Een aquarelletje van A. Hitler

Gespannen is Gertjan Dikken eigenlijk nooit als hij mensen ontvangt die een schenking willen doen.1)Freek Schravesande: Er zit meteen spanning in de eerste zin. Heb je er lang over moeten nadenken? En, veel schrijvers hechten grote waarde aan de eerste zin. Is dat eigenlijk terecht?
Rik Kuiper: Een goede eerste zin is in krantenverhalen belangrijker dan in boeken, denk ik. Je moet de lezer meteen veroveren, anders is hij al weer doorgebladerd. Ik probeer hier meteen de nieuwsgierigheid te prikkelen. Gertjan Dikken is gespannen – waarom dan? In een eerdere versie begon ik met de vrouw die het kunstwerk doneerde: ‘Ze wilde er vanaf. Deze vrouw wenste niets meer te maken hebben met het kunstwerk dat ze in de nalatenschap van haar ouders had aangetroffen. En nee, ze hoefde er geen geld mee te verdienen, ook al wist ze dat er de afgelopen jaren op veilingen voor vergelijkbare werken tienduizenden euro’s waren neergelegd.’ Ook een intrigerend begin, maar het leek me beter om direct de hoofdpersoon op te voeren. Dit is het verhaal van Dikken.
Maar op deze dag in maart, nu hij de vrouw met die plastic tas naar boven begeleidde, was dat anders.

Hij voerde haar de statige kamer van de directeur binnen, waar Dikken wel vaker spreekt met mensen die documenten uit de Tweede Wereldoorlog willen overdragen aan het NIOD, het instituut voor oorlogs-, holocaust- en genocidestudies. Daar namen ze plaats aan de ovalen tafel.

De vrouw haalde een pakket uit de plastic tas. Ze verwijderde het krantenpapier en legde een fletse aquarel voor zich neer in een donkerbruine lijst. Repen plakband hielden het hout bij elkaar.

Vanwege die lijst had haar vader dit kunstwerk gekocht, vertelde ze, tientallen jaren geleden, op een postzegel- en muntenmarkt in de buurt van Utrecht. Hij had er 75 cent voor neergelegd en kwam er thuis pas achter wat hij aangeschaft had. Daarna legde hij het ding in de kelder, om er nooit meer naar om te kijken.

De vrouw had het werk al aan twee veilinghuizen aangeboden, maar die waren niet bereid het te verkopen – vermoedelijk omdat ze bang waren hun naam te grabbel te gooien. Daarom was ze nu hier.2)FS: Stilaan doseer je in deze alinea’s je informatie. Je kiest één handeling en smeert het daar allemaal over uit. Mooi! En als je het artikel beter leest, blijkt er geen énkele alinea met louter droge, feitelijke informatie. Feiten worden telkens opgediend vanuit een bepaald perspectief, een verhandeling. Waarom kies je hiervoor? Waarom niet af en toe gewoon een alineaatje met feitelijke informatie?
RK: Ik ben zelf een ongeduldige lezer, gauw afgeleid, snel verveeld. Daarom wil ik dat mijn verhalen continu in beweging zijn, er moet iets gebeuren, er moet actie zijn. Alinea’s met feitelijke informatie remmen de boel af. Soms kan dat, als het verhaal goed op spanning staat en de lezer toch wel door wil lezen. Maar dan moet het wel echt heel goed zijn. Liever roer ik de relevante feiten door de actie heen, zodat de lezer nauwelijks merkt dat hij ermee geconfronteerd wordt.

Dikken vroeg of ze wel wist dat er de afgelopen jaren op veilingen in het buitenland tienduizenden euro’s voor vergelijkbare kunstwerken was betaald.3)FS: De spanning wordt hier almaar verder opgebouwd. Doe je dit bewust? Heb je ideeën over de opbouw van spanningsbogen? Wanneer werkt iets wel, wanneer niet?
RK: Ja, dat doe ik bewust. In grote lijnen teken ik een spanningsboog uit volgens de methode van Jon Franklin, tweevoudig Pulitzerprijswinnaar en auteur van Writing for Story, wat mij betreft het beste boek over non-fictieschrijven. Elk verhaal begint volgens Franklin met een ‘complication’: een problematische gebeurtenis waarmee het verhaal op spanning komt te staan. Aan het einde van het verhaal is er een ‘resolution’, een oplossing, die zorgt dat het probleem is opgelost. Daar tussenin ontwikkelt het verhaal zich. Elke gebeurtenis voert het verhaal dichter naar de oplossing.

