Over voetnoten en de kunst van het mierenneuken

  • Henk Blanken schreef 7 bijdrage(n)

  • Print Friendly

Lange verhalen, of ze nou een longread heten of een verhalende reportage, verdienen een betere begeleiding. Geen ‘wat-een-lekker-verhaal’. Niet dat ‘wel-een-beetje-langdradig-soms’. Geen gekrabbel in de kantlijn. Precisie graag. Argumenten. Vragen. En geen chef die ‘het even door de machine haalt’. Over Annotation Tuesday en de voetnoten van de reus Jon Franklin.

Het eerste rode potlood was van Hendrik de Jonge, eind jaren zeventig de legendarische chef aan de eindtafel bij Het Vrije Volk. Hoe hij een onnozel bericht van een leerling-journalist, met twee vingers getikt op een Olivetti, en letter voor letter gecorrigeerd met tipp-ex, zonder pardon teruggaf. ‘Doe maar over.’ En nog eens teruggaf. ‘Is niet goed.’ En nog eens. En dat de deadline toen verstreek. Daar word je nederig van.

De tweede eindredacteur, meer dan dertig jaar later, was Jon Franklin. Amerikaan, even in de tachtig nu, naar het schijnt een norse, onbenaderbare kluizenaar, maar volgens vrienden niet onaardig. Franklin corrigeerde uiteraard niet mijn verhalen, maar twee van zijn eigen narratieve reportages, waarvan er één in 1979 nota bene de eerste Pulitzerprijs won voor feature writing. Perfect verhaal. Briljant verteld. En toch kon het beter, vond Franklin.

Dat verhaal is ‘Mrs. Kelly’s Monster’. Franklin bespreekt het in Writing for story. Dat boek is niet minder dan de bijbel voor hele generaties verhalende journalisten. Op mij maakte het een verpletterende indruk – net als het brute doe-maar-over van Hendrik de Jonge. Dat kwam doordat Franklin geen globale kritiek levert op zijn eigen schrijven, maar eerst in heldere essays uitlegt hoe storytelling werkt, en dat vervolgens met 91 minutieuze voetnoten demonstreert.

Het is de kunst van het mierenneuken.

Vanaf de tweede voetnoot bij mrs. Kelly is het raak.

‘In de koude uren van een winterochtend ontwaakt dokter Thomas Barbee Ducker, hersenchirurg in het academisch ziekenhuis van Maryland, al voordat het licht wordt. Zijn vrouw zet wafels voor hem neer, maar geen koffie. Van koffie gaan zijn handen beven.’

Zo opent Jon Franklin zijn reportage over een hersenoperatie waarbij dr. Ducker een tumor verwijdert uit de hersenen van mevrouw Kelly. Het stuk, meldt de eerste voetnoot, verscheen in The Baltimore Evening Sun. Vanaf de tweede noot analyseert Franklin zijn eigen stuk. Hij geeft commentaar, erkent missers, aarzelt openlijk en complimenteert zichzelf. Hij doet kortom alles wat je als schrijver van een coach zou mogen verwachten.

Hoe dat gaat? Zo.

In die tweede voetnoot schrijft Franklin dat dr Ducker ook wakker werd in een goed verwarmd huis. Maar het verhaal begint als het koud en donker is. ‘You must set the mood early in the story.’ In de derde legt hij uit dat hij niet per ongeluk een sterk werkwoord gebruikte (‘ontwaakt’). In de vierde dat het gebruik van de tegenwoordige tijd het verhaal ‘more immediate’ maakt, maar niet zonder complicaties is. In de vijfde hoe hij de lezer een gevoel van tijd geeft. De zesde noot waarschuwt voor lichtvaardig gebruik van symboliek. En in de zevende laat Franklin zien hoe je in een verhalende reportage het nieuws niet in de lead weggeeft, maar hooguit suggereert: dr. Ducker drinkt geen koffie omdat het belangrijk is dat zijn handen vandaag niet beven.

We zijn dan drie korte zinnen onderweg, de zinnen die ik hierboven citeerde (in mijn wat vrije vertaling).

Mijn hemel, dacht ik. Zo kan het dus ook. Geen kwaad woord over Hendrik de Jonge, maar dit is de haute cuisine van editing, vergeleken bij de alledaagse boterham-oude-kaas van mijn eerste eindredacteur.

De dwang van voetnoten
Nadat ik Mrs. Kelly’s Monster las, en Franklins boek over storytelling, ben ik de methode van voetnoten gaan toepassen. Eerst op mijn eigen verhalen. Elke voltooide versie – soms schreef ik er zeven of acht – voorzag ik in Word van annotaties. Dat scherpslijpen schept afstand; je leest je verhaal alsof het door iemand anders is geschreven.

