De noodlotsberg van Toine Heijmans: ‘Thuiskomen is het allerlastigte’

Volkskrant-columnist Toine Heijmans beklom met zijn 13-jarige dochter Sylke de Tafelberg bij Kaapstad. De populaire toeristenbestemming blijkt niet zonder gevaar. Rik Kuiper vroeg naar het verhaal achter het verhaal. ‘Ik schrijf altijd alles op,’ zegt Toine Heijmans. ‘Het moest eruit.’1)Rik Kuiper: Als het niet zo’n barre tocht was geworden, had je er nooit over geschreven. Wanneer dacht je: ik moet dit verhaal maken? En waarom? Wat wilde je ermee vertellen? Toine Heijmans: Op de terugweg al, ’s nachts in de auto, terwijl we van de berg naar ons huurhuis reden. Omdat het meer is dan alleen een barre tocht: er zijn fouten gemaakt, ook door mezelf. Het contrast tussen de fantastische beklimming, de geweldige omgeving en de nare afloop is heel groot. Dat is een goede basis voor een verhaal. En het moest eruit. Maar dat heb ik altijd. Ik wil altijd alles opschrijven. Als ik in een café zit en een vriend vertelt me iets interessants dan gaat dat in een laatje en denk ik: schrijven! Soms email ik mezelf zinnen, tijdens het autorijden. Erg gevaarlijk. Schrijven is voor mij ook het structureren van de chaos. In mijn eigen leven, en dat van anderen.

 

Candice!’

Haar naam slaat terug in mijn gezicht, letter voor letter, hard als ijs, ze hoort me niet. Het is de storm. Ze loopt twee meter voor ons uit, ik zie haar niet. De nacht is op de Tafelberg gaan zitten, plotseling en lomp. De bergtop is een vlakte. Ik kan de kabels van de gondelbaan niet zien, maar hoor ze gillen. De wind trekt aan rolluiken, zo hard dat het lijkt of ze scheuren en wegzeilen de ravijnen in.
De storm probeert ons van de berg te duwen en wij duwen terug, zoekend naar een pad, wadend door een mist die de berg schuurt en koud in onze truien klimt. Die dunne, witte sporen achterlaat.2)RK: Prachtige beschrijving, een van de mooiste in het verhaal. Vloeit dit in één keer uit je pen, of herschrijf je zo’n passage twintig keer? TH: Dit ging ineens. Het was de ochtend na een kerstdiner met mijn beste vrienden dat ik aan dit verhaal begon, ik was blijven overnachten en iedereen sliep nog en ik dacht: nu schrijven. Het huis was stil en voor ik het wist was ik duizend woorden verder. En toen stond het er. Ik schaaf er later nog wel aan hoor, maar de beste zinnen komen zomaar. Van urenlang schaven, is mijn ervaring, wordt een beschrijving niet vaak beter. Soms wel, dat is een probleem. De eerste alinea van mijn eerste roman herschreef ik terwijl het boek al zo’n beetje bij de drukker lag. En dat was goed. Ik kan mezelf er gek mee maken, dat gepuzzel.

… de beste zinnen komen zomaar…

‘Candice! I’m losing you!’

‘Het pad is hier!’

‘Nee! We moeten terug!’ 3)RK: Je begint in medias res, vlak voor de climax, en vervolgens keer je terug naar het begin van de klim. Hoe komt zo’n structuur tot stand bij jou? Teken je de spanningsboog uit? Maak je schema’s? Of gaat het intuïtief? TH: Het schema zit in mijn hoofd, heel rudimentair, als het er al is. Schema’s maak ik nooit, al had ik voor mijn tweede roman een a-viertje met data omdat ze anders niet meer klopten. Ik wist op de terugweg van de berg al hoe het zou beginnen, met de naam Candice, het korte moment van paniek. Dat moment vat voor mij alles samen. Dus daar begin ik mee: de eerste alinea’s moeten eigenlijk in elk verhaal alles al hebben, de sfeer, de omstandigheden, de dreiging, het einde. Na ‘Candice!’ hoort trouwens een harde return. Dat maakt het steviger. Maar de eindredactie heeft die weggehaald, ik denk om ruimte te besparen.