Ja, dat wist ze, maar het maakte haar niet uit. Ze hoefde er geen geld voor, ze wilde ervan af.

Dikken bekeek het kunstwerk, een eenvoudig aquarelletje achter gebroken glas. In het midden zag hij een toren met een poort: de Neuthor, zoals het onderschrift vermeldde. Er liep een klinkerstraatje naartoe, waar hoekige schaduwen op vielen.

Nee, een meesterwerk was het niet, dat zag Dikken wel. Dit was een vrij saai stadsgezicht waar weinig leven in zat.

En toch kreeg hij kippenvel.

Want dit was niet zomaar een schenking, dit was de schenking van het jaar! Als het schilderij tenminste gemaakt was door de man die – helaas, mogen we nu wel concluderen – twee keer werd afgewezen bij de kunstacademie in Wenen, de man die zich vervolgens ontpopte als een hardvochtige dictator, de man wiens naam in zeven kleine blokletters rechtsonder in de hoek stond: A. Hitler.4)FS: Op naar de climax, dit moet heerlijk voelen om zo op te schrijven.
RK: Ja, dit is lekker. Ik bouw hier bewust heel langzaam op naar het laatste woord van de scène.

* * *

Een paar weken eerder, op 13 februari 2017, ontving Gertjan Dikken een e-mail waarin deze vrouw liet weten dat ze niet goed wist wat ze met dit ‘beladen’ kunstwerk moest.5)FS: Feitelijk bestaat het verhaal uit vijf hoofdstukken waarin de lezer steeds vanuit Gertjan Dikken een bepaald aspect van de reconstructie meekrijgt. Dat is heel consistent gedaan. Hoe bepaal je bij zo’n verhaal het perspectief?
RK: Ik hou van verhalen die vanuit één perspectief verteld worden. Het geeft focus aan het verhaal, het dwingt je om keuzes te maken en in te zoomen op één iemand. Het kan alleen als je een geschikte hoofdpersoon hebt: iemand die een probleem heeft dat hij zelf (grotendeels) oplost. Hier was het vrij evident dat dat Gertjan Dikken moest zijn. Hij nam de aquarel in ontvangst en deed het onderzoek.

‘Nu mijn ouders zijn overleden, zit ik ermee’, schreef ze. ‘Denkt u dat een museum belangstelling voor dit object zou kunnen hebben? Ik zou het in bruikleen willen geven of willen schenken.’

Wow.6)FS: Dit is zo’n woordje dat goed werkt hier. Tegelijkertijd vraag ik me af: hoeveel vrijheid permitteer je jezelf met zoiets? Heeft Gertjan Dikken dit zo gezegd of is het interpretatie? Ofwel, als je vanuit ‘iemands hoofd’ probeert te schrijven, zijn alle gedachten en emoties van diegene dan werkelijk zo benoemd door die persoon?
RK: Hier permitteer ik me enige vrijheid. Hij heeft dat niet per se letterlijk gedacht, maar ik had sterk de indruk dat dat woord zijn gevoel weergaf. Hoe hij erover vertelde, vond ik dat ik het met ‘Wow’ mocht samenvatten. Verder is het natuurlijk altijd gevaarlijk om gedachten te noteren. Ik doe dat alleen als mensen me verteld hebben wat ze op een bepaald moment dachten. En dan nog vraag ik me altijd af: zou hij/zij dat echt gedacht hebben?

Dikken was er even stil van. In de acht jaar die hij nu de acquisitie deed bij het NIOD was er nog nooit iets aangeboden dat… nou ja… van de Führer zelf was geweest, door hem was vervaardigd, misschien zelfs zijn dna zou bevatten.

Hij besefte dat ze snel moesten reageren. Misschien had de vrouw deze mail ook aan andere instellingen gestuurd – aan het Rijksmuseum bijvoorbeeld. Daar zouden ze eveneens interesse hebben.

