Freek Schravesande over Ria, een verhaal van 18295 woorden

Natuurlijk wist Freek Schravesande wel dat zijn krant de laatste tijd meer experimenteert met journalistieke vormen. Maar dat het zó uit de hand mocht lopen. Man, wat een feest. Al ruim een jaar werkte hij aan ‘Ria’, een vrouw, moeder van drie koters, die op een dag in 1971 zo maar verdween. Niemand had nog iets gelezen. Toen belde de chef van NRC Weekend. Of Freek inderdaad… en hoeveel woorden dan… twintigduizend… de Oud&Nieuw bijlage had nog wel ruimte.

Lees Ria is weg bij NRC.

hoeveel woorden dan… twintigduizend… de Oud&Nieuw bijlage had nog wel ruimte

Freek Schravesande, verslaggever bij NRC Handelsblad, ooit bekroond met De Tegel voor journalistiek talent en verknocht aan vertellen, aan ‘een goed verhaal’, had toen nog anderhalve maand. Aan het verhaal over Ria had hij tot dan toe vooral tussen de bedrijven door gewerkt, op verloren middagen. Nu moest alles aan de kant. Een lange, lange longread. Op papier! Een hele bijlage. Dat het kón.

Wie herinnert zich nog zo’n stuk? Gerard van Westerloo deed het ruim tien jaar geleden in NRC-magazine. Nog iets langer geleden schreven Pieter Broertjes en Jan Tromp een Volkskrant-bijlage vol met het postume prins Bernhard-interview. Er zullen er meer zijn geweest, maar tot voor kort zochten kranten hun internetstrategie toch vooral bij ‘kort’, ‘snel’ en ‘clickable’. Wie besteedt er nou nog een vol uur aan één verhaal?

‘Ria is weg’ – 18295 woorden, leestijd: een uur – laat zien dat verhalende journalistiek, het genre dat ook al mocht uitbotten bij de Volkskrant en De Groene, nu tot het vaste palet van kranten behoort. Freek Schravesande koos zijn moment goed – en goddank kan hij vertellen.

Het begon, herinnert hij zich, alledaags. Een stille middag. En zin in iets nieuws. Hij zat wat te neuzen in rapporten en kwam terecht in een recent document over langdurige vermissingen. Wat zou, vroeg hij zich af, de meest onwaarschijnlijke verdwijning zijn? Veel zaken gingen over vermiste asielzoekers of psychiatrisch patiënten. Ria was anders: een moeder van drie kinderen die na een ruzie uit het echtelijk huis zomaar vertrok.

Hij werd nieuwsgierig, Freek. En wat ook hielp: na die vermissing in 1971 was er nauwelijks over Ria geschreven.

‘Op de redactie wist lange tijd vrijwel niemand dat ik ermee bezig was’

‘Toen ik aan de research begon, dacht ik aan de lengte van een gewoon artikel. Totdat bleek dat het verhaal die lengte zou moeten ontstijgen om het helemaal te kunnen vertellen – daar kwam ik pas gaandeweg achter. Op de redactie wist lange tijd vrijwel niemand dat ik ermee bezig was. Ik deed mijn onderzoek en interviews tussen het reguliere werk door en dacht: ik zie wel waar het op uitkomt, het kan altijd op internet in een longread. Als het daarbij was gebleven had ik het ook prima gevonden.’

Je onderzoek liep een jaar. Ik kreeg de indruk dat het niet toevallig parallel liep aan het onderzoek van Piet Noorlander, de rechercheur die op zijn oude dag in de vermiste personen dook.

‘Nadat ik in dat rapport over Ria had gelezen kwam er weer van alles tussendoor. De zaak bleef in m’n hoofd zitten en uiteindelijk dacht ik – op weer zo’n loze middag op de redactie – laat ik eens bellen met één van de dochters van Ria. Die moesten nu bijna vijftig zijn. Ik vond één van hen op internet en sprak met haar af in Haarlem. Toen zei ze: ‘Wat toevallig, bijna 46 jaar lang heeft niemand hierin interesse gehad, en nu ben je de tweede in één week’. Een paar dagen ervoor bleek een rechercheur haar dus ook te hebben gebeld. Het klinkt absurd, maar toeval bestaat.’