Dat op de Tafelberg, uitkijkend over Kaapstad en Robbeneiland, meer doden vallen dan op de Mount Everest hoor ik later pas. 4)RK: Je noemt deze statistiek om de spanning te vergroten, neem ik aan. Zo van: kijk, er vallen doden op de Tafelberg. Het voelt een beetje als een omweg, want je had ook de spanning in de scène verder kunnen opvoeren. Waarom deed je het zo? TH: Omdat het de essentie is: ik wist dit niet, dus was slecht voorbereid, net als de gids. Het was me niet om de spanning te doen, maar vergroot die wel. Dit soort feitelijke informatie kan een verhaal ophouden, dat klopt, maar ik vind het hier wel nuttig. Dat is trouwens een slechte gewoonte van me: toch alles met feiten willen uitleggen. De eeuwige journalist. Het is een rare vergelijking, want de Tafelberg is voor iedereen en de Everest is voor doodsverachters. De Tafelberg is een toeristische attractie, er gaat een gondelbaan omhoog en bovenop is een gehucht gebouwd van souvenirwinkels, restaurants en toiletten. Daar kan niks mis mee zijn. Dagelijks wordt de top overstroomd door mensen die in het transparante winterlicht de Atlantische oceaan op de Indische zien botsen, zich voelen als vogels op thermiek, Kaapstad daar recht beneden uitgestrekt in de luwte. Het is een berg die gemoedsrust geeft, met z’n brede schouders, een plek om alles eens goed te overzien. Iedereen wil daar wel bovenop staan.

Maar vorig jaar zijn er 175 mensen van de Tafelberg gered, een record, en wij staan nu ook in die statistiek.

Als we er later nog een keer heen gaan 5)RK: Eigenlijk geef je met deze flash forward al weg dat jullie het allemaal overleefd hebben. Heb je overwogen het verhaal chronologisch te vertellen? En zo ja, waarom deed je het niet? TH: Nee eigenlijk niet. Ik schrijf nooit chronologisch, zou ik eens moeten proberen. Het verhaal vond ik al spannend genoeg, en ik was tijdens de klim constant overtuigd dat het goed zou aflopen, dus dan maak ik het liever niet spannender dan het is. Heen en weer gaan in de tijd houdt een verhaal denk ik elastischer. Ik ben zelf snel verveeld als lezer, misschien dat ik daarom steeds nieuwe treetjes zoek die je door een verhaal kunnen trekken. Een lezer is een slingeraap die van tak naar tak gaat, denk ik, en het mooiste is als ie onderweg niet stilvalt.omdat we de berg ook in daglicht willen bekijken, en in betere omstandigheden, valt me op hoe koud het er ineens kan worden. Toeristen rillend in korte broeken, huilende baby’s. Uit het niets en heel precies schuift een mistwolk over de top: het tafelkleed zoals ze in Kaapstad zeggen, het tablecloth, en die blijft hangen ondanks de jagende wind. Degenen die de berg echt kennen, Hendre, Mark, Candice, weten hoe gemakkelijk het is te verdwalen op de hoogvlakte, zoekend naar het pad terug. Hendre vertelt 6)RK: Hier raak ik even in de war. Dat ‘vertelt’ suggereert dat Hendre die tweede keer met jullie mee naar boven is op de Tafelberg. Was dat zo, of is dit een citaat van een ander moment? TH: Klopt. Ze vertelde het tijdens de afdaling. Dat kan duidelijker. Volgende keer toch langer puzzelen.hoe ze een Amerikaan terugvonden die drie dagen lang verdwenen leek; het was een marinier, hij wist van overleven en had zichzelf op een strikt rantsoen gezet van regenwater en een paar nootjes per dag. De weg terugvinden, zegt ze, is minder gemakkelijk dan het lijkt.

Daarom begrijp ik niet waarom Candice haar lampen is vergeten, en de powerbank voor de vrijwel lege accu van haar telefoon, en waarom ze de reddingsdienst niet belt, en waarom ze in het ondoordringbare donker toch de weg terug wil zoeken. 7)RK: Je vat hier samen wat je ook langzaam in een dramatische scène had kunnen presenteren (wat je later in het verhaal ook doet). Waarom kies je daarvoor? TH: Het is een vooruitwijzing naar de scènes die komen, en meteen de kern van het verhaal: dit gaat mis vanwege de slechte voorbereiding. Een lastige constructie maar hier werkt het wel vind ik. Als het goed is geeft het de lezer een zetje: hier wil ik meer van weten. Maar eerlijk gezegd, als ik schrijf denk ik er niet zo over na, dat doe ik nu pas. Zo’n alinea komt, die volgt op de vorige. Als ik het achteraf niks vind haal ik ‘m er weer uit. Ik schuif onderweg ook veel met alinea’s en zinnen.

Sylke klimt als een vlinder. Geconcentreerd en overtuigd, liefdevol. Ze is 13. Ze is veel lichter dan ik, maar dat is niet de enige verklaring voor haar snelheid en souplesse. Ze is op haar gemak. Ze zoekt met haar linkervoet naar een richel, verplaatst eerst haar gewicht en dan haar handen, kijkt naar beneden, schikt het touw en lacht. Ze is mijn dochter.