Maar hij wist ook dat hij dit niet in zijn eentje kon beslissen. Zo’n prentje van Hitler had toch een ander karakter dan de meeste andere spullen in de collectie, die toch voornamelijk bestaat uit brieven, dagboeken, fotoboeken en ander archiefmateriaal dat de gruwelijkheden van de Tweede Wereldoorlog illustreert. Paste zo’n aquarelletje daar wel bij?

Dikken was naar de directeur collecties gelopen en later ook naar Frank van Vree, de directeur van het instituut. Vrij snel waren ze het eens. Het NIOD kon zo’n aquarel – voor zover ze wisten het enige werk van Hitler in Nederland – er prima bij hebben.

Onder het gebouw aan de Herengracht zit immers een flinke archiefkelder waar de temperatuur en de luchtvochtigheid op orde zijn. Daar liggen wel meer schilderijen, aquarellen en tekeningen, waarop vooral werkkampen en gevangenissen prijken. Zoiets als dit, dadererfgoed zeg maar, zou een mooie aanvulling zijn. Het ging ze niet om het kunstwerk, het draaide om de maker.

En dan speelde er nog iets mee. Als zij dit kunstwerk zouden accepteren, dan was het niet meer beschikbaar op de markt. Dan zou het in ieder geval niet als trofee aan de muur van een neo-nazi terechtkomen. Om diezelfde reden neemt Dikken soms exemplaren van Mein Kampf aan – of andere werken die hij ‘bruine literatuur’ noemt.

‘Bent u in de gelegenheid de aquarel een keer te komen overhandigen?’ typte hij dus. ‘Dan maak ik graag een afspraak met u.’7)FS: Dit hele hoofdstuk is alleen de gedachtegang van iemand die een e-mail ontvangt en zich afvraagt wat ie nou terug moet schrijven, en tussendoor kom je van alles te weten. Geweldig! Hoe interview je iemand om dit zo te kunnen doen?
RK: Dit was niet eens zo’n moeilijke scène om te schrijven. Ik had de mails in mijn bezit, waar ik uit kon citeren. Dat is fijn, want mails zijn harde feiten. Daar kon ik de scène mee beginnen en eindigen, zodat het een eenheid is. De informatie daartussen komt uit gesprekken met Dikken en Niod-directeur Frank van Vree. Ik vraag dan echt naar die details: ‘Goed, die mail kwam binnen. Wat heb je toen gedaan? En met wie heb je overlegd? En waar hadden jullie het dan over?’
FS: Heb je Dikken vaker dan één keer geïnterviewd? En had je tijdens het gesprek al een soort structuur bedacht?
RK: Eerst had ik een kort telefoongesprek met Dikken, toen heb ik bij het Niod twee uur met hem en directeur Frank van Vree gesproken en tijdens het schrijven heb ik een aantal details nog telefonisch met Dikken besproken. Al na het eerste telefoongesprek wist ik dat ik de schenking en het onderzoek verhalend wilde opschrijven.

* * *

Twee zegels op de achterkant van de lijst – daarmee begon het detectivewerk bij het NIOD. Want het bezit van zo’n beladen kunstwerk schepte ook een verplichting : ze moesten achterhalen of het wel echt van de hand van de Führer was. Er zijn immers veel vervalsingen in omloop.

De eerste zegel was een blauwe ovaal waar in witte letters een naam in stond: S. Morgenstern. Daaronder stond dat hij lijstenmaker was aan de ‘Liechtensteinstr. 4’ te Wenen. Een telefoonnummer vermeldde het zegel ook: 15066.

Ik ben zelf een ongeduldige lezer, gauw afgeleid, snel verveeld. Daarom wil ik dat mijn verhalen continu in beweging zijn

Dikken zocht op internet en leerde al snel dat een straatarme Hitler tussen 1908 en 1913 in Wenen had gewoond, waar hij zijn geld verdiende door ansichtkaarten na te schilderen. De jonge Adolf – hij was toen een jaar of twintig – verkocht zijn werk onder meer aan de joodse lijstenmaker Samuel Morgenstern, die de schilderingen in zijn winkel doorverkocht.8)FS: Je leert voortdurend van alles over de geschiedenis en allerlei randzaken, en dat alleen maar omdat iemand ergens een schilderijtje aanbiedt. Hoe ben je op dit verhaal gekomen?
RK: Een collega was Gertjan Dikken op de camping tegengekomen. Hij had haar over de aquarel verteld. Zelf had ze geen tijd het verhaal te maken, dus vroeg ze mij.