Hoeveel tijd heb je eraan besteed? Ging dat zonder gemor van collega’s? De krant moet immers ook altijd vol.

‘Ik heb het geluk dat er bij ons op de krant veel vrijheid is, zeker op een grote redactie zoals die van Binnenland. Er werken bovendien genoeg mensen om niet een permanente productiemachine te hoeven zijn. Dat is echt een voordeel van zo’n grote krant die goed draait. Dat geeft ruimte, je wordt niet voortdurend overvraagd. Er werd niet op me gelet. En natuurlijk maakte ik tussendoor ook allerlei korte en lange artikelen. Maar ik werk graag op verschillende snelheden – met dat verhaal van Ria op z’n allertraagst. Soms deed ik maanden niets, en dan weer was ik er een week intensief mee bezig. En vooral richting het einde – het schrijven kostte zeker een maand – was ik er wel echt bijna fulltime mee bezig.’

Heb je ondersteuning gehad tijdens de research en het schrijven?

‘Het voordeel van werken bij een krant als NRC is dat er veel professionals zijn met ieder eigen skills, in onderzoek, schrijven, interview etc. En sommigen werken er al dertig jaar, die zijn één bonk ervaring. Bij zo’n verhaal als over Ria passeerden een paar keer specifieke twijfels en vragen en daarvoor raadpleegde ik dan collega’s. Zo sprak ik halverwege een aantal keer met Jannetje Koelewijn – zij heeft veel ervaring met familiegeschiedenissen – en op het einde ook met Wubby Luyendijk – goed in relatiebeheer.

Specifieke twijfels, zeg je. Welke?

‘Halverwege het proces kwam ik voor de vraag te staan of ik ook in het dorp moest gaan roeren waar Ria verdwenen was. Als journalist heb je snel die neiging. Maar voor sommigen binnen de familie blijft het een pijnlijke geschiedenis en niet iedereen had zin in hernieuwde roddel en achterklap binnen de dorpsgemeenschap. Soms moet je juist iets níét doen, was een van de adviezen die ik kreeg.’

‘Het schrijven ging gelukkig makkelijker dan verwacht, ik wilde het niemand laten lezen voordat het helemaal af was. Daarna heb ik het aan de familie gestuurd en aan de Peter Zantingh, die zich opwierp als eindredacteur. Daar was ik blij mee, want hij heeft het echt nog beter gemaakt. Vooral op detailniveau, de opbouw bleef intact, op het begin na.’

‘Langzaam werd duidelijk dat elk familielid een eigen stem moest krijgen’

Had je voordat je met de research begon een idee van waar je zou uitkomen?

‘Aanvankelijk had ik in mijn hoofd om alleen de drie dochters van Ria te spreken. Ik wilde weten hoe het voor hen was om te leven met zo’n groot vraagteken. Al snel bleek dat de verdwijning effect had gehad op de hele familie en op hun onderlinge banden en dat het verhaal dus niet alleen kon gaan over de dochters. Langzaam werd duidelijk dat elk familielid een eigen stem moest krijgen en dat daarvoor ook echt de ruimte nodig was. Op hoeveel woorden het uit zou komen wist ik pas toen ik de laatste letter op papier gezet had.’

Wat waren de grootste tegenslagen tijdens de research? En de belangrijkste meevallers?

‘De grootste tegenslag was natuurlijk dat Ria niet is gevonden. Al was dat ook niet de intentie van mijn research, want die ging over de gevolgen van een vermissing. Maar stilaan hoop je toch dat er iets meer duidelijkheid komt, vooral voor de betrokkenen zelf. Een gelukje was dat Piet Noorlander parallel aan mijn research het echte onderzoek naar de verdwijning deed. Wat kon er die nacht van de verdwijning gebeurd zijn? Daar hoefde ik mij dus minder op te focussen, ook omdat we elkaar in het begin hebben ontmoet en afspraken dat hij na voltooiing van zijn onderzoek daarover zou rapporteren – als dat tenminste ethisch mogelijk was.