Met Candice spreken we af aan de voet van de Tafelberg, bij de gondel. 8)RK: Je kiest steevast voor de tegenwoordige tijd, ook in deze flashback. Waarom doe je dat, want het kan ook voor verwarring zorgen? TH: Ja, dat doe ik in mijn columns ook. Ik hou van de directheid. Ik wil dat het in de tekst nu gebeurt. In de verleden tijd krijgen werkwoorden vaak wat slepends en hoogdravends, vind ik, dat is een gevoel. Maar ik lees nu het nieuwe boek van Tommy Wieringa en die gebruikt veel verleden tijd en het stoort me niet, dat boek stoomt door. Dus misschien moet ik het heroverwegen.Candice is berggids. We willen de laatste 200 meter naar de top beklimmen. Het is een wand met een spectaculair uitzicht, technisch te doen. Eigenlijk had ik David gevraagd, die verwees me door naar Tristan, maar die is op het laatste moment verhinderd en draagt Candice voor. Het klimmerswereldje van Kaapstad is klein, ze kennen en vertrouwen elkaar, ze beklimmen onwaarschijnlijk vlakke overhangende wanden. Klimmers zijn individualisten, maar ook altijd op zoek naar het soort kameraadschap dat ze behoedt voor ongelukken.

Zonder gids ga ik niet klimmen hier, ik ben er nog nooit geweest en ken de routes en omstandigheden niet. Als ik de gidsen googel, hebben ze uitstekende palmares. Candice klimt in het nationale team van Zuid-Afrika en komt uit op het wereldkampioenschap in Parijs. Ze is jong, begin 20, maar heeft het typische, precieze bewegingspatroon van de goede klimmer – een voor velen onhaalbare combinatie van besluitvaardigheid en prudentie. Ze klimt moeiteloos, maar ik zie haar ook vooruitdenken: elke stap is weloverwogen. Sylke en ik vertrouwen Candice vanaf het moment dat we haar zien. 9)RK: Dit is een belangrijke passage. Je zegt ermee: ze was ervaren, wat ons is overkomen kan iedereen overkomen. Denk je er tijdens het schrijven over na dat zo’n passage belangrijk is? TH Ja dit moest er echt in. Maar het was ook echt zo. Ik heb veel geklommen en zelden iemand gezien die zo bedreven was met materiaal, ambitieus en bezorgd tegelijk. Klimmers hebben het weleens over sleutelpassages in bepaalde routes: dat zijn de moeilijkste passen die je moet maken. Daarna weet je dat het gemakkelijker wordt. Dat heb je ook wel met schrijven denk ik. Helaas ben je na de sleutelpassage meestal moe en wordt het helemaal niet gemakkelijker.

Ik wijs naar links, naar een vlakke, sterk overhangende, onklimbare plaat en vraag voor de grap of we die niet zullen klimmen

Het is warm. We kijken omhoog de rotswand in, die gekerfd is en gebutst: stevige, ruwe steenpilaren vol hoeken en gaten om handen en voeten in te zetten. Leigrijze schoorstenen en droge platen bedekt met plakken korstmos. Onder de wand trekken we onze truien uit en proppen ze in onze rugzakken. Candice sorteert geconcentreerd haar materiaal: een dubbeltouw, wrijvingsschoenen, klimgordels en een ijzerhandel aan zekeringsmateriaal: carabiners, nuts en friends. Ze behandelt haar gereedschap als juwelen.10)RK: Een mooie metafoor. Versterkt nog maar eens dat ze betrouwbaar is. TH: Soms is één metafoor beter dan een paar alinea’s. Het was sterker geweest als ik de zin erna had weggelaten. Mijn probleem met schrijven is dat ik soms te veel wil vertellen. Het is een listig evenwicht: hoeveel informatie geef je weg. Eigenlijk zegt dit alles. Daar hoef ik verder geen woorden aan vuil te maken.Ze ziet in één oogopslag wat nodig is, controleert de knopen die ze legt in het touw, zorgt dat het touw nooit nat wordt. Ze kent de rotsen, maar doet niets overhaast. We gaan een eenvoudige route doen die ze al honderden keren klom, maar ze weet dat gemakzucht fataal kan zijn.

Ik wijs naar links, naar een vlakke, sterk overhangende, onklimbare plaat en vraag voor de grap of we die niet zullen klimmen. ‘Tuurlijk’, zegt ze. ‘Red je dat? Het is een interessante route.’

Candice klimt voor, ik zeker haar. De Tafelberg is een natuurgebied, daarom zijn er geen rotshaken geslagen waaraan we ons kunnen vastmaken. Candice moet zelf ankerpunten maken door metalen nuts in spleten te schuiven of er friends in te klemmen, zekeringsmateriaal voor gevorderden; dat vereist aandacht, kennis en geduld. Het is het pure klimmen, we laten niets achter op de berg.

