoon van een geïmmigreerde Italiaanse kleermaker, studeerde journalistiek in Alabama, de enige universiteit die hem wilde hebben. Daarna vertrok hij naar New York, waar hij een baantje aannam als kopijloper bij The New York Times. Enkele maanden later ging hij in dienst. Na twee jaar keerde hij als verslaggever terug bij The Times. In de negen jaar die volgden schreef Gay Talese twee boeken, waarna hij zich als zelfstandig auteur vestigde, en faam verwierf met artikelen over maffiabaas Joe Bonanno, honkballer Joe DiMaggio, zanger Frank Sinatra en niet te vergeten dat stuk over Joe Louis.

Wat dat verhaal in godsnaam was? ‘The King as a Middle-aged Man’, zoals het profiel in Esquire heette, had alle eigenschappen van een short story, zag Tom Wolfe, die zelf voor de New York Herald Tribune achtergrondverhalen schreef, en zich al een tijdje afvroeg hoe je in die features de techniek van fictie kon gebruiken.

Dat stuk over Joe Louis had de toon van een literair verhaal, constateerde Wolfe. En de opbouw in scènes. Misschien bevatte het ook traditionele passages, maar zelfs die stukken zou je zonder veel moeite kunnen ombouwen tot een literair verhaal.

Wolfe was verbijsterd. Dat een verslaggever Joe Louis zó portretteerde, was ongehoord – als een oudere, beetje sneue man die zich op het vliegveld verontschuldigt tegenover zijn vrouw.

Dat kan niet echt zijn, dacht Wolfe. Die dialoog… dat moet-ie verzonnen hebben.

Tegelijkertijd was dit stuk in Esquire zoveel beter dan wat Tom Wolfe van Talese had gelezen in The New York Times.

‘I had to check out what was going on.’

Gay Talese is ondertussen een man van even in de tachtig. Hij geldt nog steeds als de grondlegger van de new journalism – zij het alleen omdat Tom Wolfe hem die titel in 1973 gaf. Talese voelt zich daar ongemakkelijk bij. ‘That’s all bullshit,’ zegt hij in The New New Journalism (2005), de bundel interviews waarin hij wordt geportretteerd als de godfather van de jongste generatie vernieuwende journalisten in de Verenigde Staten, schrijvers die zich maanden, een jaar, tien jaar desnoods, in hun onderwerp verdiepen, en er een boek over schrijven.

Hun methode van immersion – je onderdompelen in de levens waarover je schrijft, net zo lang ergens rondhangen tot je het verhaal hebt – is uitzonderlijker dan hun stijl. Die intense, maar au fond ouderwets degelijke aanpak ligt Gay Talese beter dan het avant-gardisme van Tom Wolfe. Talese is een generatiegenoot van Wolfe, ze vierden hun eerste successen in dezelfde vroege jaren zestig. Als het over new journalism gaat worden Wolfe en Talese in één adem genoemd – met Truman Capote, Norman Mailer en Hunter S. Thompson – maar de verschillen zijn groter dan de overeenkomsten.

Talese lijkt in weinig op de flamboyante en extraverte Wolfe. Als verslaggever blijft Talese bij voorkeur onzichtbaar. Voor Esquire sjokt hij midden jaren zestig drie maanden achter Frank Sinatra aan zonder de zanger te spreken te krijgen. Desondanks beschrijft Talese in ‘Frank Sinatra has a Cold’ wat er gebeurt als Sinatra een koudje oploopt: ‘Sinatra with a cold is Picasso without paint, Ferrari without fuel – only worse.’

Talese zal niet ontkennen dat hij de Amerikaanse journalistiek heeft vernieuwd, maar niet zoals Tom Wolfe dat deed, niet met het vertoon van ijdelheden waaraan Wolfe – zuidelijke dandy in wit maatpak – zijn reputatie dankte, niet met diens barokke stijl, woeste interpunctie en onomatopeeën (klanknabootsingen als Varoom! Varoom!).

Ook staat Talese ver af van de gonzo-stijl van Hunter S. Thompson, halverwege de jaren zestig een obscure Californische journalist die anderhalf jaar optrekt met een chapter Hell’s Angels uit Oakland, dat ruige jaar amper overleeft en er een boek over schrijft waarin hij zelf een prominente rol speelt. En ten slotte is het werk van Talese ook onvergelijkbaar met dat van Capote en Mailer, beiden al gevierde literaire auteurs toen ze journalistieke non-fictie gingen schrijven.