‘Voor mij was het dus ook een kwestie van wachten tot hij klaar was, en dat duurde bijna een jaar. Dat hij erover kón vertellen was uiteindelijk een geluk. Ik denk dat het misschien niet had gekund als bepaalde scenario’s vrijwel zeker geloofwaardiger waren dan anderen. Stel dat alle verdenkingen hadden gewezen in de richting van Jan, de echtgenoot, zonder dat je het zéker weet. Dan had de rechercheur die informatie misschien niet willen delen en had ik het verhaal niet op deze manier kunnen opschrijven. Misschien zou ik dan karaktermoord hebben gepleegd terwijl de vraag was gebleven of dat terecht was of niet. Maar de conclusie van de rechercheur was uiteindelijk: we weten het écht niet.

‘Grootste tegenvaller was uiteindelijk de dimensie ‘tijd’. Ik had op voorhand graag een reconstructie gemaakt van de verdwijning van 46 jaar geleden, maar dat is zó lang geleden… Herinneringen vervagen en verbleken en veranderen en iedereen heeft eigen, soms tegengestelde gedachten over hoe een gebeurtenis verliep, wie waar wanneer precies was, hoe mensen eruit zagen, hoe de omgeving was, welke kleur het tapijt, etc. Dat maakte een exacte reconstructie onmogelijk.’

‘zelfs geen compleet dna-spoor meer van Ria, alsof ze nooit heeft bestaan’

Ooit gedacht dat je het raadsel zou kunnen ophelderen?

‘Ik had gehoopt dat het zou worden opgelost, en nog steeds, maar mijn verwachtingen waren niet heel hooggespannen omdat al snel duidelijk was dat er vrijwel geen sporen meer zijn. Een teleurstelling in dat opzicht, ook voor de rechercheur, was dat het politiedossier uit die tijd niet meer te vinden was. En zelfs geen compleet dna-spoor meer van Ria. Alsof ze nooit heeft bestaan.
‘Doel van mijn verhaal was om lezers te laten voelen hoe het is om iets níét te weten, hoe tegennatuurlijk het is om níét te kunnen verklaren en duiden. Even heb ik gedacht het verhaal ergens halverwege een zin gewoon op te laten houden, zodat het bij de lezer begint te knagen, dat die gefrustreerd raakt. Misschien was het wat flauw geweest, maar zoiets zou de lezer misschien een klein beetje doen voelen wat de achterblijvers voelen. Namelijk dat er gebeurtenissen zijn, verhalen bestaan, die niet ‘rond’ en ‘af’ zijn.’

Op welk moment ben je gaan schrijven?

‘Toen ik al het materiaal had verzameld, aantekeningen vooral, heb ik ze achter elkaar op papier gezet en dat meegenomen op vakantie in Frankrijk. Een van de laatste vakantiedagen heb ik het allemaal nog eens gelezen en toen zat het in m’n hoofd. Na terugkomst ben ik het gaan schrijven, tussen de studenten in de universiteitsbibliotheek. Dat beviel goed.’

Hoe heb je het verhaal gecomponeerd? Een outline gemaakt?

‘Ik heb geen compositie of outline vooraf gemaakt. Ik ben achter het scherm gaan zitten en begonnen. Telkens hoofdstukjes van zo’n 1.500 woorden, dat bleek het beste te werken, en na elk hoofdstuk bedenken wat nu een logisch volgende zou zijn. Dat liep tot m’n eigen verrassing eigenlijk meteen vrij gemakkelijk. Alle elementen bleken logisch in elkaar te passen. Alleen de scene van de verdwijning zelf, die stond wat verderop in het verhaal, en die heb ik later op aanraden van de eindredacteur verplaatst naar het begin.’

Het verhaal over Ria begint ab ovo, bij het begin van alles, de vermissing van Ria. Alle betrokkenen hebben daar anderen herinneringen aan. Dat blijkt later de rode draad te zijn.