Dit zegel, concludeerde Dikken, duidt niet op een vervalsing.

En wat hij ook las was dit. Een kwart eeuw later, toen Oostenrijk zich in 1938 aansloot bij het Derde Rijk van Adolf Hitler, moest Samuel Morgenstern zijn winkel verplicht aan een Ariër overdragen. Tijdens de oorlog deporteerden de nazi’s hem naar Polen, waar hij in 1943 stierf in een getto in Lodz.

De tweede zegel was wit, vierkant en rafelig. Er prijkte een stempel op. ‘Exekutionsgericht Wien’ stond in dikke kapitalen rondom een adelaar met een kroontje. Het aquarel was blijkbaar ooit in beslag genomen door justitie. Zou dat gebeurd zijn toen de winkel van Morgenstern in 1938 werd ‘geariseerd’?9)FS: Je hebt het schilderij ook zelf gezien neem ik aan?

RK: Jazeker. Tijdens het gesprek bij het Niod hebben ze het voor me uit de kluis gehaald. Ik heb er toen meteen een foto van gemaakt, zodat ik het tijdens het schrijven kon bekijken. Later kreeg ik ook een high-res scan.

Directeur Frank van Vree, die ook reuze benieuwd was naar de authenticiteit van het werk, stuurde een foto van de zegel naar twee Oostenrijkse rechtshistorici. Al snel kwam er antwoord. Dat stempel was in gebruik tussen 1919 en 1934, schreven ze. En dus moest deze aquarel ergens in die periode in beslag genomen zijn.

Dat was ook een goed teken. Veel valse Hitlers stamden van na 1935, wisten ze. Niets wees erop dat de aquarel niet echt zou zijn.

* * *

Gertjan Dikken bladerde door het boek dat hij uit de bibliotheek van het NIOD had laten komen: ‘Adolf Hitler als Mahler und Zeichner’. Het was samengesteld door de Texaanse multimiljonair Billy F. Price, die uitgebreid onderzoek had laten doen naar Hitlers kunstwerken. Deze catalogus uit 1983 bevatte meer dan achthonderd olieverfschilderijen, aquarellen, tekeningen en architectuurschetsen – allemaal vervaardigd door de Führer, de meeste momenteel in bezit van privéverzamelaars.

Dat aquarelletje van de Neuthor in Wenen, dacht Dikken, zou er ook wel instaan.

Het was juni, het onderzoek naar dit kunstwerk was in een stroomversnelling gekomen. Dikken wilde erover spreken op een internationale bijeenkomst in Washington. Hij moest nu snel een voorstel schrijven. En dus las hij alles wat hij tegenkwam over de Weense jaren van Hitler, over zijn weinig succesvolle schilderscarrière en over de werken die bewaard zijn gebleven.

Kijk, daar op pagina 15 van het boek van Price kwam hij het zegel van Morgenstern al tegen, precies zoals dat ook op ‘hun’ aquarel zat.

Een pagina verder: veertig fotootjes van de verschillende manieren waarop Hitler zijn werk signeerde. In hoofdletters. In zwierig schoonschrift. En daar, midden op de pagina, zijn naam in letters die leken op de letters op de aquarel hier.

Dikken bladerde verder, langs een weidelandschap met een vijver en berken uit 1909, een landschap met een boerderij uit 1907, twee berglandschappen met een hert uit 1908. Sprookjeslandschappen waren het, vervaardigd door de man die zoveel ellende had aangericht.

Veroorloof je jezelf in zulke gevallen vrijheid? En waar ligt in dat geval voor jou de grens?

Maar geen Neuthor.

Verderop: bloemstukken. Daarna klein en in zwartwit: gebouwen.

En nog altijd: geen Neuthor.

