Aafs ‘Voooooogel’

Een goed verhaal heeft niet altijd 5000 woorden nodig. Het kan ook in 450, laat Volkskrant-columnist Aaf Brandt Corstius zien. Rik Kuiper demonteerde haar Vogel.

Mijn vriend is er heilig van overtuigd dat angst besmettelijk is en daarom mag ik er niets van zeggen als mijn zoontje zonder enige vorm van A-diploma of zwemband een salto maakt vanaf een hoge rots in een rivier.1)Rik Kuiper: Wat mij betreft is dit een van jouw beste columns ooit, omdat het zo’n mooi klein verhaal is met een spanningsboog die tot de laatste zin gespannen blijft. Het toont ook dat verhalen niet altijd 5000 woorden hoeven te tellen – zoals liefhebbers van verhalende journalistiek vaak denken – maar dat het ook heel compact kan. Pas je deze verhalende structuur vaak toe in je columns? Heb je andere columnisten die je bewondert om hun verhalende stijl? Aaf Brandt Corstius: Volgens mij schrijf ik vaker een soort betoogjes of observaties, dus die verhalende stijl komt bij mij minder voor. Je moet natuurlijk ook altijd heel erg oppassen dat iets te veel een anekdote is, of heel erg ‘guess you had to be there’. Daar ben ik ook altijd meteen bang voor als ik zo’n verhalende column heb gemaild. Ik weet nog dat ik deze had opgestuurd, uit Italië, waar we dus in dat huisje zaten, en tegen mijn vriend zei: ik heb echt een vreselijke column ingeleverd. Maar ik kreeg er later veel goede reacties op, dus dan ga je toch anders naar zo’n column kijken. Ik heb wel veel columnist-voorbeelden maar niet per se van de verhalende stijl. Al is Norah Ephron in alles goed, zeker ook in het kort verhalen vertellen. Dus ik zou haar dan als voorbeeld noemen.

ik heb echt een vreselijke column ingeleverd

Ik vind dat een angstaanjagende onderneming, maar als ik dat ga roepen, wordt mijn zoon ook bang en dan mislukt die salto en landt hij met zijn hoofd op een steen. Zegt mijn vriend.

Dat is natuurlijk ook zo. Angst is besmettelijk en meestal nergens goed voor.3)RK: Je kiest ervoor om deze column vrij algemeen te beginnen (angst is besmettelijk) en pas aan het einde van de derde alinea concreet te worden: we gaan het over die vogel hebben. Zelf zou ik de neiging hebben dat andersom te doen: in de eerste regel zou die vogel al het huis in vliegen. Heb je daar bewust voor gekozen? Waarom? ABC: Heel bewust gaat het allemaal niet, al is het denk ik altijd wel goed om wat algemener te beginnen om de lezer het verhaal in te trekken. Dan gaat het ook over de lezer, en niet alleen over jezelf. Maar het gaat eigenlijk vanzelf dat ik zo’n zin opschrijf. En de eerste zin moet sowieso aantrekkelijk zijn natuurlijk, en als je zegt dat angst besmettelijk is willen mensen misschien wel weten wat je daar verder mee bedoelt.

Maar met die theorie had mijn vriend toch zelf een probleem toen er in ons huisje in Italië een kleine vogel was binnengedrongen.2)RK: Je column telt 450 woorden. Hier, na ruim 100 woorden, vliegt de vogel het stuk binnen. Daarmee staat het verhaal op spanning. De lezer zal doorlezen tot dat rotbeest het huis verlaten heeft. Ben je bewust bezig met de spanningsboog als je schrijft? Teken je de structuur uit van een column? Of gaat het intuïtief? ABC: Het gaat geheel intuïtief. Ik schrijf inmiddels 11 jaar columns van deze lengte, dus ik denk dat het een beetje in me is gaan zitten, die spanningsboog. Dat gaat vanzelf. Vroeger maakte ik ze meestal veel te lang en moest ik er nog van alles vanaf gaan bikken, maar dat is gelukkig niet meer zo. Ik schrijf zonder vooropgezet plan, dat werkt voor mij het beste. Overigens ook als ik iets langers schrijf, bijvoorbeeld een toneelstuk. Al is dat wel veel lastiger qua spanningsboog.