‘Dat is zo, maar wist ik nog niet zo duidelijk toen ik begon met schrijven. Daarom was het een goed idee van de eindredacteur, Peter Zantingh, om die scene naar het begin te halen. En daarmee dus ook in de eerste zin van het verhaal mee te beginnen. Het voelde wel even rigoureus om m’n eigen eerste zin te schrappen, maar daar was ik tevoren zelf toch ook nog niet helemaal tevreden mee.’

Wat was jouw eerste zin?

‘De achterkamer is donker, alleen vanuit een klein hoog raampje valt een lichtstraal op de muur. De gordijnstok hangt schuin, in het plafond zit een gat en op de kale tegelvloer ligt een dikke laag stof. Het is duidelijk, glurend door de vitrage van een afgebladderde voordeur, ooit groen. Dit huis is onbewoond.
Ria! Ze zou hier wonen. Misschien. Aan een pleintje in het centrum van het Italiaanse stadje Intra aan het Lago Maggiore, omsloten door bergtoppen die in de verte reiken tot in de wolken. Het is midden op de dag, de zon brandt op de straatstenen, een zwaluw duikt laag over de appartementen en op het pleintje, te midden van een doolhof aan nauwe straatjes, vicolos, is het stil. Iedereen heeft zijn luiken dicht. Roepen heeft geeft zin.
Ria Daanen, bijnaam ‘Puck’, verdween op 11 december 1971 en kwam nooit meer terug…. etc.

Doordat je in die nieuwe eerste scene zoveel betrokkenen noemt, introduceer je de personages heel beknopt, maar maak je het de lezer niet eenvoudig in het verhaal te komen.

‘Dat was wel de grote twijfel die Peter en ik allebei hadden toen we besloten die scene naar voren te halen. Ik had ’m eigenlijk iets later gepland, zoals gezegd, waardoor je al iets meer wist. Nu werd de lezer direct in het diepe gegooid. Dat is de sterkte én zwakte, denk ik.

Met een knipoog: ‘Uiteindelijk konden we gewoon niet iets beters verzinnen dan dit. Pech voor de lezer.’

Dat verhaalprobleem, de complexiteit van die twee grote gezinnen, is na de introductie weg. Je laat ze een voor een, en af en toe samen, vertellen.

‘Er waren zóveel betrokken die allemaal een stem in het verhaal moesten krijgen. En soms vond ik het belangrijk om ze gebeurtenissen samen te laten vertellen. Vooral als het over gedeelde herinneringen ging. Bij de tegenstelling trok ik ze juist uit elkaar.’

In het eerste hoofdstuk geef je ook meteen de achtergronden en de grote getallen over vermiste personen, zoals je dat ook zou doen in een gewone reportage. Die uitweiding houdt ook een beetje op. Heb je overwogen die zakelijke informatie in een kader te zetten?

‘Ik vond het toch wel belangrijk om zulke informatie onderdeel te maken van het verhaal. Juist om de relevantie van deze casus te benadrukken. Maar in een boek zou je dat misschien niet doen. Het blijft natuurlijk een verhaal in een krant. En misschien, nu je het zegt, had het ook niet echt gehoeven. Ik weet het niet.’

Door het hele verhaal heen spelen twee suggesties die de spanning erin houden. Jan zou Ria hebben vermoord. En Ria zou een psychiatrische patiënt zijn geweest. Beide vragen blijven onbeantwoord. Heb je buiten de bronnen in het verhaal nog anderen gesproken hierover? Kon Noorlander niets vinden over Ria?

‘Noorlander is niet verder gekomen dan wat in het artikel beschreven staat. Over een eventueel psychiatrisch verleden van Ria is niets bekend. Zelf heb ik ook nog twee klinieken benaderd, maar beiden beriepen zich op het wettelijk beroepsgeheim, ook na zoveel jaren. Ze mogen niet zeggen of iemand wel of niet in een kliniek verbleven heeft, ook niet na overlijden.’