Volgende pagina. Verder. Volgende pagina. En toen, jawel, daar zag Dikken dezelfde toren. ‘Alt Wien Neuthor’ stond eronder. Gemaakt tussen 1910 en 1912. Aquarel. Andere stijl, zelfde schaduwen.10)FS: Het is echt alsof je een film zit te kijken. De camera richt zich op het boek en je ziet het helemaal voor je. Ook hier vraag ik me af: heb je dan met Dikken samen dat boek nog eens doorgebladerd en hem heel precies bevraagd hoe hij dat zelf heeft beleefd die eerste keer? Of veroorloof je jezelf in zulke gevallen vrijheid? En waar ligt in dat geval voor jou de grens? En, wist je tijdens het interviewen al hoe je dit zou opschrijven?
RK: Ik heb het boek met hem doorgebladerd. Ik wist welke observaties en gedachten hij bij bepaalde pagina’s had. Later heb ik het boek zelf nog rustig doorgekeken, zodat ik kon beschrijven waar hij langs was gebladerd. Ik wist toen al dat het bruikbaar materiaal was voor een scène: Dikken bladerend door het boek.

Hij kwam nu in de buurt. Maar hoe goed hij ook zocht, een andere prent van deze toren kon hij niet vinden in dit boek van Price, dat gold als de meest uitgebreide catalogus van het werk van Hitler. Als de aquarel in de kluis van het NIOD dus echt door de Führer gemaakt was, dan was het nog onbekend.

* * *11)FS: Wat is hiervan precies de functie?
RK: De sterretjes geven aan dat er een knip in tijd en ruimte zit. Daarna begint een nieuwe scène op een ander moment en op een andere plek. Ik hou ervan om zo afzonderlijke scènes van elkaar te scheiden. Probleem is dat de eindredactie of de vormgeving de sterretjes soms wil verplaatsen of verwijderen. Dan wordt het een puinhoop, zeker als de volgende scène vrij direct begint, zonder dat tijd en plaats in de eerste zin genoemd worden.

Daar fietste Gertjan Dikken dan, dwars door Amsterdam met een Hitler in de koerierstas op zijn rug. Brug op, brug af, zo naar het Ateliergebouw van de afdeling conservering en restauratie van de Universiteit van Amsterdam.

Dikken was best een beetje zenuwachtig. Papierrestaurator Bas van Velzen had hem uitgenodigd om de aquarel aan een groep studenten voor te leggen en Dikken verwachtte dus een collegezaal met minstens vijftig man aan te treffen. Maar dat viel mee: het bleek een specialistische werkgroep te zijn met vier studenten, die zich na een korte introductie over het kunstwerk bogen.

Ze legden het onder een UV-lamp, en concludeerden dat het papier geen optische witmakers bevatte. Was dat wel het geval geweest, dan moest het papier van na 1942 zijn. Ze zoomden met een microscoop zo ver in op de handtekening dat ze konden zien dat die met een penseel was gezet. Ze plukten een snipper karton van de achterzijde en zagen onder de microscoop korte vezels van katoen en hennep, wat wijst op ouderdom.12)FS: Je leert hier, speels, van alles over schilderkunst, restauratie en optische witmakers. Dat is mooi.
RK: Dat moet in zo’n verhaal ook, vind ik. Tussen de regels door moet de lezer er ook iets wijzer van worden.

Wat vinden jullie er nu van, vroeg Dikken nog aan de studenten, dat jullie hier voor een kunstwerk van Adolf Hitler staan?

Twee van hen zeiden er niets bij te voelen, de twee anderen waren er wel van onder de indruk. Dit papier was aangeraakt door de man die de Jodenvervolging op zijn geweten had. Een gruwelijke dictator had deze gevels geschetst, de dakpannen gelegd, de klinkers gekleurd. Ja, als je daarover nadacht, dan kwam de geschiedenis heel dichtbij.

Na afloop van het college stapte Dikken op de fiets, het kunstwerk weer op zijn rug. Hij was deze middag weer een stuk wijzer geworden. Zowel Bas van Velzen als het hoofd van de afdeling papierrestauratie van het Rijksmuseum – die even kwam binnenvallen – zagen geen reden om te twijfelen aan de authenticiteit van het werk, al moest je altijd een slag om de arm houden. Ze konden nog meer doen, ze konden nog een monster nemen van de verf, om het pigment te dateren. Dat zou nog meer zekerheid geven.