Ze neemt de tijd voor elke zekering, klimt pas door als ze tevreden is. Het is een tijdrovende, veilige manier. Als ze boven is, bouwt ze een standplaats, roept ‘off belay!‘ en zekert ons omhoog. Ik aan het blauwe touw, Sylke aan het gele. We vinden een richel van 30 centimeter breed waar we kunnen zitten – onze benen bungelend boven de stad en de oceanen, boven het ravijn, we voelen ons licht en machtig.

De kabelbaan werkt niet vandaag’, zegt Candice als we haar voor het eerst ontmoeten. Hij is twee weken in onderhoud. Dat had ze kunnen weten. 11)RK: Met dat zinnetje twijfel je voor het eerst aan haar kunde. Heel subtiel, maar de lezer voelt dat aan.

We maken een nieuw plan en rekenen het uit. Het is drie uur klauteren naar het begin van de rotswand die we willen beklimmen. Het klimmen zelf duurt vier uur. Dan zijn we om vijf uur ’s middags op de top van de berg; ‘en terug naar beneden lopen via de normale route’, zegt Candice, ‘duurt drie kwartier.’

Ruim voor het donker thuis.

We navigeren tevreden omhoog door een route die India Venster heet. Vervaagde, nauwelijks zichtbare pijlen geven de richting aan door hard struikgewas en over rotsblokken. Ik maak een foto van het waarschuwingsbord: ‘extremely dangerous route DO NOT attempt if inexperienced‘. Maar wij zijn ervaren. Nooit was de grond vaster onder onze voeten. Op het bord staat een noodnummer, ik wil het in mijn telefoon programmeren, maar bedenk dat ik daarvoor Candice heb ingehuurd.12)RK: Als je het verhaal chronologisch had verteld, en dit zou de eerste scène geweest zijn, dan was dit zinnetje genoeg geweest om het verhaal direct iets onheilspellends te geven. TH: Ja dat klopt. Dat had gekund. Ik denk dat ik van een stevig begin hou, dat contrasteert met de alinea’s die daarna komen. Mijn eerste roman begint ook zo onheilspellend bijna aan het eind van het chronologische verhaal. Ik hou ook enorm van rampverhalen. Voor mij is belangrijk dat je als lezer dáár bent, op die plek, in die storm. Het zou mooi zijn als iemand even weg is tijdens het lezen, en de piepjes van z’n twittertimeline op de telefoon niet meer hoort. Het is de mooiste dag, de lucht nog helderblauw en koel zodat we nauwelijks zweten. We zweven omhoog in ruime cirkels en zien de stad onder ons kleiner worden en de wereld groter. We komen niemand tegen.

Exact op tijd staan we onder de rotswand. We kunnen de top niet zien. Het is vier touwlengten omhoog. Als we beginnen, is er eigenlijk geen weg meer terug – die keuze moeten we nu maken.

In de hemel zie ik strepen; een flard wolken waait als een veer voorbij. Candice ziet het ook. Er is stabiel weer voorspeld, morgenmiddag pas komt de storm, maar ze belt een berggids die lager in het gebied een groep begeleidt en de hele Tafelberg kan overzien. ‘Geen tafelkleed vandaag’, zegt ze. ‘Het is een prachtige dag.’

We gaan. We luisteren naar het rustgevende metaalgeklingel13)RK: Een bekende schrijftip is dat je alle zintuigen moet bevredigen bij omschrijvingen: hoe ziet het eruit, hoe klinkt het, hoe voelt het, hoe ruikt het, hoe proeft het? Ben jij daar bewust mee bezig? TH: Nee eigenlijk niet. Ik schrijf erg op gevoel. Alles wat op de berg is gebeurd heb ik ergens opgeslagen, in kleuren, temperatuur, geur. Toen ik het maanden later opschreef borrelde dat allemaal weer op. Dat heb ik ook met mijn columns; ik ga ergens heen en ben dan hypergeconcentreerd op alles wat gebeurt, wat ik zie, details. Die noteer ik maar meestal heb ik die notities bij het schrijven niet meer nodig. Het is een beetje zoals bij mijn vriend Marcel van den Bergh, de fotograaf: als we samen op reis waren kon hij ineens heel stil worden en dan moest ik echt niks meer zeggen anders werd ie boos. Hypergeconcentreerd was ie dan een halfuur bezig met het fotograferen van een ezel of zo. En daarna werd ie weer gezellig. Dat maakt zijn foto’s beter dan andere foto’s van een ezel. Ik ben eigenlijk helemaal geen technische schrijver, althans, ik denk niet na over techniek. Een tekst moet lópen. Ik moet er een bepaald gevoel van in mijn buik krijgen. Het is, vooral bij korte teksten, als sleutelen aan een gedicht. Als iets goed lukt ga ik ook in mezelf praten. Laatst zat ik in de trein te werken en keken andere reizigers me vreemd aan. Of ze dachten dat ik zat te skypen. van het materiaal aan Candices gordel. Ze zekert Sylke omhoog. Ik ga als laatste en haal het materiaal uit de wand, zodat ik boven kom met bossen ijzer. Het is inspannend, maar niet moeilijk. Mijn voeten kleven aan de ruwe rots. Sylke is gelukkig. Dit is wat ik haar had beloofd. Candice zegt dat ze zelden zulke ervaren klanten heeft en stelt een moeilijkere route voor. Voor haar is dit een wandeling. Geroutineerd ordent ze de spullen die zijn opgehoopt tot een kluwen, bestudeert elke carabiner, klikt ze aan haar gordel, bouwt haar standplaats om en vertrekt weer omhoog. Ze doet me denken aan Rand, de hoofdpersoon uit James Salters roman Solo Faces: nergens meer thuis dan op een steile wand. ‘Rand klom gemakkelijk, met zelfverzekerde bewegingen. Hij keek, voelde en bewoog moeiteloos omhoog.’