…het rauwe geluid van de mensen die in je verhaal rondsjouwen, het vocabulaire van bouwvakkers…

De new journalists van de jaren zestig waren het, kortom, meer oneens dan eens. Dat neemt niet weg dat Tom Wolfe in de reportages van Gay Talese voor het eerst ontdekte wat er allemaal mogelijk werd wanneer je als schrijver van reportages literaire technieken gebruikte. Als je de toon van je stukken radicaal omgooide. Niet meer die belegen, neutrale, kleurloze stem van de professionele journalist – maar het rauwe geluid van de mensen die in je verhaal rondsjouwen, het vocabulaire van bouwvakkers, football-supporters, gedetineerden. Of de stem van je lezers. Of je eigen stem. Alles liever dan die mechanische omroeperstem.

In The new journalism, zijn pamflet uit 1973, beschrijft Wolfe hoe hij niet langer gewone reportages schreef, maar verhalen die geheel uit scènes waren opgebouwd – alsof het scenario’s waren. Hij begon te experimenteren met point of view en interne monologen. Hij nam complete dialogen op in plaats van af en toe een citaat. Hij ging helemaal los met interpunctie, uitroepen en neologismen. En niet in de laatste plaats typeerde Wolfe zijn personages aan de hand van hun gebaren, hun eigenaardigheden, hun smaak, hun tafelmanieren, de keuze van hun vrienden. Die tic, die hang up met statussymbolen, werd zijn handelsmerk.

Het manifest waarin Tom Wolfe verklaarde dat de new journalism het literaire establishment in de Verenigde Staten op zijn kop zou zetten, en de roman als kunstvorm voorbij zou streven, wat gevierde auteurs als Saul Bellow, John Updike en Philip Roth daarvan ook vonden, verscheen in 1973.

Twee jaar later sprak bijna niemand er meer over. Rond 1980 was de orde hersteld.

Zuigend heimwee – Martin Schouten en de nieuwe journalistiek in Nederland

Martin Schouten is al een ervaren rot als hij in de nazomer van 1975 even buiten het Zuid-Franse Barbentane melige grappen uitwisselt met zijn collega Frans Nypels. Voor de Haagse Post zijn ze naar dit dorp in de buurt van Avignon gereisd, op zoek naar anarchisten uit de Spaanse burgeroorlog. ‘Sfeer, melancholie, zuigend heimwee en toch links – dat was geknipt voor mij, vond de redactie,’ zal Schouten later zeggen.

De tip deugde niet. Ze kunnen niemand vinden. Omdat ze niet met lege handen thuis willen komen, besluiten ze in arren moede een verhaal te maken over de zoektocht zelf.

Schouten voert zichzelf op als ‘ik’. Frans Nypels figureert als ‘F.’ Zo lopen ze door de velden buiten Barbentane, horen de schoten van jagers, zien een haas, verdwalen een beetje, en kibbelen ondertussen over hun reportage. Geen Spaanse veteraan komen ze op het spoor, maar Schouten houdt stug vol dat ze wel ‘een verhaal hebben’.

‘Wij zijn het verhaal.’

Nypels wil er niet aan. Hij lijkt Schoutens flirt met new journalism niet te begrijpen. Bedenkelijke nieuwlichterij is dat. ‘Van nieuwe journalistiek heb ik geen verstand. Feiten moet ik hebben,’ bromt Nypels.

Schouten fantaseert verder:

‘Paranoia Tamborero’, zei ik. ‘Lekker dreigende titel.’

‘Die honden van die jagers vond je natuurlijk ook weer vreselijk gevaarlijk.’

‘Klootzak.’

We liepen het dorp maar weer eens door. De zondagmiddag had er zijn dode punt bereikt, er hing een vreemde beklemming in de lege straten. Werd er vanachter de ramen naar ons gekeken?