‘Dat spanningslijntje mocht niet te lang duren, want het was wel érg dun’

In hoofdstuk 13 eindig je met een geheide cliffhanger. Je laat Noorlander zeggen: Er is nog één onderzoekslijntje. Verrek, dacht ik even, zou hij het mysterie dan toch oplossen. Maar zodra we op dat terras aan het Lago Maggiore zitten is die spanning weg…

‘Dat spanningslijntje mocht niet te lang duren, vond ik, want het lijntje was wel érg dun. Vanaf het begin wilde ik de lezer al niet te veel de suggestie geven dat er misschien toch nog van alles opgelost zou worden. Een beetje hopen mocht de lezer wel, zoals ook de achterblijvers die hoop hebben, maar zeker niet te veel. Dat zou flauw zijn en onrecht doen aan het verhaal.

‘Naar Italië ben ik geweest op de laatste dag van hun reis. Toen zaten Leo en Agnes er al een week en hebben ze op een terras verteld wat ze er hadden meegemaakt. Zij vertrokken de volgende ochtend en toen ben ik nog een dagje gebleven om zelf in alle rust te ervaren wat zij er hadden meegemaakt.’

Een narratief verhaal zonder bevredigende ontknoping is altijd lastig. Lezers en collega’s kunnen zich bekocht voelen.

‘Ik vond het in dit geval wel kunnen, omdat het verhaal nu eenmaal gaat over het onbevredigende lot. Juist die onbevredigde behoefte aan feiten leidt bij de achterblijvers tot emoties en verstoorde familieverhoudingen, dat ís het verhaal. Het is in die zin juist te hopen dat lezers zich een beetje bekocht voelen als ze het uit hebben. Dat het onbevredigend blijft. Dan heeft het verhaal doel getroffen.’

De kracht van het verhaal is denk ik dat het meer is dan een verhaal over een vermissing. Het is een familiegeschiedenis die laat zien hoe een traumatische gebeurtenis de levens van die mensen ingrijpend heeft beïnvloed. Is dat ook je uiteindelijke doel geworden?

‘Dat werd het uiteindelijke doel, maar daar kwam ik pas vrij laat achter. Pas toen ik alle betrokkenen had gesproken werd me dat duidelijk. En ook veel van de betrokkenen zelf kregen pas laat door dat dít hun verhaal was. Bij één familielid viel het kwartje pas toen die het verhaal een tweede keer las. Ze hebben allemaal 46 jaar geleefd met verstoorde familieverhoudingen, met spanningen en onuitgesproken gevoelens en gedachten, zonder te beseffen dat de verdwijning daarvan de oorzaak was.’

‘Ze hebben 46 jaar geleefd met verstoorde familieverhoudingen’

Ben je tevreden over het resultaat?

‘Uiteindelijk vond ik het belangrijk dat de drie dochters, en toch ook de andere familieleden, blij waren met het verhaal. Toen ik ermee bezig was, wist ik ook nog niet goed hoe ze het zouden vinden, en of de familie er wel oké mee was. Ik, als buitenstaander, hield de familie een spiegel voor. Ik had ze in een storm gebracht en de vraag was of het schip daardoor niet zinken zou. Dat was spannend, ook voor hun allemaal.

‘Ze werden geconfronteerd met elkaar en met zichzelf. Iedereen stond er ‘anders’ in. Het grootste geluk was dat alle familieleden, ondanks dat ze verschillend dachten, van elkaar accepteerden dát ze anders dachten. Dat heeft in het proces wel tot spanningen geleid, zoals dat in elke familie zou gebeuren. Maar gelukkig zijn het allemaal intelligente mensen en hebben ze van elkaar geaccepteerd dat ze anders denken. En konden ze ook nog eens allemaal heel mooi vertellen – dat helpt ook. Van de drie dochters weet ik dat ze blij zijn met het resultaat. Dat ze eindelijk het gevoel hebben dat hun verhaal verteld mág worden. En dat het een onbevredigend verhaal is, ja dat is dan zo. Maar dát is hun verhaal. Misschien dat het hen een beetje helpt.’

Laatste vraag: Waar is Ria?

‘Alle tips zijn welkom.’

Be the first to comment on "Freek Schravesande over Ria, een verhaal van 18295 woorden"

Leave a comment