Dit mag eindeloos gaan duren.

We klimmen vier touwlengten en ik kijk steeds vaker op mijn horloge. We zijn traag. Het is de vraag of we voor het donker boven zijn. De rots is nat en glad geworden, er sijpelt water naar beneden, Candice moet zoeken naar een begaanbare weg. Het is niet erg. Bijna boven. En dan drie kwartier naar beneden. Sylke heeft plezier.

Mijn vrouw stuurt een sms, of we al op de terugweg zijn. Ze is beneden in het strandhuis dat we huren, ze moet ons met een verrekijker kunnen zien. ‘Laatste touwlengte’, stuur ik terug. Ze is verbaasd. ‘Nu nog?’

Ze ziet de Tafelberg niet meer, alleen de wolken, de storm giert al om ons strandhuis

Na de vierde touwlengte komt een vijfde. Het is een traverse naar rechts, Candice is uit zicht; ik hoor aan het gerammel van ijzerwerk dat ze een standplaats bouwt. ‘Off belay!‘ Mijn handen zijn koud. Als Sylke ook over de richel naar rechts is geschoven, bel ik mijn vrouw. Ze is bezorgd. Ze ziet de Tafelberg niet meer, alleen de wolken, de storm giert al om ons strandhuis. Dan pas dringt tot me door dat de wand waarin we klimmen een enclave is: hij ligt met de rug naar de wind en met het gezicht naar de laatste resten zon. De wand heeft ons in de luren gelegd. Wij klimmen in een ander, minuscuul weersysteem. De storm heeft de berg allang bereikt en ingepakt, en wij zijn de enigen die er niks van merken. Iedereen weet van de storm en kan hem zien, behalve wij.14)RK: Je benoemt vrijwel nergens je emoties, al voelt de lezer wel dat je je steeds meer zorgen gaat maken. Toch vroeg ik me her en der af: is het niet té ingetogen? Voelt de lezer wel hoe penibel het is? Kun je uitleggen wat je afwegingen zijn geweest? TH: Het gevaar van een stuk als dit is dat het te dik wordt. Bijvoeglijke naamwoorden zijn de pest voor elk verhaal – je moet ze zorgvuldig kiezen en doseren. Achteraf is elk avontuur anderhalf keer groter dan het was. Maar als je daar bent, op die plek, in die omstandigheden, dan ben je daar. Dan ben je vooral heel rationeel aan het nadenken. Paniek is iets voor later. Ik heb een keer een ongeluk met windsurfen gehad, brak mijn been in een herfststorm, en wat me toen zo verbaasde was de afwezigheid van paniek. Daar op de Tafelberg maakte ik me zorgen, maar die duwde ik ook weg, want ze helpen niet. Net zoals boos zijn op Candice of boos zijn op mezelf niet helpt. In verhalen zijn emoties ook snel plat: ik ben bang, ik ben boos. Bovendien was het mijn taak als vader om sterk te zijn. In de mooiste romans over bergbeklimmen, Solo Faces van James Salter en Bergtocht van Ludwig Hohl, vind je nauwelijks emotie terug. Terwijl het toch nogal heftige verhalen zijn. Daar vallen wel doden.

Sylke klimt lachend de traverse in, de kleur is lood, ik hou mijn zorgen voor me.15)RK: Prachtig zinnetje. Ingetogen, zonder effectbejag. Hier werkt dat goed. Elke klimmer heeft een Schicksalberg, zeggen ze in de Alpen, een noodlotsberg. Mijn energie is weg. Wolken pakken de wand in, ontnemen het zicht en als de sluiers zich weer openen, zijn in Kaapstad alle lampen aan. Daar schemert het.