‘Tamborero woont hier niet, het verhaal van een mislukte reportage’ zal veertig jaar later nog altijd te boek staan als een hoogtepunt van literaire journalistiek in Nederland. Dat de reportage in het water was gevallen, maakte niets uit. ‘Tamborero’ ging eigenlijk niet over het verdriet van oude anarchisten, maar over nieuwe journalistiek. Heimelijk portretteerde Schouten het uit Amerika overgewaaide genre. Hij propte de principes van storytelling – dialoog, suspense, personages, metaforen, scènes – zelfs zo dicht op elkaar, en schreef zo lyrisch over ‘lieshoge graftomben’ en ‘ritselend cellofaan’, dat het een pastiche werd.

Die ironische, relativerende aanpak zegt achteraf ook iets over de status van de nieuwe journalistiek in Nederland. Martin Schouten wordt nog altijd beschouwd als een baanbrekend journalist. Toch zou narratieve journalistiek in Nederland lang een klein genre blijven, anders dan in de VS. Daar schreven Capote (In Cold Blood) en Mailer (The Armies of the Night) journalistieke non-fictieromans die de literatuur opschudden. In Nederland kon literaire journalistiek vooral rekenen op meewarige kritiek. Te persoonlijk, te weinig relevant, te veel náást het nieuws. Met respect sprak de goegemeente nog over beeldend kunstenaar en schrijver Armando, die in de jaren zestig de vernieuwing bij de Haagse Post in gang had gezet, maar tien jaar later was de glans eraf. Het werd een maniertje. Tot ver in de jaren zeventig opende de typische HP-journalist zijn reportage met een lyrische scène, gevolgd door flarden monologue intérieur, om het verhaal te besluiten met nog enkele onthechte, melancholieke observaties.

Het concurrerende weekblad Vrij Nederland volgde in die tijd de alternatieve lijn. Gedegen, niet per se literaire journalistiek – en dat maal tien. Gerard van Westerloo en Elma Verhey schreven ‘sociale reportages’ voor de kleurenbijlage. ‘De pont van kwart over zeven’. ‘Het geheim van Urk’. ‘De bestuurders van lijn 16’. Van Westerloo noemde het ‘de journalistiek van alledag’, omdat in die reportages gewone mensen aan het woord kwamen, omdat er levensgeschiedenissen werden verteld die niet uitzonderlijk waren maar de samenleving beter typeerden dan gewone journalistiek vermocht.

De verhalen, met een lengte tot wel 35 duizend woorden – een half boek –, zijn legendarisch geworden. Van Westerloo, de grootmeester van het narratieve achtergrondverhaal, zou zijn breed opgezette reportages blijven schrijven. In 2006 werd hij bekroond met een Tegel voor ‘Anja, Manja en Tanja’, het verhaal over drie vleeskippen. Van Westerloo overleed in 2012.

In de jaren tachtig en negentig drukten landelijke dagbladen steeds dikkere weekendbijlagen om aan de vraag van adverteerders te kunnen voldoen (‘Het geld klotst tegen de ramen op,’ zeiden ze bij de Volkskrant).

Het nieuws kromp. De krant werd zakelijk

Opinietijdschriften kwijnden weg. Daardoor verdween zowel de poldervariant van de nieuwe journalistiek als de extreme reportage zoals die door Gerard van Westerloo was gemunt. De dagbladen groeiden naar recordoplages, maar lezers klaagden over de ‘leeslast’ van al die bijlagen. Daarom kozen kranten voor een journalistieke koers die haaks stond op het experiment van de wilde jaren zestig en zeventig.

Het nieuws kromp. De krant werd zakelijk. Kwaliteitskranten als de Volkskrant en NRC Handelsblad wilden a paper of record zijn. Compleet, betrouwbaar, professioneel, afstandelijk. Reportages moesten het nieuws duiden en analyseren – we zouden er nog een decennium later bij opinieweekblad De Groene Amsterdammer het hybride genre van de ‘repolyse’ aan overhouden.

In het beste geval openden reportages met een sfeervolle scène en eindigden ze in ongeveer dezelfde toonsoort. Daar tussenin waren ze doorgaans degelijk, evenwichtig, koelbloedig, verantwoord en saai. Zelfs in de stukken die er echt toe deden, de onderzoeksjournalistiek die langzaam meer ruimte kreeg, ging het er niet om de lezer mee te nemen, te verleiden, te raken. Kranten kozen voor meer en groter beeld, voor meer infografieken, meer formats, meer columns, meer celebrities. Het waren de dagen dat Katja Schuurman voor het eerst de voorpagina van de Volkskrant haalde.