Maar nu niet. Nu moest Dikken doortrappen, opschieten, bruggetje op, bruggetje af, dwars door Amsterdam. Het liep immers tegen half zes. Nog even en het gebouw van het NIOD zou sluiten. En om Hitler nou mee naar huis te nemen? Nee, dat vond hij toch niet zo’n prettig idee.13)FS: Mooi einde, terugkerend naar het begin. Heb je het einde altijd al in je hoofd als je begint te schrijven? Sowieso: schrijf je de structuur van het verhaal altijd eerst helemaal uit voordat je begint?
RK: Ik schrijf de structuur altijd uit, in ieder geval in grote lijnen uit. Soms is dat schema onvolledig. In dit geval wist ik dat het moest eindigen met de conclusie dat niets erop wees dat het werk vals was, maar wat voor scène dat zou zijn wist ik niet. Vertelde hij zijn vrouw erover? Legde hij het aquarel in de kluis? Het kon allemaal.
FS: Hoe lang heb je aan het verhaal gewerkt?
RK: Alles bij elkaar een dag of vijf, denk ik. Na publicatie kreeg het hele verhaal overigens nog een ongemakkelijk staartje. Ik werd er door dichter en vervalsingsdeskundige Bart FM Droog op gewezen dat het Niod wel erg snel concludeerde dat het waarschijnlijk een echte Hitler was. Hij kwam met allerlei aanvullende informatie, waardoor ook mijn twijfel over het onderzoek van het Niod groeide. Daarom heb ik nog groot een vervolgstuk gemaakt, waarin de kritische kanttekeningen aan bod komen. Niod-directeur Frank van Vree zegt in dat stuk het volgende: ‘Dat er redenen zijn te twijfelen aan de echtheid, hebben wij nooit betwist en het is de vraag of er ooit definitief bewijs te vinden is, zelfs met invasief materiaalonderzoek.’ Ik heb me door deze gang van zaken wel afgevraagd of ik me niet te veel heb laten meeslepen door het mooie verhaal (en de reputatie van het Niod). Misschien had ik meer experts moeten bellen om de feiten te checken, al betwijfel ik of ik dan bij Bart FM Droog of bij anderen terecht was gekomen die de bevindingen van het Niod zouden ontkrachten. Enfin, oplettendheid is geboden wanneer een mooi verhaal zich aandient.
FS: Je kiest ervoor om best een groot deel van je informatie in kaders te zetten. Waarom precies? En had het ook in het stuk gekund? (Aardig feitje over Saddam die romans schreef die ooit nog tot musical zijn bewerkt, haha).
RK: Dat had ook in het stuk gekund, maar dan had ik moeten afwijken van het gekozen perspectief: dat van Gertjan Dikken. Ik had dan achtergrondpassages moeten invoegen waarbij ik zelf als verteller de lezer aan de hand neem. Als het even kan doe ik dat liever niet, om de magie van het verhaal niet te onderbreken.

Deze reconstructie kwam tot stand na gesprekken met Gertjan Dikken, Frank van Vree en Bas van Velzen. De vrouw die de aquarel aan het NIOD schonk wil anoniem blijven.

About the Author

Rik Kuiper
Rik Kuiper is verslaggever bij de Volkskrant. Vaak tikt hij nieuwsberichten en dagreportages, maar het liefst sleutelt hij aan minutieuze reconstructies van meer dan 3000 woorden. Of die nu gaan over de geboorte van een Siamese tweeling of over een fatale beklimming van Mount Everest – het maakt hem niet veel uit, als er maar interessante personages in voorkomen die geconfronteerd worden met onalledaagse problemen. Enkele jaren geleden richtte Rik met een paar andere journalisten de Conferentie voor Verhalende Journalistiek op, die elk jaar meer dan honderd journalisten trekt. Twee van Riks verhalen zijn opgenomen in het jaarboek verhalende journalistiek. Bij de Volkskrant geeft hij een cursus aan de eigen verslaggevers. En als hij journalisten één boek zou mogen aanraden over het genre? Dan is dat Writing for Story van Jon Franklin. ‘Dat is mijn bijbel’, zegt hij.

Be the first to comment on "Een aquarelletje van A. Hitler"

Leave a comment