Candice en Sylke zijn boven, ze roepen tevreden. Ik worstel me door een schoorsteen, klim mezelf vast, moet terug en klauw me met gevoelloze vingers achterover hangend over een bolle kei, terwijl mijn rugzak me omlaag probeert te trekken – voor het eerst bang om te vallen. Ik reken. Het is zes uur. Om half zeven is het donker. Om acht uur zijn we beneden.

De top van de Tafelberg is omheind met een muurtje. Als ik mijn hoofd erbovenuit steek, ramt de wind me in mijn gezicht. Ik zorg dat Sylke in mijn schaduw blijft en geef haar mijn trui. Het is nu alleen nog naar beneden. Bij de souvenirwinkel begint een pad, maar zonder licht is het onvindbaar. Candice zoekt in haar rugzak naar de hoofdlampen. Ze zou het materiaal verzorgen. Zonder gids had ik mijn eigen lampen meegenomen, een medicijntas, een powerbank voor de telefoon, een reddingsdeken, brood, het nummer van de reddingsdienst. Ik heb er niet aan gedacht.

‘Geen lampen’, zegt Candice. ‘Sorry guys.‘ Ze heeft de verkeerde rugzak meegenomen.16)RK: Ook hier werkt die ingetogen stijl.

We duwen onze hoofden de storm in, achter Candice aan, die al duizend keer de berg is afgelopen. Het is niet ver. Maar ze maakt een cirkel, we zijn weer terug op de plek waar we begonnen. Candice probeert een plattegrondje te ontcijferen dat op een paaltje is geschroefd, ze veegt de nattigheid eraf. We vertrekken weer, de andere kant op, maar lopen vast.
Sylke geeft geen kik. Ik hou haar hand vast. Ik zeg tegen Candice dat we hier blijven. Zonder lampen naar beneden is gevaarlijk, op de flanken van de berg zijn we onvindbaar ook. Boven is beschutting. Candice houdt vol, ‘vertrouw me’, ‘over een kwartier zijn we in de luwte’, ‘het pad is eenvoudig’, ‘over een uur zijn we beneden’.

Ze vertrekt opnieuw, wij achter haar aan.

Het donker is totaal. Het lawaai is overal. Van Candice zie ik alleen contouren die af en toe verdwijnen – ze loopt sneller nu, ik raak haar kwijt, ze verdwijnt een paar meter voor me in de coulissen. Zonder haar zijn we verloren, vinden we de kabelbaan nooit meer terug. Voor het eerst voel ik een vlaag van angst, die ik weg moet drukken. Ik hou Sylkes koude handen vast; ze moet doodsbang zijn, maar geeft niet op.

Candice! I’m losing you!

‘Het pad is hier!’

‘Nee! We moeten terug!'17)RK: Je herhaalt hier exact de dialoog die je aan het begin van het verhaal ook al noteerde. Welk doel beoog je daarmee? TH: Het hele verhaal begint hier eigenlijk opnieuw bij het begin, alleen heb je nu als lezer alle achtergrondinformatie. Daardoor betekenen dezelfde zinnen iets anders, of krijgen ze meer betekenis. Dat bedenk ik nu trouwens, tijdens het schrijven ben ik niet zo analytisch bezig. Dan horen die zinnen daar gewoon, op die plek. Ik tik ze op, lees het na, en zeg dan tegen mezelf dat het goed is zo (hardop, leuk voor de andere treinreizigers).

Dan begint Sylke te huilen en te schreeuwen, tegen de wind in, steeds harder totdat ze Candices aandacht heeft. Ze wil niet verder. We zijn anderhalf uur rondjes aan het lopen boven op de Tafelberg en kunnen geen uitgang vinden. Candice aarzelt en keert dan om, terug naar de souvenirwinkel en het restaurant – het is de enige veilige plek, ik bereid me voor op een overnachting.

Voordat ik een verhaal schrijf, ken ik meestal de eerste en de laatste zin al

‘Dat huilen deed ik expres’, zegt Sylke later. ‘Het was de enige manier om haar te stoppen.'18)RK: Dit is een mooi detail in het verhaal. Heb je overwogen het te bewaren tot het slot – dat ze dit later pas aan je bekent? Was wellicht ook mooi geweest. TH: Nee dat heb ik niet overwogen, maar vooral omdat ik de laatste zin al kende. Voordat ik een verhaal schrijf, of een boek of een column, ken ik meestal de eerste en de laatste zin al. Dat geeft me rust. Wat ik aan deze plek oké vind is dat er een verhaallijntje meteen wordt afgehecht. Er moet niet te veel open blijven liggen, dat is verwarrend.