Het was niet de tijd voor lange verhalen. Het was geen tijd voor verhalen.

De pinky ring – Martin Bril herontdekt de verhalende column

In de Bunker, de zwaarbeveiligde provisorische rechtbank achter in Amsterdam-Osdorp, vindt Martin Bril op 5 december 1996 de new journalism opnieuw uit.

Voor Het Parool woont Bril het Hakkelaarproces bij, de geruchtmakende strafzaak tegen drugsbaas Johan V. Bij de meervoudige strafkamer leiden potige rechercheurs de getuige Karman binnen. Advocaten zuigen hartstochtelijk op besuikerde zuurtjes. En Bril denkt aan Breslin.

Jimmy Breslin.

Columnist van de New York Herald Tribune die begin jaren zestig vanuit kroeg of rechtszaal de grote gebeurtenissen beschrijft in kleine levens. Elke dag een kort verhaal. Het was Breslins vondst. Dat je als columnist niet achter een bureau hoeft te verzuren maar ook het pand mag verlaten, de straat op, poten in het bluswater. Breslin ‘worked like a Turk’, schrijft zijn collega Tom Wolfe in The new journalism. Een Ier met veel zwart haar en een buik, die zich koffiedrinkend en kettingrokend oplaadt tot hij begint te tikken. ‘It was quite a show.’

The big diamond ring on Tony’s pinky flashed…

Dat beeld bevalt Bril wel. Hij kent het verhaal over Teamster-boss Tony Provenzano. Breslin beschrijft hoe het zonlicht door de verweerde ramen van de federale rechtbank naar binnen viel en uiteenspatte op Tony’s ring: ‘The big diamond ring on Tony’s pinky flashed in the light coming through the tall windows of the corridor. Then Tony shifted and hit Jack with a right hand on a shoulder.’

In de bunker in Osdorp ziet Martin Bril de getuige Karman binnenkomen. Hij herinnert zich Jimmy Breslin, en denkt: ‘Dat wil ik ook.’ Waarna Bril de officier van justitie zal omschrijven als ‘een blozende blondine op zwarte muiltjes met gouden gespen en een druppel aan haar neus’.

Dat is niet wat Nederland gewend is.

Het stukje over de strafzaak wordt het begin van een dagelijkse column. Bril wil de werkelijkheid beschrijven ‘met literaire middelen’. ‘Niet zo maar een beetje rondlopen door de stad,’ vertelt hij later. ‘Het gaat om gebeurtenissen. Dat is geen discipline. Je leven staat ernaar. Het is net als je elke dag scheren. Ik doe ook raads- en commissievergaderingen. Bijeenkomsten over geluidshinder. Ga ik naartoe. Kijken of het wat is. Op pad. Even aanleggen om te kletsen. Winkels. Uitspanningen. Zwervers, treurige overbuurvrouwen, mensen die in Jezus zijn. Ik heb een ontzettende behoefte om van iedereen te weten wat-ie doet.’

In 2001 verhuist Martin Bril met zijn column van Het Parool naar de Volkskrant. Hij groeit uit tot de meest productieve en meest gevierde columnist van Nederland, tot hij in 2009 op 49-jarige leeftijd overlijdt.

Waargebeurde verhalen verkopen – maar alleen als boek

Toen Bril teruggreep op Breslin stond hij in de dagbladwereld vrijwel alleen in zijn liefde voor verhalende journalistiek. Bril schreef veel en prachtig, met een herkenbare laconieke toon (‘Enfin…’), en met een groot gevoel voor tragikomische, absurde anekdotes. Maar hoe hartstochtelijk hij ook pleitte voor lange verhalen in de dag- en weekbladen, voor de lenige non-fictie die hij zelf ook schreef, de journalistiek was te klein voor een tweede Bril.