‘Er vliegt een vogel door de slaapkamer’, zei ik met een geheel niet angstige stem tegen mijn vriend en onze kinderen. ‘O’, zei mijn vriend met een geheel niet angstige stem terug. ‘Wil jij even gaan kijken?’, vroeg ik met een ontspannen stem aan hem. ‘Nee, ga jij maar even kijken’, zei hij met een superrelaxte stem terug.4)RK: Dit is een fijne dialoog. Permitteer je je als columnist de vrijheid om zo’n dialoog een beetje aan te scherpen, of is dit werkelijk wat jullie gezegd hebben? En zo ja, waar ligt de grens? ABC: Nou, het moet wel erg lijken op wat we zouden zeggen. Maar ik schrijf dat tijdens die dialoog meestal niet op (tenzij ik bv andere mensen afluister in een café ofzo), dus ik moet het uit mijn hoofd reproduceren. Ik zei overigens wel echt Vooooooogel en Alsjeblieft, ga naar buiten. En ik vind dat je de werkelijkheid niet moet aandikken, ik probeer ze waarheidsgetrouw mogelijk te zijn.

De uren erna verliepen in volledige, gespeelde, ontspanning en dat is veel vermoeiender dan zichtbaar gespannen zijn. De kinderen, hadden wij besloten, mochten op geen enkele manier merken dat wij doodsbang waren voor de vogel, want daaraan zouden ze een levenslange angst voor vogels overhouden.5)RK: Misschien is de column wel zo goed omdat de hoofdpersoon (jij dus) twee problemen tegelijk moet oplossen. 1. Die vogel moet het huis uit. 2. De kinderen mogen niet merken dat jullie doodsbang zijn. Het eerste probleem is heel concreet, het tweede abstract, psychologisch. Dat geeft het verhaal een diepere laag. Ben je het eens met die analyse? ABC: Ja, eigenlijk wel, al had ik hem zelf helemaal niet bedacht! Overigens is het vaak zo dat je als ouder allerlei emoties voor je kinderen verborgen probeert te houden (angst, maar ook bijvoorbeeld allerlei ergernissen over de andere ouder, of werkdingen of verdriet) terwijl je toch de hele dag met ze optrekt. Dat heeft iets geks.

De hele dag zetten we ramen open – ‘Dan kan het vogeltje wegvliegen’ – om ze toch maar weer te sluiten – ‘Misschien is het vogeltje al weggevlogen, we doen alle ramen nu toch maar weer dicht.’ Maar de vogel werd steeds weer gesignaleerd, op de gang, in de keuken, bij de wc. We bleven er waanzinnig ontspannen onder. ‘Wat een grappig vogeltje. Hij duikt steeds weer op!’

De kinderen gingen slapen zonder angst. Ik nam een douche om het angstzweet van me af te wassen.

Net toen ik me had ingezeept, kwam de vogel tevoorschijn. Door het glas van de douchecel kon ik hem zien. Hij fladderde wild heen en weer door de kleine badkamer. En heen. En weer. Dit was niet alleen The Birds, dit was ook nog Psycho. Dit was alles wat Hitchcock ooit aan engigheid had bedacht, en ik zat er midden in.

‘Gijsssssss’, riep ik mijn vriend zachtjes vanuit de douche, ‘Gijssssss’. De kinderen mochten me niet horen, want dan werden ze bang. ‘Voooooooogel.’

Mijn vriend stond aan de andere kant van de badkamerdeur. Hij zei later dat hij me alsmaar gesmoord hoorde zeggen: ‘Alsjeblieft, vogel, ga naar buiten. Alsjeblieft, vogel, ga naar buiten.’ Zelf wist ik dat al niet eens meer.6)RK: Je spaart jezelf niet, hier. En daar wordt de column sterker van. Heb je daar nog moeite mee, na al die jaren? ABC: Nee, ik vind het wel leuk om daar zo eerlijk over te zijn. Ik denk ook dat het voor veel mensen herkenbaar is, al die angsten en onzinnige dingen die in een mens kunnen zitten. Hoe eerlijker, hoe beter. Al hou ik ook een hoop voor mezelf, hoor.

De vogel vloog naar buiten. Mijn vriend stormde de badkamer in en sloot het raam.

De volgende dag kondigde mijn dochter aan dat ze bang voor vogels was.7)RK: In de laatste drie zinnen zit een dubbele climax. Eerst wordt het eerste probleem opgelost: de vogel vliegt weg. Maar dan, in de laatste zin die alles op z’n kop zet, blijkt dat al die moeite om niet bang te lijken voor niets is geweest. Heerlijk. ABC: Dank je! En ja, dat is ook een beetje het ouderschap (of het leven). Dat je allemaal dingen doet en dan loopt het toch weer heel anders. Of zelfs precies tegenovergesteld van wat je bedoeling was.

 

Be the first to comment on "Aafs ‘Voooooogel’"

Leave a comment