Voetnoten dwingen je om precies te zijn. We zijn bij kranten en tijdschriften gewend aan oppervlakkige, vooral inhoudelijke kritiek. ‘Er mag wel wat meer vaart in.’ ‘Kun je die opening nog wat lekkerder neerzetten?’ ‘Het eindigt wat onbevredigend.’ Of de meest dodelijke: ‘Er kunnen wel vijfhonderd woorden uit.’ Het is wat een eindredacteur tegen een verslaggever zegt. Of neerkrabbelt in de kantlijn van een print. Als hij al die moeite neemt, en het verhaal niet ‘even grondig door de machine haalt’.

Dan liever annotaties. Omdat je elk element – een woord, een zin, een overgang, een typering, een metafoor, een haakje – afzonderlijk bekritiseert, kom je als eindredacteur niet weg met sweeping statements. De methode schreeuwt vanzelf om suggesties. ‘Als je dan zo nauwkeurig leest,’ hoor je de sterverslaggever al briesen, ‘vertel dan maar hoe jij het had gedaan.’

De afgelopen jaren gebruikte ik voetnoten – ‘de Franklinmethode’ noem ik het soms – als me werd gevraagd kritiek te leveren op een tekst. Dat gaat, net als het schrijven van een verhaal, in drieën. Eerst ‘klassiek’: op de inhoud. Wat is het nieuws? Boeit het? Is het begrijpelijk? Vervolgens op de structuur. Deugt de opbouw? Werkt de spanningsboog? Klopt het perspectief? En tenslotte op stijl en toon. Lopen de zinnen? Bij welke passages dacht ik: Dat kan alleen déze auteur zo hebben geschreven (en als ik die zinnen niet aantrof, plaatste ik geen voetnoot maar nam ik me voor de schrijver erop te wijzen).

Van deze drie (inhoud, structuur, stijl) is de eerste de meest pijnloze. Journalisten willen altijd over de inhoud praten. De structuur – een mijnenveld voor verslaggevers die nog aan het genre moeten wennen – bepaalt of een narratief verhaal uit de verf komt, of het ‘werkt’, dan wel gedoemd is te mislukken. De stijl tenslotte maakt dat je het verhaal als het goed is voorlopig niet meer vergeet.

Structuur – de mathematische kant van schrijven, het passen en meten – kun je leren.

Stijl nauwelijks.

Toon – ‘voice’ – niet.

Voetnotenvrijdag
Op de website van Nieman Storyboard wordt de voetnotenmethode al tijden gebruikt om befaamde journalistieke verhalen te analyseren. In de rubriek Annotation Tuesday, een grabbelton vol geweldige reportages, werd deze week bijvoorbeeld een stuk uit Rolling Stone ontrafeld: het verhaal van journalist Mike Sager uit 1989 over pornoster John Holmes en de zogeheten Wonderland-moorden in Los Angeles (terug te vinden als The Devil and John Holmes). Ook de klassieker van Jon Franklin is op een dinsdag geannoteerd.

De annotaties staan – omdat je ze op internet kunt wegklikken – in de tekst. Niet als gewoon commentaar, maar in de vorm van vragen aan de auteur. Het is eigenlijk een bijzondere manier om een interview te presenteren. Het verhaal van Sager begint zo:

Deep in Laurel Canyon, the Wonderland Gang was planning its last heist. It was Sunday evening and the drugs were gone, the money was gone, the situation was desperate. They’d sold a pound of baking soda for a quarter of a million dollars: There were contracts out on their lives. Now they had another idea. They sat around a glass table in the breakfast nook. Before them were two pairs of handcuffs, a stolen police badge, several automatic pistols and a dogeared sheet of paper, a floor plan. They needed a score. This was it.

Waarna de interviewer uiteraard vraagt: ‘We enter the story with the action already in full swing, sort of like beginning a movie in the middle of a sentence. Why did you choose to begin it this way?’

Het is één manier om verhalen te analyseren, en de rubriek van Nieman verdient zeker een kloon (Voetnotenvrijdag?). Maar het kan ook anders. Wetenschappers zouden Grote Verhalen op één aspect kunnen onderzoeken, perspectief bijvoorbeeld, of het gebruik van verleden, tegenwoordige en toekomende tijd (beide pijnlijk lastig voor veel schrijvers). En tenslotte is het de moeite waard journalisten hun eigen verhalen te zien annoteren, zoals Rik Kuiper en ik hebben gedaan in het Handboek Verhalende Journalistiek.

De vraag is welke vorm de mooiste stukken over verhalen oplevert. En welke verhalende reportages moeten worden opgenomen in de geannoteerde canon van verhalende journalistiek. Wie het weet, mag het zeggen.

1 Comment on "Over voetnoten en de kunst van het mierenneuken"

  1. Wat een fantastische dubbele operatie dit, in het hoofd van Carel en in het hoofd van de schrijver (of is het in het artikel?). Ik heb het op beide niveaus met fascinatie gelezen. Heel herkenbaar ook, dat voortschrijdend inzicht van de auteur. Wat ik nog wel een aanvulling zou vinden, is als je het verhaal eerst zonder commentaar zou kunnen lezen. Misschien is het een idee om met tooltips te werken die pas verschijnen als je je muis erboven houdt?

Leave a comment