Toch was er een tweede leven voor het grote verhaal, zij het niet bij de dag- of weekbladen. In 1991 verschijnt Atlas, een tijdschrift in boekvorm van uitgever Emile Brugman, dat naar het voorbeeld van het Britse Granta een podium biedt aan literaire non-fictie. Atlas houdt niet veel later op te bestaan, maar dan heeft Brugman al een uitgeverij opgericht die ook Atlas heet. Zijn door stapels boeken en manuscripten overwoekerde zolderkamer aan de Herengracht is the place to be voor schrijvers als Geert Mak, Jan Brokken en Frank Westerman, die zich ophouden in het schemergebied tussen literatuur en non-fictie, tussen journalistiek en roman.

het schemergebied tussen literatuur en non-fictie, tussen journalistiek en roman

NRC-redacteur Mak schreef historische verhalen over zijn stad (De engel van Amsterdam). Oud-HP-journalist Brokken publiceerde reisverhalen of romans die op zee of in een ver buitenland speelden. In hun kielzog komt ook Frank Westerman bij Atlas terecht. Nadat hij in 1995 als redacteur van NRC Handelsblad de val van Srebrenica heeft beschreven, publiceert hij een boek over die tragedie. Westerman droomt van iets anders, een literair non-fictie boek over de graanrepubliek, de oude wereld van graanbaronnen in Groningen – maar wie zit daar nou op te wachten?

Hoe ongerijmd is wat er dan gebeurt?

Terwijl dag- en weekbladen hun lezers steeds minder lange verhalen voorschotelen – stel dat ze afhaken omdat ze te véél waar voor hun geld krijgen –, publiceert Geert Mak een verhaal van vierhonderd pagina’s over een Fries dorp. Hij beschrijft de teloorgang van het boerenbestaan voor lezers die al jaren hun neus optrekken voor het platteland, laat staan voor de geschiedenis ervan.

Iedereen koopt Hoe God verdween uit Jorwerd. Met Geert Mak breekt de literaire non-fictie door naar een heel groot publiek. Strikt genomen is het genre niet nieuw, zo min als new journalism nieuw was; in de VS en ook in Nederland waren al voor de jaren zestig ‘waargebeurde verhalen’ opgetekend, door Simon Carmiggelt bijvoorbeeld, of Willem Wittkampf. Niet eerder werden die zo gretig gelezen.

De trend is nog manifester in de VS, waar creative nonfiction in de jaren negentig – met auteurs als Richard Preston (The Hot Zone) en Eric Schlosser (Fast Food Nation) – het snelst groeiende genre in de boekhandel is. De nieuwste journalistiek van Gay Talese heeft vertellers voortgebracht die leven als zwerver of gevangenisbewaarder, om er uiteindelijk bestsellers over te schrijven.

Waargebeurde verhalen verkopen. Hun auteurs worden warempel ‘een merk’, precies zoals de visionaire mediawatchers van die dagen journalisten adviseren die willen ontsnappen aan de malaise in de journalistiek. Na Mak is de weg vrij voor schrijvers als Judith Koelemeijer (Het zwijgen van Maria Zachea) en Annejet van der Zijl (Sonny Boy). Zij worden herkend, hun toon, hun stijl, hun onderwerpen.

Vrijwel niets van de hype dringt rond de eeuwwisseling door tot de dag- en weekbladen. Het genre van verhalende journalistiek bestaat in de pers zo goed als niet.

Begin jaren nul hebben de dagbladen wel het geld, de lezers en het papier, maar de visie noch het journalistieke talent om dit type verhalen te vertellen – de begenadigde eenlingen niet te na gesproken. Dat talent komt ook niet van de opleidingen journalistiek, die studenten afleveren zoals ze dat al sedert decennia doen, aankomende verslaggevers die zijn gedrild tot de multitalenten voor het crossmediale tijdperk, die van alles hebben geleerd qua taalbeheersing en journalistieke techniek – alles, behalve het vertellen van een verhaal.

Dat een verslaggever een verhaal vertélt, is domweg niet vanzelfsprekend. Dat hij een ander perspectief en een andere stem kiest, is tamelijk ongehoord. Op ik-verhalen rust een taboe. Vormexperimenten zijn uit den boze. Dat een journalist een spanningsboog opbouwt en de onthulling pas prijsgeeft in zijn laatste alinea, is zo goed als ondenkbaar.

Terwijl de literaire non-fictie zich in boekvorm te barsten bloeit, is van een levende journalistieke traditie bij de media geen sprake.