Telkens vraag ik Candice of ze de reddingsdienst wil bellen, maar ze doet het niet – ‘dit is Zuid-Afrika’, zegt ze, ‘als ik de politie bel, komt er een enorme bureaucratie op gang’. Ik zoek een schuilplek voor Sylke, de wind komt van overal, ik vind een hoek en ga tegen haar aan staan. Candice probeert andere berggidsen te bereiken, maar de accu van haar telefoon is leeg. Ze kan de mijne gebruiken, maar kent de nummers niet, staat in een andere hoek onhandig te googelen. Ik denk dat ze zenuwachtig is.

Er moet een schuilplaats zijn. Ik zoek een raam om in te trappen, maar de verlaten souvenirwinkel heeft tralies achter glas. Het lawaai van de klapperende rolluiken, het gieren van de staalkabels is angstaanjagend.

‘Candice ik ga een raam intrappen.’

Ze kijkt op haar telefoon.

‘Candice! Bel 911!’ 19)RK: Je zult Candice vervloekt hebben. Toch laat je dat in het verhaal in het midden – wat ook wel weer sympathiek is. Wat waren je afwegingen? TH: Ze is enorm sympathiek. Ik begreep heel goed waarom ze zo deed – een gids die in problemen komt krijgt een kruisje achter haar naam, dus ze wilde het liefst gewoon beneden komen. Niks is zwart wit. Ik was ook schuldig: had ik mijn dochter wel zo mee naar boven moeten nemen? Ik heb wel overwogen harder op te schrijven dat ze ons in groot gevaar bracht, maar wat win je ermee? Voor een verhaal is het spannender als je de grijstinten beschrijft. Niets is wat het lijkt. Regelmatig ga ik op pad voor een column die in mijn hoofd al helemaal geschreven is, maar als ik ter plekke met mensen praat of dingen zie is alles weer anders.

‘Wacht even. Wacht even. Ik heb een code.’

We lopen naar het toiletgebouw en vinden een kastje met een cijferslot. Candice kijkt op de telefoon en verschuift vier cijfers, het kastje springt open, er zitten sleutels in. Ze maakt het herentoilet open – het stinkt er naar urine maar de lampen werken en er is een noodkast met dekens, een waterkoker, thee en koffie en een logboek. Dit is de refuge. Candice wist niet van het bestaan ervan. Als de deur dichtslaat, blijven de nacht, de storm en de angst buiten.20)RK: Hier is de spanning van het verhaal. Jullie hoeven niet buiten te slapen, jullie overleven het. Toch volgen er nog circa 750 woorden. Hoe zorg je ervoor dat de lezer die ook nog wil lezen? TH: Klopt. Thuiskomen nadat het doel is bereikt is het allerlastigste, in de bergen, op zee en in het schrijven. Dat laatste stuk was oorspronkelijk langer, maar om die reden heb ik het ingekort. De spanning blijft omdat ik vooruit ga denken: oké, we gaan het redden, maar wat zijn de gevolgen? Wat gaat mijn vrouw zeggen als ik diep in de nacht in een vliegende storm thuiskom met onze dochter? ‘Er valt veel uit te leggen’ is dan wel een mooi zinnetje vind ik.

We maken thee en bedelven Sylke onder dekens. Ze valt in slaap. ‘Ik bel 911’, zeg ik tegen Candice, ‘en we overnachten hier’.

‘Niet bellen. Er komt hulp naar boven.’

‘Wie dan?’

‘Berggidsen. Ze komen eraan. Ze zijn er over twee uur.’

We zitten dicht naast elkaar met thee en onder dekens tegen de muur van het mannentoilet. Sylke slaapt op mijn schouder. Zo houden we de nacht wel vol. Ik stuur mijn vrouw een bericht dat we veilig zijn en hier blijven tot het ochtendlicht. Het stelt haar niet gerust.

We slapen als de deur openklapt; het is elf uur. Met een windvlaag stormen twee reuzen binnen die zich later als Hendre en Mark voorstellen, gelouterde expeditieklimmers, Mark draagt twee professionele portofoons kruislings over zijn borst, uit een ervan kan ik een krakerig ‘basecamp’ verstaan. Hij laadt een torenhoge rugzak af die hij onmiddellijk begint te ontmantelen. Er komen hoofdlampen uit, koffie, truien, regenpakken, handschoenen, powerbanks, mutsen, mueslirepen. Hendres opgewekte bedrijvigheid vult het toilet. ‘Morgen komt de echte storm’, zegt ze. ‘Als jullie kunnen, gaan we nu naar beneden.’

Het is, zegt Hendre, twee uur lopen. Sylke zegt: ‘Ik wil naar beneden.’ We trekken truien en regenpakken aan en duwen onze koppen opnieuw in de wind, maar nu met Hendre en Mark als beeldhouwwerken achter ons.