De prooi – hoe saaie financiële journalistiek een bestseller opleverde

Aan het begin van de eenentwintigste eeuw is Nederland het land geworden van journalistieke schrijvers, niet van schrijvende journalisten. Wie een verhaal wil vertellen maakt dat hij wegkomt bij krant, tijdschrift of omroep. De boeken van Mak, Westerman en Koelemeijer, en die van Amerikaanse nieuwe nieuwe journalisten als Michael Lewis (The New New Thing) en Jon Krakauer (Into the Wild), lijken dag- en weekbladen af te schrikken. Het zijn breed uitgesponnen historische of sociologische studies die altijd gruwelijk veel meer tijd en ruimte vergen dan kranten of tijdschriften zich kunnen veroorloven. Zo wordt het misverstand – verhalende journalistiek is geen ‘nieuws’ waarop dagbladlezers zitten te wachten – steeds groter.

Totdat iemand bewijst dat je over zoiets onappetijtelijks als de financiële wereld kunt schrijven alsof het een roman is.

Het is 2007 als Jeroen Smit een overhemd strijkt en een appeltaartje meeneemt naar een van de ruim honderd bronnen die hij zal spreken voor De prooi. Bijna allemaal mannen, zal Smit later in NRC Handelsblad vertellen, witte Hollandse mannen van tussen de vijftig en de zestig ‘die dachten dat ze de wereld konden veroveren omdat ze behoorden tot het old boys network rond ABN Amro’.

Smit beweegt zich soepel in dat milieu. Hij heeft bedrijfskunde gestudeerd en enige tijd gewerkt als juniorconsultant. Hij was redacteur van Het Financieele Dagblad, chef economie bij het Algemeen Dagblad en hoofdredacteur van het zakenblad FEM/De Week. Als freelance journalist had hij een boek geschreven over het bijna-faillissement van grootgrutter Ahold.

Met de opbrengst van die bestseller stortte Smit zich nu op ABN Amro. Halverwege de veertig inmiddels, gaf hij een jaar lang zijn inkomen op, en schreef een financiële thriller – niet over een instituut, maar over mensen. Over die mannen en hun machinaties, meer dan over geld. Het verschil tussen degelijke maar saaie onderzoeksjournalistiek en een dijk van een verhaal wordt duidelijk in de allereerste scène:

Rijkman Groenink is een jager. Op deze heldere zaterdagochtend in oktober wil de Amro-bankier eenden schieten. Samen met een jachtmaat dobbert hij rustig op een plas in de Noord-Hollandse Wieringermeer. Het geladen geweer is naar beneden gericht.

Groenink geniet van de spanning van het jagen. Van de risico’s en van het resultaat, van de intense smaak van het vlees dat je zelf hebt geschoten. Er moet wat geschoten worden, als hij gaat jagen wil hij niet met lege handen thuiskomen. De achtendertigjarige bankier doet alleen aan spelletjes mee als hij ze kan winnen. In alles wat hij doet, wil hij uitblinken.

Die dag in oktober speelt zich bijna twintig jaar eerder af. De bankier Rijkman Groenink zal, zo vertelt Smit even verderop, na de eendenjacht per ongeluk een schot hagel door zijn rechterarm schieten. Hij bloedt bijna dood, de arm wordt ternauwernood gered en zal Rijkman Groenink altijd blijven hinderen. Het tekent het ambitieuze karakter van de bankier dat hij vrijwel onmiddellijk weer aan het werk gaat, met links leert schrijven, en jaren later als topman van ABN Amro de jacht opent op buitenlandse banken. Maar Groenink is een jager die prooi wordt als drie buitenlandse banken zijn bank willen overnemen.

De prooi is een ongewoon boek. Al was het maar vanwege die openingsscène. Al was het maar omdat het hele boek niet één directe quote bevat, niet één citaat waarmee iemand iets zegt tegen de verslaggever. Jeroen Smit is in het hele boek niet één keer zelf aan het woord; hij laat het drama voor zich spreken, en alle hoofdrolspelers hun eigen waarheid houden.

Journalistieke methode: onderdompeling

Het vroor zes of zeven graden, in november 2008, toen Bas van Sluis onder een viaduct van de ringweg rond Groningen lepeltje-lepeltje in slaap viel naast een junk.Van Sluis, een verslaggever van nog geen dertig, wist waaraan hij begon. Niet hoe het zou aflopen. Hij had het nog nooit zo koud gehad.

Van Sluis had een woeste baard laten staan, zijn nagels laten groeien, en een alibi in elkaar gedraaid. Dat-ie gescheiden was, uit Den Haag kwam, aan de drank was en geen dak boven zijn hoofd had (‘Je moet wel kunnen liegen’). En dat allemaal – ‘Ik had Les Misérables gezien’ – om een verhaal te maken over zwervers, over dak- en thuislozen dus, de mensen die we niet zien staan.

Van Sluis had een woeste baard laten staan, zijn nagels laten groeien, en een alibi in elkaar gedraaid

Hij liep het pand van Dagblad van het Noorden uit, de straat op, zonder geld, zonder wat-dan-ook – behalve een muts en een fleece deken. Hij bleef acht dagen buiten, liet zich door passanten twintig of vijftig cent in de handen drukken, en sliep één nacht bij het Leger des Heils. Hij deelde een kamer van twee bij twee met een man met ingevallen wangen en net zo’n lange baard als hij, een man die heroïne op een lepel legde en er een brandende aansteker onder hield en toen begon te chinezen. En daar zo gek van werd, zo van het padje af, dat hij maar rond bleef lopen in dat kamertje van het slaaphuis, en Van Sluis wilde aanvallen omdat-ie dacht dat zijn kamergenoot een smeris was.

‘Hij jat m’n spullen,’ dacht Van Sluis, ‘of hij doet me wat.’

Een andere zwerver ontmoette hij onder het viaduct van de ringweg rond Groningen:

‘Hé gozer. Hier moet je niet zitten. Echt niet jongen. Het is veel te koud man. Hier ga je hartstikke dood. Dat red je niet. Ga maar met mij mee. Ik zorg wel voor je.’

Met bezorgde blik gaat hij in zijn vieze witte jas naast mij zitten. Onder het viaduct, waar ik zat te rusten en een sigaret te roken. Hij praat aan een stuk door en maakt driftige gebaren. Hij is een zwerver. Een echte.
Ik vraag hem of hij iets wil roken. Dat wil hij dolgraag, want het is al een tijdje geleden. ‘Ik heb een betere plek voor je om te liggen. Veel warmer. En dan liggen we tenminste droog. Ik heb nog ergens een matras liggen en wat kartonnen dozen en dan gaan we op mijn plek liggen. Saampjes. Oké?’

Oké. Na tien minuten praten gaan we op pad. ‘Ik help je gewoon. Dat moet op de straat. Ik heb niks tegen je, maar ik heb ook niks met je,’ waarschuwt hij. ‘Maar waar je net zat, daar ga je dood.’

Vijf jaar later herinneren wildvreemden Bas van Sluis nog steeds aan het zwerversverhaal, dat acht pagina’s lang werd afgedrukt in de kerstbijlage van Dagblad van het Noorden. Toen hij het schreef kende hij Ted Conover nog niet, de Amerikaanse journalist en schrijver die al in 1984 Rolling Nowhere publiceerde, de klassieker waarvoor Conover als hobo het leven deelde van andere, illegaal per vrachttrein rondtrekkende daklozen.

De journalistieke methode was dezelfde. Onderdompelen. Het leven van je personages leven. Of zoals Gay Talese zei: lang genoeg rondhangen.

Het derde leven van het journalistieke verhaal

En hij kent niet eens zoveel mooie woorden, moet Freek Schravesande hebben gedacht toen hij op 27 maart 2013 tijdens die gala-avond in de Koninklijke Schouwburg een Tegel in handen gedrukt kreeg. Talent van het jaar. De hemel in geprezen om zijn lijk in het kanaal, om de leraar die sloeg, om de naakte stokstaartmannen in de duinen van Hoek van Holland.

Als je ’t hem vraagt, weet Schravesande niet zo goed of dat nou allemaal verhalende journalistiek is.

Hij wil gewoon vertellen.