De weg terug is een zwart gat, afgezet met keien en grote, steile rotsplaten. Onze koplampen maken vreemde banen in de mist. Het pad is steil als een wenteltrap. Bij elke stap glijden mijn voeten door, er ligt een dunne, natte laag zand op de stenen. Sylke gaat zitten en glijdt. Hendre vertelt over haar hond en hoe ze de berg op- en afrent, hoe ze hier elke week mensen redt. Omdat de politie geen ervaring heeft, opereert een groep berggidsen als vrijwillige reddingsdienst – Mark had eindelijk een avond vrij en een glas wijn ingeschonken, zegt hij, toen zijn telefoon ging. ‘Het mooie van de situatie is dat jullie kunnen lopen. Meestal moeten we met een brancard naar beneden.’

De ongelukken op de Tafelberg, zegt hij ook, zijn een goedbewaard geheim: niemand heeft belang bij het gevaar van een toeristische attractie.

Sylke gaat nooit meer klimmen, dat weet ik, het is mijn schuld, vanaf nu zal ze bang zijn voor de bergen

Verder, verder, het zwarte gat in. Het pad blijft steil en smal en houdt niet op, als in een droom waarin de bodem wegvalt. Ik grijp naar een afrastering – het is prikkeldraad, ik voel de punten door mijn handschoenen heen. De portofoons kraken. ‘Een halfuur nog’, zegt Hendre, mijn knieën branden. We zijn al twee uur onderweg.

Sylke gaat nooit meer klimmen, dat weet ik, het is mijn schuld, vanaf nu zal ze bang zijn voor de bergen. Mijn vrouw zal me niet meer vertrouwen. De hele weg naar beneden zie ik haar voor me, in het strandhuis, luisterend naar de storm en de regen die bijna door de ruiten heen slaat, kijkend naar de donkere vlek achter Kaapstad, de berg die haar dochter heeft opgegeten. Ze kan niets doen. Ik wel. Dat is het enige. Er valt veel uit te leggen.

Tussen spokende boomstammen door zie ik licht: koplampen van een auto. Het is ver nog, maar iets om aan vast te houden. Sylke glijdt uit, maar vangt zichzelf op.

Na nog een bocht zie ik de fourwheeldrives, patrouillewagens met zwaailichten die blauwe schaduwen maken op het bos. Er zijn nogal wat mensen voor ons naar de berg gekomen, ver na middernacht. Een agent ondervraagt me voor de debriefing – ik spel onze namen. Sylke krijgt chocolade en thee, ik krijg koffie uit thermoskannen. Er is meer papierwerk. De agent heeft de verwarming van zijn auto voor ons aan gelaten en installeert ons op de achterbank.

‘Sorry’, zegt Candice als we afscheid nemen. ‘Als gids heb ik geleerd nooit de wens van de klant te volgen. Het is belangrijk vast te houden aan mijn eigen plan. Daarom wilde ik per se naar beneden.’

‘Maar ik had gelijk’, zeg ik.

‘Ja. Jij had gelijk.’

Candice is de gids, denk ik later, maar dat ontslaat me nergens van.21)RK: Heb je achteraf nog aan Candice gevraagd hoe ze terugkeek op de expeditie? TH: Zeker. We hebben gebeld en berichten verstuurd. Ik denk dat ze enorm is geschrokken maar dat niet echt met me wilde of durfde te delen.

Het is drie uur ’s nachts als ik mijn dochter met zwiepende ruitenwissers thuisbreng. Niemand is boos. Ik vraag me de verdere nacht af wat ik had moeten doen. We zijn te laat gaan klimmen – had ik de beslissing moeten nemen niet omhoog te gaan? Candice kent de berg. Het is haar beslissing. Ik kon niet weten dat ze geen ervaring had met noodsituaties – had ik dat moeten vragen?

De volgende ochtend vertelt Sylke het verhaal zes keer. Hendre stuurt een bericht: ‘Please tell Sylke she’s a rockstar.’ 22)RK: Kun je vertellen waarom je zo wilde eindigen?
TH: Ik vond het zo mooi dat ze dat bericht stuurde. Dat had ze helemaal niet hoeven doen. Het zegt veel: zelfs Hendre, die de berg zo goed kent en zo enorm stoer is, was begaan met Sylke. Het was eigenlijk een heel logische samenvatting van wat er was gebeurd. Alles had de hele dag en nacht om Sylke heen gekolkt, al die spanning van volwassen mensen, de gids, de redders, ik. En zij was stoer gebleven, eigenlijk als enige. Daar had ik verder niets aan toe te voegen.

Be the first to comment on "De noodlotsberg van Toine Heijmans: ‘Thuiskomen is het allerlastigte’"

Leave a comment