Die avond in Den Haag – Eva Jinek presenteert in een lange, soepel vallende, warmroze avondjurk, Nico Dijkshoorn rockt, Jeroen Smit is inmiddels hoogleraar en voorzitter van de jury – markeert een omslagpunt. De Tegeljury bejubelt niet alleen Freek Schravesande om zijn vermogen af te wijken van het gangbare. Bij de tweehonderdveertig inzendingen viel sowieso de aandacht voor storytelling op, voor het ‘meeslepende verhaal’.

Een team van zes verslaggevers van Dagblad van het Noorden en RTV Noord, onder wie Bas van Sluis, heeft een paar maanden eerder uitgezocht wat er in ’s hemelsnaam zo gierend mis kon gaan bij de ‘Facebookrellen’ in het Groningse villadorp Haren. Na vijf weken onderzoek luidde het antwoord: alles. Politie en gemeentebestuur hadden het ‘feestje’ voor de 15-jarige Merthe grotelijks onderschat. Ze deden te weinig, en ze deden het te laat. En jokten daar achteraf over bij Pauw & Witteman.

De acht tabloidpagina’s lange reconstructie – kom daar nog eens om in tijden van snacknieuws en formats – krijgt een Tegel in de categorie onderzoeksjournalistiek. De jury is te spreken over de wijze waarop ‘Feestje’ is opgeschreven: het verhaal laat de lezer de rellen en de aanloop ernaar toe van dag tot dag en van uur tot uur opnieuw beleven.

Dat is ook het geval bij Jan Hoedeman en Robert Giebels, verslaggevers van de Volkskrant, die binnen achtenveertig uur hadden uitgezocht waarom PVV-leider Geert Wilders in april 2012 met slaande deuren vertrok uit het Catshuis, en daarmee het gedoogkabinet van VVD en CDA liet vallen. Ook die Catshuiscrisis – Tegel voor ‘verslaggeving’ – is professioneel gereconstrueerd, met bronnen die zeven weken hadden gezwegen als het graf.

Verhalende journalistiek is aan een derde leven begonnen. De Volkskrant drukt weer langere verhalen af, zoals dat van Rik Kuiper – net als Freek Schravesande een dertiger – over een Friese Siamese tweeling. NRC Handelsblad experimenteert met longreads op internet, zoals die van Lex Boon – nog een dertiger. En bij Vrij Nederland bezweert adjunct-hoofdredacteur Robert van de Griend – dertiger – dat een stuk nooit te lang kan zijn – zolang het maar ‘een goed verhaal’ is.

Het is alsof de journalistiek ineens beseft hoe laat het is. Dat lezers worden overspoeld met nieuws dat kort, snel, mobiel, amusant en ook nog eens gratis is, met – zoals Jeroen Smit zegt – hele en halve waarheden en hele en halve opinies. En dat er onherroepelijk behoefte ontstaat aan verhalen die laten zien ‘wat het allemaal betekent’.

Na vijftien jaar waarin de pers een derde van zijn oplage verloor, willen journalisten betere verhalen gaan vertellen. Nog vaker onderzoek doen om nieuws op te diepen dat de lezer nog níet kent. En ze willen die verhalen beter gaan vertellen, met alle technische middelen die fictie al duizenden jaren te bieden heeft, in de wetenschap dat lezers – zoals Tom Wolfe al verbouwereerd vaststelde – een goed verhaal niet kunnen wegleggen zodra ze zich realiseren dat het allemaal ook nog waargebeurd is.

Een nieuwe generatie vertellers rammelt aan de poort. Journalisten die niets moeten hebben van vastgeroeste opvattingen over wat nieuws is, en wat ‘irrelevante mooischrijverij’. Schrijvers voor wie populariteit en kwaliteit niet per se haaks op elkaar staan. Dertigers die zijn opgegroeid met internet, met nieuws dat er altijd en overal is, in een treinkrant of op een website, als regel teletekst of bij vrienden op Facebook en Twitter. Het zijn journalisten die dondersgoed begrijpen dat je meeslepend moet kunnen vertellen wil je nog wèl gelezen worden. Dat zo’n verhaal verleidelijk moet zijn, krachtig, betrokken, met actie en cliffhangers en authentieke personages, geschreven met passie en vaart, tsják-tsják-tsják… en dat er wel wat moet gebeuren.

Be the first to comment on "Grootmeesters van het waargebeurde verhaal"

Leave a comment